Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM6065

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
03-06-2010
Zaaknummer
283337 HARK 10-96
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK UTRECHT

Wrakingskamer

zaaknummer: 283337 HARK 10-96

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

25 mei 2010

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoekster

gemachtigde: [gemachtigde],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [gemachtigde]

tegen

mr. [X]

rechter in de sector kanton van de rechtbank Utrecht,

hierna te noemen: mr. [X].

1. Het verloop van de procedure

1.1. Onder registratienummer [registratienummer] is bij deze rechtbank, sector kanton, een procedure aanhangig tussen verzoekster en [bedrijf].

1.2. Op 11 februari 2010 is ter griffie van deze rechtbank een fax van [gemachtigde] ontvangen met een wrakingsverzoek gericht tegen de kantonrechter mr. [Y]. De mondelinge behandeling van dit wrakinsgverzoek zou plaatsvinden ter zitting van de wrakingskamer van 2 maart 2010.

1.3. Op 28 februari 2010 is ter griffie van deze rechtbank een fax van [gemachtigde] ontvangen met een gemotiveerd wrakingsverzoek gericht tegen de voorzitter van de wrakingskamer, mr. [X].

1.4. Mr. [X] heeft niet in de wraking berust, heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd en daarbij medegedeeld gebruik te maken van het recht om ter zitting te verschijnen. De griffier heeft de schriftelijke reactie van mr. [X] aan [gemachtigde] doen toekomen.

1.5. Na een schorsing van de behandeling op verzoek van [gemachtigde] ter zitting van de wrakingskamer van 1 april 2010 heeft [gemachtigde] bij fax d.d. 11 mei 2010 de voorzitter gewraakt van de wrakingskamer die zou oordelen over de wraking van mr. [X]. Dit laatste wrakingsverzoek is behandeld op 11 mei 2010 en door de rechtbank bij beslissing van 11 mei 2010 kennelijk ongegrond verklaard. Daarbij is tevens besloten dat een volgend verzoek om wraking door of namens [gemachtigde] in de onder 1.1. genoemde procedure niet in behandeling wordt genomen. Daarna heeft de mondelinge behandeling van het wrakings-verzoek tegen mr. [X] plaatsgevonden ter zitting van 11 mei 2010. Mr. [X] is ter zitting verschenen. [gemachtigde] noch (een gemachtigde van) [bedrijf] waren ter zitting aanwezig.

1.6. De uitspraak is bepaald op heden.

1.7. De rechtbank overweegt dat overeenkomstig de wet alleen rechters kunnen worden gewraakt. Voor zover het wrakingsverzoek van [gemachtigde] is gericht tegen de behande-lend griffier zal de rechtbank het verzoek niet in behandeling nemen, nu het in zoverre niet ziet op het rechterlijk personeel.

2. Het verzoek

Uit het wrakingsverzoek van [gemachtigde] volgt dat hij van mening is dat mr. [X], als voorzitter van de wrakingskamer, de schijn van onpartijdigheid heeft gewekt. [gemachtigde] heeft daartoe de volgende gronden aangevoerd.

[gemachtigde] stelt dat mr. [X] heeft nagelaten het wrakingsprotocol aan hem te doen toekomen, waardoor [gemachtigde] het recht wordt onthouden om te kunnen toetsen of de voorzitter de regels van de wrakingsprocedure naleeft.

[gemachtigde] stelt ook dat mr. [X] hem bewust zeer relevante informatie onthoudt, te weten de samenstelling van de wrakingskamer met de namen en nevenfuncties van de rechters, alsmede hun specialiteit. [gemachtigde] wordt hierdoor het recht onthouden om te kunnen controleren of de rechters van de wrakingskamer wel onpartijdig zijn.

Voorts stelt [gemachtigde] dat mr. [X] heeft nagelaten het procesdossier in de hoofdzaak aan hem toe te zenden, waardoor [gemachtigde] het recht wordt onthouden om te controleren of de wrakingskamer alle stukken heeft gekregen.

Tevens stelt [gemachtigde] dat mr. [X] heeft nagelaten om voor het toezenden van stukken de tien dagen termijn in acht te nemen. [gemachtigde] heeft zich hierdoor niet deugdelijk op de zitting van de wrakingskamer kunnen voorbereiden.

Ten slotte stelt [gemachtigde] dat mr. [X] ernstig verwijtbaar en nalatig handelt door een schriftelijk stuk van mr. [Y] te aanvaarden als verweer op het wrakingsver-zoek. [gemachtigde] is van mening dat genoemd stuk niet door de wrakingskamer kan worden geaccepteerd, omdat het niet door de gewraakte kantonrechter is ondertekend, waardoor onduidelijk is of dit stuk door de gewraakte kanonrechter zelf is opgesteld. Door een dergelijk niet rechtmatig stuk te aanvaarden en te overleggen, laadt mr. [X] de schijn van partijdigheid op zich, aldus [gemachtigde].

3. Het standpunt van de rechter

Mr. [X] heeft niet in de wraking berust.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1. De voor de beoordeling van het wrakingsverzoek toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de betreffende rechter vooringenomen is jegens één van de bij de procedure betrokke-nen, althans dat de vrees van die partij voor zulke vooringenomenheid objectief gerecht-vaardigd is.

4.2. De rechtbank is uit het onderzoek ter zitting gebleken dat mr. [X] op 1 maart 2010 kennis heeft genomen van de stukken die betrekking hebben op het wrakingsverzoek van [gemachtigde] tegen mr. [Y]. Bij die stukken zaten ook de verzoeken van [gemachtigde] aan de wrakingskamer om hem informatie toe te zenden over de samenstelling van de wrakingskamer, het wrakingsprotocol en het procesdossier in de hoofdzaak. De behandeling van het wrakingsverzoek was toen al vastgesteld op 2 maart 2010 en de betrokken partijen waren reeds voor die zitting opgeroepen. Mr. [X] heeft de griffier daarom de opdracht gegeven om de samenstelling van de wrakingskamer en het wrakings-protocol aan [gemachtigde] te faxen. Toen bleek dat de fax van [gemachtigde] geen berichten kon ontvangen -hetgeen door [gemachtigde] wordt beaamd- heeft de griffier de namen van de leden van de wrakingskamer op de voicemail van [gemachtigde] ingesproken en heeft de griffier tevens gewezen naar het register van nevenfuncties op www.rechtspraak.nl, alsmede naar het op die site geplaatste landelijke wrakingsprotocol. Het door [gemachtigde] verzochte procesdossier in de hoofdzaak is in het kader van de behandeling van het wrakingsverzoek niet aan hem ter beschikking gesteld.

4.3. Gelet op hetgeen onder 4.2. is weergegeven, is de rechtbank van oordeel dat mr. [X] [gemachtigde] van de verzochte informatie ten aanzien van de samenstelling van de wrakingskamer en het wrakingsprotocol heeft voorzien. Het betoog van [gemachtigde] dat mr. [X] hem deze informatie heeft onthouden kan de rechtbank dan ook niet volgen.

4.4. Ten aanzien van het procesdossier in de hoofdzaak overweegt de rechtbank dat in deze procedure alleen het wrakingsverzoek ter behandeling voor ligt. De hoofdzaak is bij de behandeling van het wrakingsverzoek niet aan de orde. Het is derhalve naar het oordeel van de rechtbank niet nodig om het procesdossier in de hoofdzaak voor de behandeling van het wrakingsverzoek aan betrokkenen ter beschikking te stellen, noch daargelaten dat [gemachtigde] als gemachtigde van de eisende partij over het procesdossier beschikt dan wel kan beschikken.

4.5. De rechtbank overweegt voorts ten aanzien van de stelling van [gemachtigde] dat de tien dagen termijn niet in acht is genomen, dat in beginsel in wrakingszaken de behandeling ter zitting niet wordt verdaagd nu een wrakingsverzoek een incident is waarop volgens de wet zo spoedig mogelijk een beslissing moet volgen. De rechtbank is van oordeel dat de door [gemachtigde] verzochte stukken niet zodanig omvangrijk of ingewikkeld zijn, dat verdagen was aangewezen. [gemachtigde] moet redelijkerwijs in staat zijn geweest de inhoud van die stukken tot zich te nemen, ook in de korte periode die resteerde tot de behandeling ter zitting.

4.5. De rechtbank stelt tot slot vast dat het verweerschrift van mr. [Y] door haar niet is ondertekend. Binnen de rechtbank is het te doen gebruikelijk dat de reacties van gewraakte rechters elektronisch (per interne mail) worden verzonden en door de griffier van de wrakingskamer elektronisch worden ontvangen. Doorgaans zijn dergelijke reacties tot de persoon van de gewraakte rechter te herleiden. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor het elektronisch ontvangen verweerschrift van mr. [Y]. De rechtbank is van oordeel dat er geen feiten en/of omstandigheden aanwezig zijn die de wrakingskamer ertoe nopen het verweerschrift niet te aanvaarden, dan wel de inhoud ervan niet bij de beoordeling van het verzoek te betrekken.

4.6. Gelet op al het voornoemde is de rechtbank van oordeel dat de handelwijze van mr. [X] geen blijk geeft van feiten of omstandigheden die doen twijfelen aan zijn onpartijdigheid.

Dit leidt tot de slotsom dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

4.7. Nu de wrakingsverzoeken tegen de voorzitters van de wrakingskamer van 2 maart 2010 (mr. [X]) en 11 mei 2010 (mr. [Z]) zijn afgewezen respectievelijk kennelijk ongegrond verklaard, komt aan de orde de behandeling van het wrakingsverzoek gericht tegen mr. [Y]. Partijen zullen voor de behandeling ter zitting van dat wrakingsverzoek een nieuwe oproeping toegestuurd krijgen.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek tot wraking van mr. [X] af;

5.2. draagt de griffier op deze beslissing toe te zenden aan [gemachtigde], [bedrijf], mr. R.H. Smits (voorzitter van de sector kanton van de rechtbank) en aan mr. H.A.E. Uniken Venema (president van de rechtbank);

5.3. bepaalt dat de zaak dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van schorsing in verband met dit onderzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, mr. R. in ‘t Veld en

mr. G. Perrick, leden van de meervoudige kamer, in aanwezigheid van mr. K.F. van Dam als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2010.

Mr. Perrick is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.