Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM5031

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-04-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
16-600052-10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hoewel verdachte voldoet aan de fomele vereiste voor ISD acht de rechtbank termen aanwezig om geen ISD op te leggen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600052-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 april 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1974] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in PI Utrecht – HvB locatie Nieuwegein, Nieuwegein.

Raadsman mr. P.G.M. Lodder, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 maart 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: uit een bedrijfspand een laptop heeft gestolen;

Feit 2: geprobeerd heeft om goederen/geld uit een woning te stelen;

Feit 3: uit een woning een digitale fotocamera heeft gestolen.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft zich daarbij -kort weergegeven- gebaseerd op de diverse aangiften, de bevindingen, de camerabeelden, het onderzoek van de technische recherche, de rapportages van het Nederlands Forensisch Instituut (nader te noemen: NFI) en de verklaring van verdachte dat hij zich de onder feit 2 en 3 gepleegde diefstallen niet kan herinneren, maar geen verklaring kan geven voor zijn op die plaatsen aangetroffen bloed.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 ten laste gelegde feit. De raadsman heeft er daarbij op gewezen dat niet duidelijk is geworden dat verdachte degene is geweest die de laptop gestolen heeft. De verklaring van verdachte dat hij de laptop op de grond heeft gevonden en dat hij deze wilde inleveren bij de receptie wordt volgens de raadsman door de overige verklaringen en bevindingen niet uitgesloten.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Bewijsoverweging feit 1

Op 14 januari 2010 heeft [aangever 1] tegenover de politie verklaard dat hij aangifte doet namens [bedrijf 1], gevestigd aan het [adres] te Utrecht (de eigenaar van de hierna te noemen laptop, merk HP type Compaq). Op voornoemde datum liep hij, [aangever 1], van de 5de etage naar de 6de etage toen hij op weg naar zijn kantoor tegen een man aanliep. Toen hij vervolgens zijn kantoor binnenkwam zag hij dat zijn laptop niet meer op zijn bureau stond. Hierop is aangever achter de man aangegaan tegen wie hij even daarvoor aanbotste. Nadat aangever de man vastpakte en aan hem vroeg wat hij in het kantoor deed zag aangever dat vanonder de kleding van de man de betreffende laptop op de grond viel .

Getuige [getuige] heeft tegenover de politie verklaard dat hij iemand hoorde roepen op de gang en hij vervolgens is gaan kijken. Hij zag dat aangever en twee onbekende mannen aan het worstelen waren met een voor hem onbekende man. Op de grond zag hij een laptop liggen. Deze getuige heeft voorts verklaard dat hij aangever hoorde zeggen: “Je hebt zeker nog meer onder je jas zitten” waarop getuige de onbekende man hoorde zeggen: “Nee, ik had alleen een laptop” .

Voorts is volgens verbalisant [verbalisant] op camerabeelden van de afdeling beveiliging van de Jaarbeurs waarneembaar dat tijdens de worsteling een rechthoekig, aan een laptop gelijkend, voorwerp op de grond valt .

De verklaring van verdachte dat hij de laptop in het gebouw heeft gevonden en hij deze naar de receptie wilde terugbrengen acht de rechtbank gelet op voornoemde bewijsmiddelen niet aannemelijk, ondermeer gezien de korte tijdspanne tussen het moment dat aangever de laptop op zijn bureau heeft achtergelaten (17.11 uur) en het moment waarop hij bij terugkeer bemerkte dat de laptop verdwenen was (17.15 uur).

4.3.2. Bewijsoverweging feit 2

Op 16 november 2004 heeft aangever [aangever 2] tegenover de politie verklaard dat hij omstreeks 2.45 uur die dag lag te slapen in de zijn slaapkamer aan de woning aan de [adres] te Utrecht. Op voornoemd tijdstip werd hij wakker en zag een persoon in zijn woning staan. Toen deze persoon merkte dat hij werd opgemerkt is hij weggevlucht. Aangever constateerde vervolgens dat er een klein glas in loodruitje van de voordeur was ingeslagen en de dader kennelijk via deze opening de voordeur geopend heeft. Aangever mist niets uit de woning, maar zag dat enkele laden van de keukentafel openstonden, die kennelijk door de dader zijn geopend. Op een stoel zag aangever een bebloed doekje liggen dat kennelijk was achtergelaten door de dader .

Door de technische recherche is dit bebloed wit papieren zakdoekje/tissue veiliggesteld, gewaarmerkt en inbeslaggenomen. Het spoor werd voorzien van een DNA identificatiezegel met nummer AFX 214 .

Het DNA-profiel van verdachte, DNA-profielcluster 4667, is op 23 september 2009 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Het DNA sporenmateriaal met voornoemd identiteitszegel kwam overeen met het profielcluster van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA profiel is kleiner dan één op één miljard .

4.3.3. Bewijsoverweging feit 3

Op 30 juli 2005 heeft aangever [aangever 3] tegenover de politie verklaard dat zij op 30 juli 2005 omstreeks 2.00 uur thuis kwam in haar woning aan de [adres] te Utrecht en dat zij vervolgens naar bed is gegaan. De volgende morgen zag zij dat van het rechterraam de ruit was vernield en dat haar digitale fotocamera, die op de tafel voor dat raam lag, was weggenomen .

Door de technische recherche werden op de buitenzijde van het raam diverse bloedspatten aangetroffen. Deze bloedspatten zaten onder meer op de plank die voor het raam was aangebracht. Eén van deze bloedspatten werd veiliggesteld, bemonsterd en inbeslaggenomen. Dit spoor werd voorzien van DNA-identificatiezegel BLA008 .

Het DNA-profiel van verdachte, DNA-profielcluster 4667, is op 23 september 2009 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Het DNA sporenmateriaal met laatstgenoemd identiteitszegel kwam overeen met het profielcluster van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA profiel is kleiner dan één op één miljard .

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 14 januari 2010 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, in een

bedrijfspand gelegen aan het [adres], heeft weggenomen een laptop

(merk HP, type Compaq), toebehorende aan [bedrijf 1].

2.

op 16 november 2004 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading, toebehorende aan [aangever 2] en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, naar die woning is toegegaan en een ruitje van een deur heeft ingeslagen en

vervolgens de deur heeft geopend en de woning heeft doorzocht, zijnde de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

3.

op 30 juli 2005 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een digitale fotocamera, toebehorende aan [aangever 3], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op een ruit van die woning.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1: diefstal;

feit 2: poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 3: diefstal waarbij de schuldig het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij onder 1, 2 en 3 bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om verdachte vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde feit en hem voor de overige feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur gelijk aan de tijd die reeds is doorgebracht in voorlopige hechtenis. Het ligt volgens de raadsman niet in de rede om voor deze oude onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten de ISD-maatregel op te leggen. Voorts heeft hij er op gewezen dat artikel 63 Sr. van toepassing is op deze feiten en dat aan verdachte eerder de SOV- en de ISD-maatregel is opgelegd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal diefstallen en een poging daartoe. Verdachte heeft er bij deze feiten blijk van gegegeven geen enkel respect te hebben voor andermans goederen. Verdachte heeft uitsluitend gedacht aan zijn eigen financiële behoefte en zich er niet om bekommerd dat hij door zijn handelwijze de benadeelden en/of hun verzekeraars veel schade en overlast berokkent. Het gaat daarbij niet alleen om materiele schade, maar het is ook een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van woninginbraken hiervan nog vaak lange tijd psychische hinder ondervinden. Bovendien dragen deze feiten bij aan het ontstaan van gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

De persoon van verdachte

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte d.d. 26 februari 2010, opgemaakt door

J. Mertens, reclasseringswerker, onder meer -zakelijk weergegeven- inhoudende dat:

inmiddels veel informatie is opgebouwd omtrent behandelingen, opnames en pogingen daartoe, maar dat dat niet heeft geleid tot recidivevermindering. Wanneer verdachte hulp krijgt aangeboden en hij beterschap kan laten zien haakt hij telkens af. Zowel de SOV-maatregel als de eerder opgelegde ISD-maatregel werd negatief afgerond. Nu eerdere interventies niet hebben geleid tot recidivevermindering moet de ISD volgens voornoemde rapporteur mogelijk als “kale” maatregel worden opgelegd. Het ontbreekt verdachte aan empathie, ziekte-inzicht en hij blijkt ook niet leerbaar.

- Ter terechtzitting heeft dhr. J.J. Kiviet als getuige-deskundige verklaard dat de (verslavings)behandeling binnen de ISD-maatregel valt of staat met de motivatie van verdachte. Als verdachte niet gemotiveerd is en niet meewerkt zal de ISD-maatregel inhouden dat verdachte een “kale” maatregel van twee jaar moet uitzitten.

Verdachte staat op de wachtlijst voor een kamer in een hostel. Het is eerder niet gelukt om aansluitend aan de detentie huisvesting te regelen.

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 februari 2010, waaruit blijkt dat de verdachte veelvuldig is veroordeeld voor misdrijven, dat aan hem op 11 april 2007 de ISD-maatregel is opgelegd en hij van 2002 tot 2004 een SOV-maatregel heeft uitgezeten.

De rechtbank zal -anders dan de officier van justitie heeft gevorderd- de ISD-maatregel niet opleggen. Op 26 augustus 2009 is de vorige ISD maatregel geëindigd. In die periode heeft verdachte nog een gevangenisstraf uitgezeten waartoe hij op 9 maart 2009 was veroordeeld voor een feit gepleegd op 31 januari 2009. Op 4 november 2009 is verdachte veroordeeld door de Politietrechter voor een feit gepleegd op 1 september 2009. Hoewel de recidive van verdachte in de afgelopen vijf jaren wel voldoet aan het formele vereiste voor de ISD acht de rechtbank deze twee recente veroordelingen onvoldoende om aan verdachte nu opnieuw de ISD maatregel op te leggen. Daar komt nog bij dat wanneer de rechtbank in dit geval toch zou besluiten om de ISD-maatregel op te leggen dat zou betekenen dat verdachte de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaar “kaal” zal uitzitten. Immers hij heeft te kennen gegeven niet gemotiveerd te zijn voor enige behandeling. De rechtbank acht -gelet op het strafblad van verdachte- weliswaar een gevangenisstraf van langere duur zeer zeker op zijn plaats, maar vindt een vrijheidsbenemende maatregel voor de duur van 2 jaren in dit geval buitensporig lang. Hierbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk rekening gehouden met de ouderdom van de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank houdt op de voet van artikel 63 Sr. rekening met de eerdere veroordelingen van 4 november 2009, 9 maart 2009, 29 augustus 2006, 10 augustus 2006, 28 februari 2006, 30 november 2005, 10 augustus 2005, 11 mei 2005 en 24 februari 2005.Artikel 63 Sr is niet van toepassing wat betreft de eerdere veroordeling waarbij de ISD maatregel is opgelegd. Artikel 63 Sr. ziet op het bij een nieuwe bestraffing onder omstandigheden rekening houden met eerder opgelegde straffen, niet met eerder opgelegde maatregelen, waarbij door de wetgever geen uitzondering is gemaakt voor de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders.

Als bijkomende omstandigheid brengt oplegging van een gevangenisstraf met zich mede dat de datum van invrijheidsstelling vooraf bekend is en het zodoende voor de reclassering wellicht eenvoudiger is om aansluitend hierop een plaats in een hostel te realiseren waarmee misschien de kans op recidive verkleind kan worden.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal;

feit 2: poging diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 3: diefstal waarbij de schuldig het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) MAANDEN;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. M.J. Veldhuijzen en mr. I.J.B. Corbey, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 april 2010.