Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM5860

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
16-610301-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Cartoon-zaak. Vrijspraak. 137c Wetboek van Strafrecht. artikel 10 EVRM. De rechtbank komt tot de conclusie dat het als beledigend kwalificeren van de in de telastelegging opgenomen cartoon in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht niet bewezen is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/610301-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 april 2010

in de strafzaak tegen de

[verdachte]

gevestigd te [adres], [vestigingsadres] (België)

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2010. De verdachte is vertegenwoordigd door [gemachtigde] en is ter terechtzitting verdedigd door mr. drs. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich beledigend heeft uitgelaten over Joden, door op enkele websites een over Joden beledigende cartoon te plaatsen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 februari

2006 tot en met 16 september 2009 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen

en/of in vereniging met [gemachtigde] zich meermalen, althans éénmaal,

(telkens) in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding opzettelijk

beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun

ras en/of godsdienst, door op de website [website]

en/of [website] en/of [website], althans

op een website van de [verdachte], een cartoon te plaatsen met de volgende inhoud:

twee Joodse mannen bestuderen lijken onder het bordje 'Auswitch'. De ene

Joodse man zegt 'I don't think they are Jews'. De andere Joodse man zegt: 'We

have to get to the 6.000.000 somehow.

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 februari

2006 tot en met 16 september 2009 te Utrecht, althans in Nederland,

meermalen, althans éénmaal, (telkens) tezamen en/of in vereniging met A.

[gemachtigde], anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, een uiting

openbaar heeft gemaakt, die, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,

voor een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst,

beledigend is door op de website [website] en/of

[website] en/of [website], althans op een

website van de [verdachte], een cartoon te plaatsen met de volgende inhoud: twee

Joodse mannen bestuderen lijken onder het bordje 'Auswitch'. De ene Joodse

man zegt 'I don't think they are Jews'. De andere Joodse man zegt: 'We have to

get to the 6.000.000 somehow.'

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 augustus

2009 tot en met 2 september 2009 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen

en/of in vereniging met [gemachtigde] zich meermalen, althans éénmaal,

(telkens) in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding opzettelijk

beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun

ras en/of godsdienst, door op de website [website] een

cartoon te plaatsen met de volgende inhoud: twee Joodse mannen bestuderen

lijken onder het bordje 'Auswitch'. De ene Joodse man zegt 'I don't think

they are Jews'. De andere Joodse man zegt: 'We have to get to the 6.000.000

somehow.'

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 augustus

2009 tot en met 2 september 2009 te Utrecht, althans in Nederland, meermalen,

althans éénmaal, (telkens) tezamen en/of in vereniging met [gemachtigde],

anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, een uiting openbaar heeft

gemaakt, die, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, voor een groep

mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, beledigend is door

op de website [website] een cartoon te plaatsen met de

volgende inhoud: twee Joodse mannen bestuderen lijken onder het bordje

'Auswitch'. De ene Joodse man zegt 'I don't think they are Jews'. De andere

Joodse man zegt: 'We have to get to the 6.000.000 somehow.'

3. Inleiding

De [verdachte] (hierna: [verdachte]) heeft op verschillende websites cartoons geplaatst, waaronder de in de tenlastelegging omschreven cartoon. Door het Centrum Informatie en Documentatie Israël (hierna: CIDI) is aangifte gedaan. Volgens het CIDI is de cartoon beledigend over Joden, omdat de suggestie wordt gewekt dat Joden de Holocaust voor eigen gewin hebben verzonnen.

De [verdachte] stelt dat de cartoon is geplaatst met een begeleidende en vrijwarende tekst, een zogenaamde disclaimer. Hieruit zou moeten volgen dat de [verdachte] de Holocaust als historisch feit niet ontkent. In de visie van de [verdachte] is er sprake van een dubbele moraal in de media en het publieke debat. Enerzijds wordt gesteld dat moslims niet begrijpen hoe de vrijheid van meningsuiting werkt (bij cartoons) over onderwerpen die voor hen gevoelig zijn (en die zij daardoor als beledigend ervaren). Dit geldt bijvoorbeeld voor cartoons over de profeet Mohammed. Anderzijds worden bijvoorbeeld cartoons over onderwerpen die in de westerse seculiere samenleving gevoelig liggen niet geaccepteerd.

De [verdachte] stelt dat zij met de cartoon gebruik maakt van haar recht op vrije meningsuiting en aansluiting zoekt bij het publieke debat over deze dubbele moraal. Nadat de zaak in 2009 voorwaardelijk is geseponeerd, is de [verdachte] tot herpublicatie van de cartoon overgegaan, toen in de zaak tegen de heer Wilders een onvoorwaardelijk sepot volgde. Hiertegen heeft zij, de [verdachte], willen ageren, omdat dit opnieuw de dubbele moraal in het publieke debat aan zou tonen.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

4.1. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft een aantal verweren opgeworpen, op grond waarvan is geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Hierna volgt bespreking van de gevoerde verweren.

Strafbaarheid

De verdediging heeft aangevoerd dat volgens de Aanwijzing Discriminatie van het College van Procureurs-generaal (Stcrt. 2007, 233) eerst tot vervolging kan worden overgegaan, indien de strafbaarheid van de uitlating is komen vast te staan; er moet in de opvatting van de raadsman van evidente strafbaarheid sprake zijn. Uit het door het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (hierna: LECD) uitgevoerd onderzoek blijkt dat van evidente strafbaarheid geen sprake was, aldus de verdediging.

Onder verwijzing naar het ter zitting overgelegde verslag van de advocaat-generaal in de klacht ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering tegen de heer Wilders, waarin deze stelt dat het achterwege laten van strafrechtelijke vervolging een verantwoorde keuze is als er twijfel bestaat of sprake is van een wezenlijke aantasting van de menselijke waardigheid, heeft de verdediging betoogd dat, nu er aan de strafbaarheid van de cartoon wordt getwijfeld, strafrechtelijke vervolging niet had mogen plaatsvinden.

De officier van justitie had de begeleidende tekst bij de cartoon, waarin de feitelijke inhoud daarvan wordt weersproken en waarin een verantwoording wordt gegeven, de zogenaamde disclaimer, in het onderzoek moeten betrekken. Nu hij dit heeft nagelaten, heeft de officier van justitie volgens de verdediging niet de nodige zorgvuldigheid in acht genomen en was geen afgewogen oordeel mogelijk waar het aankomt op de strafbaarheid.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de Aanwijzing is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald: “Hoofdregel is dat bij overtreding van de discriminatiebepalingen, indien de zaak bewijsbaar en de verdachte strafbaar is, altijd een strafrechtelijke reactie volgt. Anders dan de raadsman heeft betoogd, volgt hieruit niet dat sprake moet zijn van ‘evidente’ strafbaarheid, voordat tot strafrechtelijke vervolging kan worden overgegaan. Ook indien niet evident is dat een uitlating strafbaar is, kan het een verantwoorde keuze zijn om een strafrechtelijke vervolging in te stellen. De inhoud van de Aanwijzing staat daaraan niet in de weg. Overigens heeft de officier van justitie gesteld dat er bij het nemen van de vervolgingsbeslissing geen twijfel bestond over de strafbaarheid van de cartoon. De mening van het LECD is in dit verband slechts van ondergeschikte betekenis nu zij slechts adviseert en het de officier van justitie is die de uiteindelijke vervolgingsbeslissing neemt.

Nadat het CIDI aangifte had gedaan en de zaak als gevoelig was aangemerkt is deze, conform voornoemde aanwijzing, ter advisering voorgelegd aan het LECD. Het LECD is vervolgens tot de mening gekomen dat de cartoon beledigend is over Joden en mitsdien als beledigend in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt. Het LECD heeft vervolgens overwogen dat het hier gaat om spotprenten en dat er daarmee sprake zou kunnen zijn van een artistieke impressie. Het LECD concludeert dat de cartoon moet worden voorgelegd aan de rechter omdat de cartoon beledigend is over Joden en op voorhand niet gesteld kan worden dat het beledigend karakter wordt weggenomen vanwege de vrijheid van expressie. Uit het advies blijkt inderdaad niet dat het LECD de inhoud van de disclaimer bij de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank overweegt in dit verband dat het LECD slechts een adviserende functie heeft en dat het uiteindelijk de officier van justitie is die beslist over de vraag of een dagvaarding of transactie moet volgen.

Uit bladzijde 12 van het in het dossier opgenomen ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te Amsterdam d.d. 6 november 2006 blijkt dat de disclaimer die verdachte bij de cartoon heeft geplaatst wel degelijk in de afweging om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan is meegewogen, en betrokken is bij het advies aan het College van Procureurs-Generaal.

Rekening houdend met het feit dat de betreffende cartoon zeer situationeel en reactief is op de publicatie van de Deense cartoons, en aldus de context waarbinnen de [verdachte] de cartoon heeft gepubliceerd in de overwegingen betrekkend, is een strafrechtelijke reactie gevolgd; de officier van justitie heeft verdachte medegedeeld dat de tegen hen ingediende aangifte voorwaardelijk zou worden geseponeerd. Nadat bleek dat de voorwaarden bij het sepot waren overschreden, namelijk dat de cartoon toch weer op websites was geplaatst, is verdachte gedagvaard.

Opportuniteit

De verdediging heeft voorts betoogd dat het algemeen belang eerder een strafrechtelijke vervolging in de weg staat dan dat het deze rechtvaardigt. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat het gevaar voor verstoring van de openbare orde een rol dient te spelen bij de vraag of vervolging van discriminatie opportuun te noemen is. In het onderhavige geval zijn aanknopingspunten aanwezig die aantonen dat de openbare orde niet in het gedrang was, zo bepleit de verdediging. Nu enkel het CIDI aangifte heeft gedaan en er ook anderszins geen aanwijzingen zijn voor verstoring van de openbare orde, was er volgens de verdediging voor de officier van justitie geen noodzaak dan wel rechtvaardiging te vinden om tot vervolging over te gaan.

Het ultimum remedium karakter van het strafrecht had bovendien de officier van justitie ervan moeten weerhouden strafrechtelijke vervolging in te stellen. Andere, minder ingrijpende, middelen hadden moeten worden aangewend om een uitlating gedaan ten behoeve van het publieke debat te sanctioneren, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vooropgesteld dient te worden dat naar geldend recht krachtens het in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel het openbaar ministerie in beginsel vrijheid van handelen toekomt in zijn vervolgingsbeslissingen. De wijze waarop – in geval van vervolging – die belangenafweging heeft plaatsgevonden, staat in zijn algemeenheid niet ter beoordeling van de rechter. Dit is slechts anders indien de vervolging in strijd is met wettelijke of verdragsrechtelijke voorschriften of beginselen van behoorlijke procesorde. Alleen in gevallen dat een vervolgingsbeslissing strijd oplevert met beginselen van een behoorlijke procesorde kan dit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in die vervolging leiden. Daarvan is hier geen sprake. Nog daargelaten de vraag of aan- dan wel afwezigheid van concrete en aanwijsbare maatschappelijke onrust is vereist om tot vervolging te mogen overgaan, is de rechtbank niet gebleken van een aperte onbehoorlijkheid in de belangenafweging bij de vervolging van verdachte of een onevenredige vervolging door het openbaar ministerie. De officier van justitie kon derhalve komen tot de onderhavige vervolgings-beslissing.

Ook het achterwege blijven van inzet van andere middelen om tegen de cartoon op te treden raakt naar het oordeel van de rechtbank de ontvankelijkheid van de officier van justitie niet. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het ultimum remedium-karakter tot een terughoudende toepassing van het strafrecht dwingt. Dat ook het openbaar ministerie zich daarvan bewust was, blijkt uit het feit dat men in eerste instantie ervoor heeft gekozen de zaak tegen verdachte voorwaardelijk te seponeren.

De rechtbank concludeert, samengevat, dat de officier van justitie in de vervolging kan worden ontvangen.

5. De beoordeling

De rechtbank is gesteld voor de vraag of sprake is van belediging in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht. Voor de beantwoording van die vraag moet niet alleen (de tekst van) de cartoon op zichzelf beschouwd beoordeeld worden. Artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht vormt namelijk een wettelijke uitzondering op het grondrecht van vrijheid van meningsuiting, zoals verankerd in – onder meer – artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Het toetsingskader van artikel 10 EVRM

De vrijheid van meningsuiting wordt beschermd door artikel 10 van het EVRM.

Dit artikel luidt (in de Nederlandse vertaling voor zover hier van belang) als volgt.

“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. (…)

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft met betrekking tot de verschillende aspecten van dit artikel in haar jurisprudentie benadrukt dat de vrijheid van meningsuiting één van de essentiële fundamenten van de democratische rechtstaat vormt en tevens een voorwaarde is voor haar ontwikkeling als geheel, en voor de ontwikkeling van de individuen binnen die rechtstaat. Informatie of ideeën die ‘offend, shock or disturb’ worden ook door artikel 10 EVRM beschermd, maar het artikel bevat géén absoluut recht op vrijheid van meningsuiting. De bescherming van artikel 10 EVRM ziet niet alleen op de inhoud van de uitlatingen, maar ook op de wijze waarop zij worden geuit.

Het recht om in vrijheid je mening te uiten kan als gevolg van het tweede lid van artikel 10 EVRM worden onderworpen aan beperkingen die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van – onder meer – de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. De term ‘noodzakelijk’ houdt in dat er een dringende maatschappelijke oorzaak (‘a pressing social need’) moet zijn voor een zodanige beperking. Anders gezegd: het gaat om de afweging van enerzijds de vrijheid van meningsuiting zelf en anderzijds de pressing social needs die kunnen rechtvaardigen dat op die vrijheid inbreuk wordt gemaakt. De rechter moet daarbij de zaak als geheel beoordelen en acht slaan op de inhoud van de bestreden bewoordingen en de context waarin deze werden gebruikt; de rechter zal moeten vaststellen of de tussenkomst van de autoriteiten proportioneel was in relatie tot de legitieme doelstellingen van de beperking van de vrijheid van meningsuiting.

Artikel 10, eerste lid, EVRM laat daarbij weinig ruimte voor beperkingen van het recht op vrije meningsuiting ten aanzien van politieke uitlatingen of uitlatingen die het publieke debat raken.

Artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht

Verdachte heeft op enkele websites een cartoon geplaatst, waarin de in de tenlastelegging weergegeven inhoud is opgenomen. In reactie daarop is door het CIDI aangifte gedaan ter zake van discriminerende belediging van een groep mensen, te weten Joden.

De wetgever heeft een vorm van discriminatie, beledigende uitlating over een groep vanwege bepaalde groepskenmerken, strafbaar gesteld in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht. Die bepaling beoogt de eigenwaarde, eer en/of goede naam van groepen mensen te beschermen, wanneer dergelijke groepen op grond van hun gemeenschappelijke kenmerken in het openbaar in diskrediet worden gebracht of in hun eigenwaarde aangetast. (Het daarnaast ten laste gelegde artikel 137e van het Wetboek van Strafrecht is de ‘verspreiding’ van hetgeen in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht is bedoeld.)

De rechtbank acht de cartoon op zichzelf beschouwd beledigend, zowel naar het spraakgebruik (beledigend, kwetsend voor Joden) als in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (beledigend over Joden).

Wat belediging volgens spraakgebruik betreft: de cartoon herinnert de beschouwer op een negatieve manier aan de arrestatie, deportatie en vernietiging van Joden in de Tweede Wereldoorlog; een dergelijke respectloze referte aan de Holocaust moet de Joodse slachtoffers of nabestaanden, maar ook anderen, diep kwetsen.

Wat betreft de belediging in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht overweegt de rechtbank dat door de cartoon, op zichzelf beschouwd, de suggestie wordt gewekt dat Joden de Holocaust (voor hun eigen gewin) hebben verzonnen.

In het onderhavige geval is voldaan aan het in het tweede lid van artikel 10 EVRM gestelde vereiste dat de mogelijke beperking is voorzien bij wet; belediging over groepen is immers, zoals hiervoor reeds genoemd, strafbaar gesteld in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht. Echter, de context waarin de cartoon is geplaatst ontneemt naar het oordeel van de rechtbank het beledigende karakter daaraan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Namens verdachte is gesteld dat de [verdachte] zich begin 2006 wilde mengen in het publieke debat dat was ontstaan na de publicatie van de ‘Deense cartoons’ over de profeet Mohammed. In de visie van de [verdachte] is er sprake van een dubbele moraal in de media en het publieke debat. Enerzijds wordt gesteld dat moslims niet begrijpen hoe de vrijheid van meningsuiting werkt bij cartoons over onderwerpen die voor hen gevoelig zijn (en die zij daardoor als beledigend ervaren). Dit geldt bijvoorbeeld voor cartoons over de profeet Mohammed. Anderzijds worden cartoons over onderwerpen die in de westerse seculiere samenleving gevoelig liggen niet geaccepteerd.

Om die dubbele moraal aan de orde te stellen, heeft de [verdachte] aanvankelijk een persverklaring uitgebracht. Omdat deze persverklaring niet leidde tot enige media aandacht, heeft de [verdachte] er vervolgens voor gekozen om (onder meer) de thans ten laste gelegde cartoon, ter illustratie van voornoemde beweerdelijke dubbele moraal, op enkele websites te plaatsen. Naast de ten laste gelegde cartoon werden ook andere cartoons geplaatst, bijvoorbeeld over Anne Frank en het homohuwelijk. De cartoon werd daarmee onderdeel van haar, [verdachte]’s “cartooncampagne”. De [verdachte] heeft haar bedoelingen met de cartoon vanaf het begin toegelicht in een persbericht en heeft ook via haar woordvoerder in de media steeds uitgedragen wat haar bedoeling was met het plaatsen van deze cartoon(s).

Nadat een onvoorwaardelijk sepot volgde in de zaak tegen de heer Wilders – die de Mohammed-cartoon op zijn website had geplaatst – heeft verdachte de cartoon andermaal op internet geplaatst, omdat volgens verdachte dit sepot opnieuw de dubbele moraal in het publieke debat aantoonde.

De rechtbank overweegt dat de cartoon en de hierop betrekking hebbende uitlatingen van verdachte onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. De rechtbank merkt op dat de begeleidende vrijwarende tekst niet – zonder meer – een vrijbrief vormt die leidt tot straffeloosheid. De rechtbank overweegt echter dat verdachte van meet af aan nadrukkelijk afstand heeft genomen van de inhoud van de cartoon en – onder meer – heeft verklaard dat men de Holocaust als historisch feit niet ontkent. Dit gebeurde niet alleen door een mededeling op de site, maar ook door het uitbrengen van een persbericht en ook bij optreden in de media. Dit was ook duidelijk voor aangever, zoals blijkt uit de persberichten hierover die als bijlagen aan de aangifte zijn gehecht. De rechtbank overweegt daarbij, dat niet gebleken is dat verdachte de ‘vrijwaring’ bij de cartoon louter heeft aangewend om strafbaarheid af te wenden. Evenmin is gebleken dat de verdachte in wezen wel achter de beledigende inhoud – in de zin van artikel 137c Wetboek van Strafrecht –van de cartoon zou staan.

De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of anders moet worden geoordeeld vanwege het feit dat het hier gaat om belediging van een groep die zelf niet in de discussie over de Mohammed-cartoon betrokken was. Dat is niet het geval. De cartoon gaat niet alleen over Joden, maar ook over een historisch trauma dat in de Joodse gemeenschap en in de samenleving als geheel zulke wonden heeft geslagen dat respect voor de slachtoffers breed leeft en gedragen wordt. Verdachte heeft met de cartoon willen aantonen dat de dubbele moraal die volgens haar in het publieke debat bestaat, maakt dat een cartoon over de profeet Mohammed, die in haar opvatting onnodig grievend is voor Moslims, is toegestaan, terwijl een reactie in dezelfde vorm, te weten een cartoon over dit historische trauma, die Joden én vele anderen grieft, dit niet zou zijn.

Dit alles overwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat het als beledigend kwalificeren van de in de telastelegging opgenomen cartoon in de zin van artikel 137c Sr niet noodzakelijk is in een democratische samenleving. De vrijheid van meningsuiting hoeft in dit geval niet te wijken voor het recht van anderen van discriminatie gevrijwaard te blijven. Hoewel de cartoon naar het oordeel van de rechtbank getuigt van wansmaak en bijzonder kwetsend is, over en voor Joden én anderen, dient het recht van verdachte deze uitlating te doen gelet op de specifieke context en bedoeling toch te worden gewaarborgd. Een inbreuk op dat recht, in de vorm van een strafrechtelijke veroordeling, is in het licht van de zaak als geheel bezien niet proportioneel ten opzichte van het doel dat daarmee wordt gediend. Verdachte dient dus van het hem telastegelegde te worden vrijgesproken.

6. De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. Z.J. Oosting en mr. M.J. Grapperhaus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 april 2010.