Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM5908

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
277332 / HA ZA 09-2608
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot betaling van nota Schotse solicitor, die client heeft bijgestaan bij mislukte aankoop van Schots landgoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 277332 / HA ZA 09-2608

Vonnis van 26 mei 2010

in de zaak van

de limited liability partnership naar buitenlands recht

[eiseres], h.o.d.n. [eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats], Verenigd Koninkrijk,

eiseres,

advocaat mr. W.P. Groenendijk,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat voorheen mr. B.A. Wille, nu niet langer in deze procedure vertegenwoordigd.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 januari 2010 en de daarin genoemde stukken

- de brief van de zijde van [eiseres] van 19 maart 2010 met producties 7 tot en met 63

- het proces-verbaal van comparitie van 13 april 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] heeft in de periode van 15 april tot 7 augustus 2009 werkzaamheden verricht met betrekking tot de mogelijke aankoop van een Schots landgoed ([landgoed]) door [gedaagde], een door [gedaagde] gecontroleerde vennootschap of een door [gedaagde] nader te noemen meester.

2.2. Op 17 april 2009 heeft de heer [A] (verder: [A]) namens [eiseres] in een e-mail onder meer aan [gedaagde] geschreven:

“Dear Mr. [gedaagde],

(…)

As I said to you I am afraid I have to deal with verification of identity procedure (Government Rules!). If the purchase is to be in your name then I will need your local solicitor to send to me a certified true copy of your passport, a certified true copy of a recent gas or electricity or telephone bill showing your name and address, and a covering letter from that solicitor confirming that he has verified your identity. If the purchase is to be in your name along with any other individuals then I would need the same documentation for the other individuals as well.

I appreciate that it is possible you may wish to offer in the name of a company in which case I would need from your local solicitor a certified true copy English translation of the Memorandum and Articles, and the Register of Directors and the Register of Shareholders of the Company and certified true copies of the passports and again recent electricity, gas or telephone bills showing names and addresses, of two of the Directors (presumably one of whom would be you anyway?). I do appreciate that this is a nuisance but I am afraid that we have to go through with these procedures these days!

As regard legal expenses I would estimate these as follows (this is assuming that the purchase of [landgoed] is at a price of approximately £2,000,000 (…)):-

. [landgoed] – our own fees would be approximately between £6,000 (plus £900 VAT) and £8,000 (plus £1,200 VAT); (…)

(…)”

2.3. [gedaagde] heeft [eiseres] een kopie van zijn paspoort doen toekomen, waarop is vermeld dat mr. D.L. Jaquet, notaris te Woerden, bevestigt dat dit een kopie is van het origineel.

2.4. Op 7 mei 2009 schrijft [A] onder meer aan [gedaagde]:

“(…)

I have the formal written offer more or less ready but need some further information from you (date of completion, name of offering party, etc) – could you please give me a ring as soon as possible.

I have received the certified copy of your passport but so far none of the other items mentioned in my e-mail of 17 April have arrived here.

(…)”

2.5. In een telefoonnotitie van 8 mei 2009 van [eiseres] met betrekking tot cliënt [gedaagde] staat onder meer:

“(…)

You phoned having got our email and message yesterday. (…) The offer is to be in your own name just now – advising that we have put a clause in the offer stating that you can nominate someone else to take title and you said you would probably do this (…).

(…)”

2.6. [eiseres] heeft (uiteindelijk) namens [gedaagde] een bod gedaan op (een deel van) [landgoed]. [gedaagde] heeft echter de benodigde koopsom voor het landgoed niet voldaan. De koop is om die reden niet doorgegaan. Dit heeft [eiseres] op 31 juli 2009 aan [gedaagde] kenbaar gemaakt.

2.7. In een telefoonnotitie van 3 augustus 2009 schrijft [A], naar aanleiding van een telefoongesprek met [gedaagde], onder meer:

“(…)

Speaking to Mr [gedaagde] who received our email on Friday.

(…)

He said he would send all this through to us – he said we can then go back to the seller’s solicitor – if the seller is not prepared to continue with you, you said that then you would concentrate on another property but you also confirmed that you would meet our charges for the work done to date and that we should send you our invoice in this respect.

(…)”

2.8. Op 7 augustus 2009 heeft [eiseres] een factuur aan [gedaagde] (in privé) verzonden tot een bedrag van £ 11.800,00 exclusief 15% VAT.

2.9. Op 18 september 2009 schrijft [A] in een telefoonnotitie naar aanleiding van een gesprek met [gedaagde] onder meer:

“(…)

You got our email of a couple of days ago asking for settlement of our invoice – you cannot trace having received the invoice from us (confirming we sent it to you by email on 7th August. You asked if we would send it through again and you will send us the funds in settlement.”

2.10. Op 9 oktober 2009 schrijft [A] in een e-mail aan [gedaagde] onder meer:

“(…)

As regards our invoice which you confirmed you would settle I see that this is still outstanding and that no monies have come in. As you will appreciate I cannot let this remain outstanding any longer and I have no option but to instruct our agents in the Netherlands to raise formal proceedings for recovery of the sum outstanding (plus interest and expenses). I am sorry to have to do this as I have enjoyed dealing with you on a personal front.

(…)”

2.11. In een e-mail van 16 oktober 2009 schrijft [gedaagde] onder meer aan [A]:

“(…)

I am convinced that I will be succesfull in the aquisition of [landgoed].

So I am advising you to get these robbers of my neck.

If not, I will request my dutch Lawyer to take action against this.

I do wish to express that I like to continue with you as legal advisor, because I think we can get along quite well.

Anyway I do not walk away from my obligation, also towards you but not with a knife on my throught.

I request a quick answer.

(…)”

2.12. In reactie op dit mailbericht schrijft [A]:

“(…)

I have instructed our agents in the Netherlands to continue with the court proceedings against you – if you are unhappy about this then the solution is to pay the sums claimed.

(…)”

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 14.290,30 vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 13.284,39 te berekenen met ingang van 16 oktober 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de kosten van het gelegde conservatoire beslag.

3.2. [gedaagde] voert de volgende verweren:

- op de overeenkomst is Schots recht van toepassing;

- niet [gedaagde] maar de nader te noemen meester van zijn onderneming [bedrijf] dient als opdrachtgever van [eiseres] te worden beschouwd;

- de declaratie is prematuur, omdat deze eerst kan worden opgeëist bij de aankoop van onroerend goed of het moment dat vast komt te staan dat de beoogde transactie tot stand komt;

- ten onrechte is BTW in rekening gebracht, het 0% voor niet-ingezetenen had moeten worden toegepast;

- er zijn geen buitengerechtelijke werkzaamheden verricht.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] werkzaamheden heeft verricht ter zake van een voorgestane aankoop van onroerend goed te Schotland, Verenigd Koninkrijk. De vraag is echter of [gedaagde] voor deze werkzaamheden dient te betalen. [gedaagde] voert aan dat dit niet het geval is en zijn daartoe aangevoerde verweren zullen in het navolgende achtereenvolgens worden besproken.

Toepasselijk recht / bevoegde rechter

4.2. [gedaagde] woont in Nederland, zodat de Nederlandse rechter op grond van de hoofdregel van artikel 2 EEX-Verordening (44/2001) bevoegd is kennis te nemen van dit geschil. De woonplaats van [gedaagde], [woonplaats], is gelegen in het arrondissement Utrecht, zodat (in Nederland) de rechtbank te Utrecht bevoegd is.

4.3. Partijen zijn het erover eens dat Schots recht van toepassing is op de overeenkomst. Ter comparitie heeft [A] namens [eiseres] verklaard dat op alle aspecten van deze zaak het toepasselijke recht overeenstemt met het Nederlandse recht. De rechtbank heeft geen reden aan deze uitlating te twijfelen, nu ook in Schotland gebruikelijk zal zijn dat een opdrachtgever voor de werkzaamheden van een opdrachtnemer dient te betalen.

Opdrachtgever

4.4. [gedaagde] voert aan dat hij niet in privé, maar als bestuurder van de besloten vennootschap [bedrijf] h.o.d.n. [bedrijf] (verder: [bedrijf]) namens nader te noemen meesters de opdracht aan [eiseres] heeft verleend.

4.5. [eiseres] stelt dat [gedaagde] aansprakelijk is, nu hij zelf heeft verklaard op eigen naam de aankoop te willen verrichten en nooit een naam van een nader te noemen meester heeft genoemd.

4.6. De rechtbank overweegt het volgende. Uit een door [eiseres] in het geding gebrachte telefoonnotitie van 8 mei 2009 (zie 2.5) volgt dat [gedaagde] kenbaar heeft gemaakt de transactie op eigen naam te willen verrichten, tenzij hij om belastingtechnische redenen een derde zou benoemen. [gedaagde] heeft niet weersproken dat de inhoud van genoemde telefoonnotitie correct is, zodat daarvan wordt uitgegaan. [gedaagde] heeft voorts niet weersproken dat hij er in augustus 2009 mee heeft ingestemd dat [eiseres] haar werkzaamheden aan hem zou factureren (zie 2.7) en dat hij heeft toegezegd dat hij de verzonden factuur zou betalen (zie 2.9). Op geen enkele wijze is gebleken dat [gedaagde] voor november 2009 ooit ten opzichte van [eiseres] kenbaar heeft gemaakt dat hij als directeur van [bedrijf] optrad, zo heeft [gedaagde] bijvoorbeeld nooit stukken (zoals uittreksels en het aandeelhoudersregister) aan [eiseres] toegezonden waaruit dit zou kunnen blijken (zie 2.2 en 2.3). De stelling van [gedaagde] dat hij namens [bedrijf] optrad zal dus als onvoldoende onderbouwd worden gepasseerd. Nu uit een door [eiseres] in het geding gebrachte uitspraak van de hoogste Schotse rechter (productie 62 bij de brief van 19 maart 2010) voorts blijkt dat naar Schots recht een partij zelf aansprakelijk is indien hij de naam van een volmachtgever niet noemt, moet worden geconcludeerd dat [gedaagde] – als opdrachtgever – door [eiseres] kan worden aangesproken tot betaling.

Moment van declareren

4.7. [gedaagde] heeft aangevoerd dat er geen afspraken zijn gemaakt over het moment waarop [eiseres] zou mogen factureren en dat het gebruikelijk is dat pas wordt gefactureerd wanneer de onroerendgoedtransactie volledig is afgerond.

4.8. Uit door [eiseres] in het geding gebrachte stukken, een telefoonnotitie en email van [gedaagde] van 18 september 2009 respectievelijk 16 oktober 2009, blijkt echter dat [gedaagde] (herhaaldelijk) te kennen heeft gegeven de factuur van [eiseres] te zullen betalen (zie 2.9 en 2.11). Voorts volgt uit een telefoonnotitie dat [gedaagde] op 3 augustus 2009 zelf met toezending van een factuur heeft ingestemd (zie 2.7). Uit deze stukken, waarvan de juistheid door [gedaagde] niet is weersproken, kan slechts worden afgeleid dat [gedaagde] en [eiseres] wel degelijk afspraken hebben gemaakt over het moment van factureren, te weten dat [eiseres] in augustus 2009 haar werkzaamheden bij [gedaagde] in rekening mocht brengen (zoals zij ook heeft gedaan).

Verschuldigde BTW

4.9. [gedaagde] voert aan dat [eiseres] ten onrechte BTW berekent over de door haar verrichte werkzaamheden en dat het 0% tarief zou moeten worden toegepast.

4.10. [eiseres] stelt daartegenover dat uit EU-recht volgt dat [eiseres] is gehouden aan [gedaagde] BTW in rekening te brengen en dit in Schotland af te dragen.

4.11. De rechtbank overweegt als volgt. De wijze van heffing van BTW wordt in de lidstaten van de EU bepaald door Europese richtlijnen, waaronder richtlijn 2006/112. De plaats van diensten die betrekking hebben op onroerend goed is – gelet op het bepaalde in artikel 45 van richtlijn 2006/112 de plaats waar het betreffende onroerende goed is gelegen. De op 1 januari 2010 in werking getreden richtlijn 2008/8 kent voor onroerendgoedgerelateerde transacties een soortgelijke regeling. Uit door [eiseres] in het geding gebrachte notices van de Britse douanedienst (productie 63 van de zijde van [eiseres]) blijkt dat deze richtlijnen (ook) in het Verenigd Koninkrijk worden toegepast. [eiseres] heeft derhalve terecht BTW aan [gedaagde] doorberekend over haar adviesdiensten met betrekking tot de aanschaf van onroerend goed.

Conclusie, wettelijke rente, (buitengerechtelijke) kosten

4.12. De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] de factuur van [eiseres] inclusief BTW dient te betalen. Het bedrag van de hoofdsom (incl. BTW) omgerekend in euro’s bedraagt – zoals [eiseres] onweersproken heeft gesteld – EUR 13.284,39. Dit bedrag zal als hoofdsom worden toegewezen.

4.13. De wettelijke rente over het factuurbedrag is [gedaagde] verschuldigd vanaf de datum waarop [gedaagde] in verzuim is geraakt. Anders dan [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat verzuim niet reeds intreedt op de factuurdatum door de vermelding op de factuur dat deze onmiddellijk betaald dient te worden. Op 15 oktober 2009 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd binnen 7 dagen na die datum te betalen. Er is niet gesteld of gebleken dat [eiseres] [gedaagde] eerder dan die datum een redelijke termijn voor nakoming van de betalingsverplichting heeft gesteld, zodat de wettelijke rente met ingang van 22 oktober 2009 (als vroegste verzuimdatum) zal worden toegewezen.

4.14. [eiseres] vordert voorts vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II, een rapport dat [eiseres] gelet op de berekening van haar vordering ter zake ook lijkt te volgen - worden afgewezen. [eiseres] heeft immers nagelaten een voldoende duidelijke omschrijving te geven van de voor haar rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten waarvan [eiseres] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.15. [eiseres] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op EUR 288,70 voor verschotten en EUR 452,00 voor salaris advocaat (1 rekest x EUR 452,00).

4.16. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 72,25

- vast recht 316,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.292,25

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 13.284,39 (dertienduizend tweehonderd vierentachtig euro en negenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 22 oktober 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 740,70,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 1.292,25,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2010.? JvO