Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM5057

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
16-600071-10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor afpersing van bedrijf 1. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600071-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 mei 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1965] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in PI Utrecht – HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Raadsman mr. O.E. de Jong, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 april 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd om door geweld en/of bedreiging met geweld medewerkers van [bedrijf 1] te dwingen om geld af te geven;

feit 2 primair: door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen om geld af te geven;

feit 2 subsidiair: door geweld en/of bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid [aangever 1] heeft gedwongen om diverse geldbedragen aan verdachte te betalen, een bankrekening aan verdachte ter beschikking te stellen en woonruimte voor verdachte te regelen/betalen;

feit 3: een kukri-zwaard en een tweesnijdend mesje heeft gedragen.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle drie de ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot het eerste en derde ten laste gelegde feit heeft zij zich gebaseerd op de consistente en elkaar ondersteunende verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Zij zijn beiden erg stellig over de bedreigingen, die door verdachte zijn geuit. Beiden hebben ook geen enkele reden om zo’n verhaal te verzinnen en daarnaast hebben zij volgens de officier van justitie geen tijd gehad om hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Voorts wordt verdachte, kort nadat de alarmknop door [getuige 1] is ingedrukt, door de politie in het cafetaria aangetroffen, met in zijn bezit een zwaard en een mesje. De politie treft ook de zeer angstige [getuige 2] aan, weggedoken onder een keukenblok. In een medische verklaring is het bij [getuige 2] geconstateerde letsel beschreven.

Met betrekking tot het tweede ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie zich gebaseerd op de verklaring van aangever [aangever 1], die op onderdelen ondersteund wordt door de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4]. De officier heeft daarnaast gewezen op de aan [aangever 1] verstuurde mails, die dwingend en bedreigend van aard zijn.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de eerste twee ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft er met betrekking tot het eerste ten laste gelegde feit op gewezen dat uit het dossier naar voren komt dat verdachte en [getuige 2] elkaar niet mogen en laatstgenoemde dus wel degelijk een reden had om belastend over verdachte te verklaren. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] komen daarnaast, met betrekking tot het tonen van het mesje en het onder het keukenkastje gaan zitten, niet met elkaar overeen. Daarbij komt nog dat verdachte dit feit niet gepleegd kan hebben omdat verdachte vrijwel gelijktijdig met de afpersing in het cafetaria, met de trein aankwam op het Centraal Station Utrecht.

Met betrekking tot het tweede primair en subsidiair ten laste gelegde feit is het volgens de raadsman aangevers woord tegenover het woord van verdachte. De raadsman heeft er op gewezen dat de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] verklaren dat aangever [aangever 1] helemaal idolaat was van verdachte. De raadsman heeft verder bepleit dat voor afpersing vereist is dat iemand wordt gedwongen door geweld en/of bedreiging met geweld. Dat geweld en ook die bedreiging met geweld kan in dit geval niet bewezen worden. De raadsman heeft er daarnaast op gewezen dat helemaal niet vaststaat dat [aangever 1] door middel van de mails gedwongen werd tot het geven van geld. De e-mails waren immers niet in alle gevallen gericht aan [aangever 1] en onduidelijk is of deze e-mails hem wel bereikt hebben. Bovendien ontbreekt het bewijs dat [aangever 1] daadwerkelijk geld betaald heeft aan verdachte.

Met betrekking tot het derde ten laste gelegde feit heeft de raadsman er op gewezen dat verdachte de wapens net had opgehaald bij de politie Haaglanden. De verdachte mocht er dus vanuit gaan dat hij deze wapens mocht hebben.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Vrijspraakoverweging feit 2 primair en subsidiair

De aan verdachte ten laste gelegde gedragingen ten aanzien van [aangever 1] zijn niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft van begin af aan stellig ontkend dat sprake is geweest van afpersing of dwang en uit de verklaring van zowel aangever [aangever 1] als de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] valt ook niet op te maken dat verdachte aangever [aangever 1] op welke wijze dan ook heeft gedwongen om geld en zijn bankrekening aan verdachte af te staan of om woonruimte voor verdachte te regelen en te betalen. Het lijkt er veeleer op dat verdachte en aangever na hun eerste ontmoeting in 2003/2004 een bijzondere relatie met elkaar zijn aangegaan, waarbij aangever verdachte bewonderde en zich tot de sterke persoonlijkheid van verdachte voelde aangetrokken.

Hoewel de getuige de Jong heeft verklaard dat hij aangever tot tweemaal toe met blauwe ogen heeft gezien heeft aangever daarover zelf verklaard dat hij door verdachte tot tweemaal toe is mishandeld, omdat hij zich niet coöperatief opstelde, maar dat deze mishandelingen geen verband hielden met het betalen van geld. Dat verdachte van aangever contante geldbedragen heeft ontvangen wordt niet bevestigd door anderen die dat uit eigen waarneming kunnen verklaren. Eventueel overgemaakte gelden worden niet onderbouwd met schriftelijke stukken. Over de ter beschikking gestelde bankpas heeft aangever verklaard dat hij deze met zijn toestemming aan verdachte heeft gegeven omdat verdachte geen bankrekening had en verdachte geld moest ontvangen van de gemeente. Voor het overige wordt de verklaring van aangever niet ondersteund door andere verklaringen. Getuige [getuige 3] en [getuige 4] verklaren voornamelijk over hetgeen zij van aangever hebben gehoord en de verklaringen van aangever en verdachte staan daarnaast lijnrecht tegenover elkaar.

Met betrekking tot de e-mails staat vast dat verdachte een aantal mails heeft verstuurd, maar niet duidelijk is geworden -aan de hand van bankafschriften of verklaringen- dat deze e-mails hebben geleid tot betaling aan verdachte, hetgeen wel noodzakelijk is om tot een bewezen afpersing dan wel dwang te concluderen.

De rechtbank zal verdachte gelet op het vorenstaande vrij spreken van de onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.

4.3.2. Bewijsoverweging feit 1 en 3

Op 18 januari 2010 om 19.10 uur kreeg agent Knuist de opdracht om te gaan naar de [adres] te Utrecht, alwaar bij [bedrijf 1] de “paniekknop” was ingedrukt. Omstreeks 19.12 uur was hij samen met zijn collega Arguden ter plaatse en zag hij 2 mannen staan. Achter de toonbank stond (naar later bleek) de latere aangever [getuige 1] en achter in de keuken stond (naar later bleek) verdachte. Op de toonbank werd door voornoemde Knuist een zwarte tas, een rode plastic tas en een soort sjaal waarin iets was gewikkeld gezien. Naar later bleek zat in deze sjaal een mes van ongeveer 40 centimeter. In de keuken zat onder een keukenblok (naar later bleek) [getuige 2] weggedoken. De handen van [getuige 2] trilden en verbalisant hoorde en zag dat hij huilde. Pas toen een collega verdachte weghaalde lukte het om contact te krijgen met [getuige 2]. [getuige 2] vertelde aan de verbalisant -op het moment dat hij nog onder het keukenblok zat- dat de man die zojuist bij hem in de keuken stond hem had bedreigd en geschopt. Deze man wilde hem dood maken als hij hem geen geld zou geven. Nadat [getuige 2] onder het keukenblok vandaan kwam viel op dat hij met zijn linkerbeen sleepte. [getuige 2] zei dat hij meerdere malen geschopt was door verdachte .

Uit het proces-verbaal bevindingen blijkt overigens ook -en anders dan de raadsman stelt- dat de aangevers na de eerste confrontatie met de politie buiten elkaars aanwezigheid verklaren dat verdachte met een wapen het cafetaria is binnengekomen en hen beiden heeft bedreigd om geld af te geven .

Ter plaatse werd onmiddellijk door voornoemde Knuist een aangifte opgenomen. Aangever [getuige 2] verklaarde toen aanvullend op het hiervoor genoemde dat hij na het boodschappen doen verdachte in zijn cafetaria zag staan, dat hij verdachte begroette en vervolgens gelijk door verdachte tegen zijn linker bovenbeen werd geschopt. Hierop zou aangever de keuken in zijn gevlucht waar verdachte hem nogmaals opzocht. Hij hoorde verdachte zeggen dat hij geld wilde. Verdachte zou anders aangever wel doodmaken en zijn cafetaria opblazen. Aangever vertelde meerdere malen geschopt te zijn en dat verdachte ook een in een sjaal gewikkeld mes van ongeveer 40 cm had laten zien .

Blijkens een medische verklaring van T.H. Khoe, huisarts, d.d. 20 januari 2010 heeft aangever een kneuzing opgelopen aan de buitenzijde van zijn linker been .

Door [getuige 1] werd namens de benadeelde partij [bedrijf 1] aangifte gedaan. Hij heeft toen tegenover de politie verklaard dat er een voor hem onbekende man het cafetaria binnen kwam lopen en achter de toonbank kwam staan. [getuige 1] hoorde de man in zijn richting schreeuwen: “geef al het geld uit de kassa en anders pak ik het zelf. Ik heb een bom bij me en laat de bom afgaan”. [getuige 1] zag dat de man op dat moment het voorwerp, dat gewikkeld was in een rood/wit kleurige sjaal liet zien en hij was zodoende in de veronderstelling dat de man de bom in deze sjaal had gewikkeld. De man riep vervolgens: “ik ga het hier opblazen als je mij niet gelooft”. Toen zijn werkgever, [getuige 2], binnenkwam zag hij de man op [getuige 2] afrennen. [getuige 1] zag dat zijn werkgever meerdere malen door de man geschopt werd en hij hoorde de man tegen [getuige 2] zei: “Ik ga je doodmaken”. [getuige 1] zag vervolgens dat [getuige 2] wegrende in de richting van de keuken en dat de man achter [getuige 2] aan liep. In de keuken zag [getuige 1] dat de man en stoel gooide in de richting van [getuige 2] en de man [getuige 2] schoppen gaf toen laatstgenoemde onder het aanrecht zat. Nadat [getuige 1] aan de man vroeg waarom hij [getuige 2] mishandelde zei de man: “Ik heb niets met jou te maken ik ga [getuige 2] doodmaken”. [getuige 1] zag ook nog dat de man een voorwerp van de toonbank pakte en hiermee naar [getuige 2] toe liep. [getuige 1] hoorde de man tegen [getuige 2] zeggen: Weet jij wat dit is, dit is een wapen, voel maar, ik maak je dood”. Het voorwerp wat de man liet zien was in een rood/wit gekleurde sjaal gewikkeld .

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat de aangetroffen messen en het zwaard van hem zijn . Met betrekking tot deze wapens is een onderzoek ingesteld en het bleek hierbij te gaan om een zogenaamd Kukri-zwaard (wapen als bedoeld in art. 2 lid 1, cat. IV onder 2 van de WWM, een tweesnijdend mesje (blank wapen als bedoeld in art. 2 lid 1, cat. IV onder 1 van de WWM) . Het derde aangetroffen mesje betrof geen wapen in de zin van de WWM.

De rechtbank stelt - op grond van de Wet Wapens en munitie- vast dat het voorhanden hebben van voornoemde wapens niet strafbaar is. Verdachte stelt dat hij deze wapens even voor zijn aanhouding retour heeft gekregen van de politie en dat hij deze vervoerde naar zijn huis. Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt echter dat verdachte het in een rode doek gewikkelde mes van ongeveer 40 cm aan het slachtoffer [getuige 2] heeft laten zien, kennelijk om zijn bedreigingen kracht bij te zetten. In dit geval is er derhalve geen sprake meer van het vervoeren van verpakte wapens, doch is sprake van dragen als bedoeld in artikel 27 van die wet.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 18 januari 2010 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld

en bedreiging met geweld [getuige 1] en [getuige 2] te dwingen tot de

afgifte van een hoeveelheid (kas)geld, toebehorende aan die [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of [bedrijf 1], als volgt heeft gehandeld:

heeft hij, verdachte,

- de cafetaria betreden en is hij vervolgens achter de toonbak gaan staan;

- tegen die [getuige 1] gezegd: "Geef al het geld uit de kassa en anders pak ik het

zelf. Ik heb een bom bij me en laat de bom afgaan", althans woorden van

gelijke aard en/of strekking;

- een voorwerp (welke gewikkeld was in een sjaal) laten zien aan die [getuige 1] en

tegen die [getuige 1] gezegd: "Ik ga het hier opblazen als je mij niet gelooft",

althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

- tegen die [getuige 2] gezegd: "Ik kom geld halen" en/of "Ik ga je dood maken",

althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

- die [getuige 2] meerdere malen met kracht tegen diens benen geschopt;

- de keuken van de cafetaria betreden en een mes, althans een voorwerp

(gewikkeld in een sjaal), getoond en tegen die [getuige 2] gezegd: "Als je mij niet

betaalt dan maak ik je dood en zal ik je cafetaria opblazen", althans woorden

van gelijke aard en/of strekking;

- een stoel in de richting van die [getuige 2] gegooid;

- die [getuige 2] (terwijl die op de grond zat en zich verstopte) meerdere malen

geschopt;

- tegen die [getuige 1] gezegd: "Ik heb met jou niets te maken ik ga [getuige 2]

doodmaken", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

- tegen die [getuige 2] gezegd: "Weet jij wat dit is, dit is een wapen voel maar ik

maak je dood", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

voltooid.

3.

op 18 januari 2010 te Utrecht een Kukri-zwaard en een

blank wapen (tweesnijdend mesje), zijnde voorwerpen als bedoeld in de

categorie IV onder 1 en onder 2 van de Wet wapens en munitie, heeft

gedragen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1: poging tot afpersing;

feit 3: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Over de verdachte is door H.E.M. van Beek, psychiater, een rapport opgemaakt. Dit rapport, gedateerd 12 april 2010, geeft onder meer de volgende psychologische beschouwing:

Verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van ADHD, gecombineerde type. Verdachte gebruikt al vele jaren medicijnen om de ADHD-symptomen te bestrijden. Aangezien verdachte het ten laste gelegde ontkent kan de psychiater geen uitspraak doen hoe deze ziekelijke stoornis verdachte beïnvloedde ten tijde van het ten laste gelegde.

De rechtbank constateert dat uit de rapportage of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van het voorarrest.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om verdachte van de eerste twee ten laste gelegde feiten vrij te spreken en, nu de wederrechtelijkheid ontbreekt, verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging voor wat betreft het derde ten laste gelegde feit. De raadsman heeft verzocht om indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komt een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. De eis van de officier van justitie acht de raadsman in het geval van een bewezenverkaring van de feiten buitensporig hoog.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan

Verdachte heeft geprobeerd om in [bedrijf 1] met geweld en bedreiging met geweld zich geld toe te eigenen. Slachtoffers van dergelijke vermogensdelicten kunnen dit als zeer traumatisch ervaren. Dergelijke feiten veroorzaken voorts gevoelens van onrust en van onveiligheid in de maatschappij. Verdachte heeft hierbij kennelijk in het geheel niet stil gestaan en zich uitsluitend laten leiden door zijn persoonlijk winstbejag. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.

Verdachte heeft daarnaast twee wapens gedragen wat op grond van de Wet Wapens en munitie verboden is.

De persoon van verdachte

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 20 januari 2010, waaruit blijkt dat verdachte weliswaar niet eerder voor soortgelijke ernstige afpersingen is veroordeeld, maar dat hij wel eerder is veroordeeld voor -onder meer- geweldsfeiten (vernieling) en voor het dragen van een zwaard.

Door reclasseringswerker mw. F. Oliveiro is namens de Reclassering Nederland een rapport opgemaakt omtrent verdachte. In dit rapport komt, evenals in het rapport van voornoemde psychiater, naar voren dat een juiste inschatting van recidive -gezien de ontkenning van verdachte- niet mogelijk is. Een plan van aanpak kan zonder dat er meer gegevens omtrent het psychische welbevinden van verdachte bekend zijn niet opgesteld worden. Op grond van de huidige gegevens wordt geadviseerd om geen toezicht op te leggen.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan, nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet tot een bewezenverklaring komt van de onder 2 ten laste gelegde feiten. Daarnaast heeft de rechtbank meegewogen dat blijkens het hiervoor genoemde uittreksel verdachte niet eerder tot gevangenisstraf is veroordeeld. De rechtbank zal een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om herhaling in de toekomst te voorkomen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 62, 317 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 54 van de Wet Wapens en munitie.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1. en 3. ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: poging tot afpersing;

feit 3: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

(t.a.v. feit 1)

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

(t.a.v. feit 3)

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 100,-;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 2 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. R.P.G.L.M. Verbunt, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 mei 2010.

Mr. R.P.G.L.M. Verbunt is buiten staat te ondertekenen.