Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM6062

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
03-06-2010
Zaaknummer
286515 HARK 10-175
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK UTRECHT

Wrakingskamer

Zaaknummer / rekestnummer: 286515 HARK 10-175

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

21 mei 2010

in de zaak van

ir. [verzoeker],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: ir. [verzoeker],

verzoeker

tegen

mr. [X],

rechter in de sector bestuursrecht van de rechtbank Utrecht,

hierna te noemen: mr. [X].

1. Het verloop van de procedure

1.1. De hoofdprocedure betreft het door ir. [verzoeker] ingestelde beroep tegen het besluit van 26 juni 2008 dat gaat over het verzoek van ir. [verzoeker] om hem in aanmerking te brengen voor een individuele re-integratieovereenkomst en het door ir. [verzoeker] ingestelde beroep tegen het besluit van 12 november 2008 waarin het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente de Ronde Venen het bezwaar van ir. [verzoeker] niet-ontvankelijk heeft verklaard. De behandeling van de beroepen vond plaats ter zitting van 28 april 2010.

1.2. Op 28 april 2010 heeft ir. [verzoeker] tijdens de zitting van de rechtbank een verzoek tot wraking ingediend. Het wrakingsverzoek is gericht tegen mr. [X], als behandelend (bestuurs)rechter.

1.3. Mr. [X] heeft niet in de wraking berust.

1.4. Partijen zijn door de griffier van deze rechtbank opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 11 mei 2010.

1.5. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft op 11 mei 2010 plaatsge-vonden. Daarbij was mr. [X] aanwezig. Mr. [X] heeft ter zitting mondeling toegelicht waarom zij niet in de wraking heeft berust. Ir. [verzoeker] noch (een gemachtigde van) het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente De Ronde Venen waren ter zitting aanwezig. De wrakingskamer heeft vòòr de sluiting van het onderzoek ter zitting geen schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek van ir. [verzoeker] ontvangen. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.6. De uitspraak is bepaald op heden.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt tot wraking van mr. [X], bestuursrechter bij deze rechtbank. Van de zitting van de bestuursrechter van 28 april 2010 is proces-verbaal opgemaakt. Uit dit proces-verbaal maakt de wrakingskamer op dat mr. [X] ter zitting ten aanzien van de eerste zaak heeft voorgesteld om ir. [verzoeker] niet de hele pleitnotitie voor te laten lezen, maar om af te spreken dat zij de inhoud van de pleitnotitie goed zal lezen en deze zal meenemen in haar beraadslaging. Ir. [verzoeker] heeft daar blijkens het proces-verbaal mee ingestemd. Vervolgens heeft mr. [X] de (tweede) zaak over de individuele re-integratieovereenkomst aan de orde gesteld. Uit het proces-verbaal volgt dat mr. [X] vragen heeft gesteld over deze zaak en dat ir. [verzoeker] in de gelegenheid is gesteld antwoord te geven. Mr. [X] heeft blijkens het proces-verbaal -onder meer- gevraagd hoe de overeenkomst tot een outplace-menttraject destijds tot stand is gekomen. Ir. [verzoeker] vraagt daarop of dit wel relevant is voor de zaak, waarop mr. [X] heeft aangegeven dat zij beslist wat ze van belang vindt voor deze zaak en dat als zij een vraag stelt ir. [verzoeker] ervan uit kan gaan dat zij de vraag relevant vindt. Mr. [X] heeft ir. [verzoeker] er daarbij op gewezen dat hij kan kiezen om geen antwoord te geven.

Vervolgens wraakt ir. [verzoeker] mr. [X]. Ir. [verzoeker] geeft als toelichting op zijn wrakings-verzoek dat hij van mening is dat hij zijn standpunt niet goed naar voren kan brengen.

3. Het standpunt van de rechter

3.1. Mr. [X] heeft ter zitting van de wrakingskamer naar voren gebracht dat ir. [verzoeker] wat de eerste zaak betreft akkoord ging met haar voorstel om de pleitnota niet in zijn geheel voor te lezen.

Mr. [X] heeft voorts ter zitting van de wrakingskamer naar voren gebracht dat zij ten aanzien van de tweede zaak eerst het kader voor zichzelf duidelijk wilde krijgen, voordat zij verder inhoudelijk op de zaak zou ingaan. Mr. [X] heeft aangegeven dat zij ir. [verzoeker] zeker in de gelegenheid had gesteld om zijn verhaal te vertellen, maar dat zij daar op dat moment nog niet aan toe was. Mr. [X] heeft daarbij opgemerkt dat ir. [verzoeker] langzaam probeerde om de leiding van de zitting over te nemen. Om de leiding zelf in handen te houden heeft mr. [X] duidelijk gemaakt dat zij uitmaakt wat er gebeurt en welke vragen er worden gesteld. Mr. [X] merkte daarbij op dat zij aan ir. [verzoeker] had uitgelegd dat zij later meer inhoudelijk op de zaak zou ingaan en ir. [verzoeker] dan in de gelegenheid zou worden gesteld om zijn standpunt nader naar voren te brengen.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1. Artikel 8:15 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 EVRM, dit alles in samenhang met de door de Hoge Raad en de door het Europese Hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden de rechtzoekende de grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandig-heden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens betrokkene een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die betrokkene bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan thans geoordeeld dient te worden dat er sprake is van een persoonlijke vooringenomenheid van mr. [X] jegens ir. [verzoeker]. Derhalve zal naar objectieve maatstaven worden beoordeeld of is gebleken van feiten en omstandigheden die ir. [verzoeker] grond hebben gegeven voor de vrees dat het mr. [X] aan onpartijdigheid heeft ontbroken.

4.4. De rechtbank stelt op grond van het proces-verbaal van de zitting van de bestuursrechter van 28 april 2010 en het verhandelde ter zitting van de wrakingskamer vast dat mr. [X] de regie van de zitting in handen heeft genomen en gehouden. Zij heeft ervoor gekozen zelf eerst vragen te stellen in een poging meer zicht op de zaak te krijgen en deze in te kaderen. Uit het proces-verbaal en de ter zitting gegeven toelichting volgt verder dat mr. [X] ir. [verzoeker] heeft medegedeeld dat de zaak in een latere fase van de zitting inhoudelijk aan bod zou komen en dat hij dan de gelegenheid zou krijgen om zijn kant van het verhaal te vertellen. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank het betoog van ir. [verzoeker] dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gekregen om zijn kant van de zaak te belichten niet volgen. Aannemelijk is dat ir. [verzoeker] gedurende de behandeling de gelegenheid heeft gekregen om zijn standpunt naar voren te brengen, maar dat het zover niet is gekomen in verband met het verzoek tot wraking.

De handelwijze van mr. [X] geeft daarom naar het oordeel van de rechtbank geen blijk van feiten of omstandigheden die doen twijfelen aan de onpartijdigheid van mr. [X].

4.6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het wrakinsgverzoek zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek tot wraking van mr. [X] af;

5.2. draagt de griffier op deze beslissing toe te zenden aan ir. [verzoeker], aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente De Ronde Venen, aan mr. P.K. Nihot (sectorvoorzitter bestuursrecht van de rechtbank) en aan mr. H.A.E. Uniken Venema (president van de rechtbank);

5.3. bepaalt dat de zaak dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van schorsing in verband met dit onderzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. B.J. Ettekoven, voorzitter, en mr. R. in ’t Veld en

mr. G. Perrick, leden van de meervoudige kamer, in aanwezigheid van mr. K.F. van Dam als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2010.

Mr. Perrick is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.