Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM4456

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
17-05-2010
Zaaknummer
265654 / HA ZA 09-869
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nietige verdeling nalatenschap (art. 3:195 BW). Gewezen echtgenoot had op grond van art.3:170 BW bij de verdeling van de nalatenschap betrokken moeten worden, omdat de nalatenschap is opengevallen op het moment dat hij nog met de betreffende erfgename in gemeenschap van goederen was gehuwd. Dat verdeling pas na ontbinding van de huwelijksgemeenschap plaatsvond, doet daar niet aan af.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 97
Burgerlijk Wetboek Boek 1 102
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 170
Burgerlijk Wetboek Boek 3 182
Burgerlijk Wetboek Boek 3 195
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 674
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2010/90
JPF 2010/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 265654 / HA ZA 09-869

Vonnis van 12 mei 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. P.G. Knoppers,

tegen

1. [gedaagde sub1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M. Gruiters,

2. [gedaagde sub2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. A.M. Both.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] c.s. genoemd worden. Gedaagden afzonderlijk zullen [gedaagde sub1] en [gedaagde sub2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 augustus 2009 waarin een comparitie van partijen is bepaald,

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 23 november 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] en [gedaagde sub2] zijn broer en zus van elkaar en de enige erfgenamen van hun moeder, mevrouw [A] (hierna: [A]).

2.2. [A] is op 5 mei 2002 overleden. Zij had geen testament opgemaakt.

2.3. Per brief van 30 oktober 2005 heeft [eiser] aan [gedaagden] c.s. verzocht mee te werken aan de afwikkeling van de nalatenschap en om binnen 14 dagen een inhoudelijke reactie op zijn brief te geven.

2.4. [gedaagde sub2] en [gedaagde sub1] zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Het huwelijk is door ontbinding geëindigd op 28 juni 2006.

2.5. Op 24 maart 2009 hebben [eiser] en [gedaagde sub2] ten overstaan van een notaris een verdelingsovereenkomst opgesteld (hierna: de verdelingsovereenkomst). Daarbij is overeengekomen dat [eiser] een vordering wegens onderbedeling heeft op [gedaagde sub2] ten bedrage van € 85.182,30. In deze verdelingsovereenkomst staan als activa van de nalatenschap vermeld:

-vorderingen op partijen in verband met niet terugbetaalde betaalde leningen (nog te vermeerderen met rente), te weten:

1. lening aan [gedaagden] c.s., hoofdsom NLG 200.000,-;

2. lening aan [gedaagde sub2], hoofdsom NLG 14.305,-;

3. lening aan [eiser], hoofdsom NLG 16.614,-;

-banktegoeden, ten bedrage van € 14.962,- (exclusief rente), “ter leen gesteld” aan [gedaagden] c.s..

Als passiva van de nalatenschap staan in de verdelingsovereenkomst omschreven de niet uitgekeerde schenkingen aan [eiser] en [gedaagde sub2] ten bedrage van € 7.525,49 per begunstigde, nog te vermeerderen met rente.

2.6. De door partijen niet nader aangeduide roerende goederen uit de nalatenschap zijn voorafgaand aan het opstellen van de verdelingsovereenkomst al verdeeld.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. [gedaagden] c.s. hoofdelijk zal veroordelen te voldoen:

primair: een bedrag van € 85.182,30, vermeerderd met de (wettelijke) rente tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair: de helft van het saldo van de nalatenschap op 14 november 2005, vermeerderd met de (wettelijke) rente tot de dag der algehele voldoening;

meer subsidiair: de helft van het totale saldo van de nalatenschap op datum overlijden [A] (5 mei 2002);

II. [gedaagden] c.s. zal veroordelen tot betaling van het onder I bedoelde bedrag binnen een (1) maand na betekening van het vonnis op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagden] c.s. in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;

III. [gedaagden] c.s. zal veroordelen in de kosten van het geding (de nakosten daaronder begrepen) en de buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemde kosten vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis.

3.2. [eiser] baseert zijn vorderingen op de overbedeling van [gedaagde sub2] die het gevolg is van de verdelingsovereenkomst. Volgens [eiser] is (ook) [gedaagde sub1] gehouden tot betaling op grond van artikel 1:102 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nu hij in gemeenschap van goederen met [gedaagde sub2] was gehuwd op het moment dat de verdeling van de nalatenschap plaatsvond. Hij stelt dat als moment van verdeling geldt het moment waarop de verdeling feitelijk is voltooid. Dat is volgens hem op 9 mei 2003 geweest, toen de laatste banktegoeden van de rekening van [A] door [gedaagde sub2] naar de rekening van [gedaagden] c.s. zijn overgemaakt.

3.3. [gedaagde sub2] concludeert gedeeltelijk tot afwijzing van de vorderingen met de veroordeling van [eiser] in de proceskosten en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder I gevorderde, met dien verstande dat zij niet gehouden is om meer te betalen dan [gedaagde sub1] en dat de rente zal worden gematigd.

[gedaagde sub1] concludeert tot afwijzing van de vorderingen met de veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Hij voert daartoe aan dat de verdelingsovereenkomst is gesloten na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap zodat er geen sprake is van een boedelschuld waarvoor hij aansprakelijk is. Subsidiair voert hij op verschillende punten aan waarom de verdelingsovereenkomst niet geldig of onjuist is. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.4. Voor het geval de rechtbank de vordering in conventie toewijst, vordert [gedaagde sub1] dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een boedelbeschrijving zal bevelen door een bij dat bevel aan te wijzen notaris ex artikel 674 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv), met de bepaling dat de opgave onder eedsaflegging of de belofte geschiedt, alsmede [eiser] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.5. [gedaagde sub1] legt daaraan ten grondslag dat nu hij niet betrokken is bij het totstandkomen van de verdelingsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde sub2], deze niet geldig is. Voorts heeft hij de vrees dat hij door zijn ex-echtgenote en haar broer benadeeld wordt. Verder voert hij aan dat de beschrijving van de activa en de passiva van de nalatenschap zoals door de behandelend notaris op 24 maart 2009 is gedaan, onjuist is om verschillende redenen.

3.6. [eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met de veroordeling van [gedaagde sub1] in de proceskosten. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De nalatenschap van [A] is opengevallen op 5 mei 2002. Hieruit volgt dat het onverdeelde aandeel in de nalatenschap dat aan de erfgenaam [gedaagde sub2] toekomt, in de huwelijksgemeenschap valt van [gedaagden] c.s. (die op dat moment nog bestaat en niet ontbonden is).

4.2. Dat betekent dat ook [gedaagde sub1] recht heeft op (de helft van) dit aandeel in de nalatenschap en dat dit betrokken dient te worden in de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van [gedaagden] c.s. Ook dient [gedaagden] betrokken te worden bij de verdeling van de nalatenschap zoals de rechtbank hierna zal overwegen, nu hij immers mede-eigenaar is geworden van dit onverdeelde aandeel in de nalatenschap.

4.3. De rechtbank beschouwt de verdelingsovereenkomst van 24 maart 2009 als het moment van verdeling van de nalatenschap. Als verdeling van een gemeenschap wordt immers aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten hebben meegewerkt en krachtens welke een van hen een of meer goederen van de nalatenschap met uitsluiting van de ander heeft verkregen (3:182 BW). Ten aanzien van het overhevelen van de banktegoeden van [A] naar de rekening van [gedaagden] c.s. door [gedaagde sub2] geldt dat [gedaagde sub1] deze (blijvende) overheveling betwist. Als deze overboekingen al vast komen te staan, heeft het handelen door [gedaagde sub2] veeleer het karakter van beheer, daarbij in aanmerking genomen dat zij ook al de financiën deed voor [A] toen laatstgenoemde nog in leven was. Van het verdelen van de roerende goederen (waarbij de rechtbank, gelet op wat er op zitting is besproken, ervan uitgaat dat partijen daarmee de inboedel hebben bedoeld) is niet gesteld of gebleken dat dit met medewerking van alle partijen is geschied. De vorderingen van de nalatenschap wegens de verschillende geldleningen aan partijen zijn in 2003 nog niet ter sprake gekomen. Pas op 24 maart 2009 hebben [eiser] en [gedaagde sub2] een lijst opgesteld van alle activa – waaronder ook de hiervoor genoemde vorderingen op grond van geldlening – en passiva die de nalatenschap omvatte en hebben zij de bestanddelen in onderling overleg verdeeld. Op dat moment werd vastgesteld dat [gedaagde sub2] met de voorgestane verdeling werd overbedeeld en kon de vordering van [eiser] wegens onderbedeling worden vastgesteld.

4.4. Zoals hiervoor weergegeven, heeft de verdeling plaatsgevonden op het moment dat de huwelijksgemeenschap al was ontbonden. Dat betekent dat [gedaagde sub2], aan wiens zijde het aandeel in de nalatenschap in de gemeenschap van goederen was gevallen, niet langer als enige het bestuur had over dit aandeel in de nalatenschap als bedoeld in artikel 1:97 BW. Door de ontbinding van de gemeenschap is artikel 3:170 BW van toepassing dat – kort samengevat – bepaalt dat het beheer over de gemeenschappelijke goederen (in dit geval het onverdeelde aandeel in de nalatenschap) door de deelgenoten tezamen geschiedt. Dat betekent dat [gedaagde sub2] samen met [gedaagde sub1] de verdeling van de nalatenschap met haar broer [eiser] had moeten vaststellen. [gedaagde sub1] voert terecht aan dat de verdelingsovereenkomst niet geldig is en dat er een nieuwe verdeling vastgesteld moet worden waaraan ook [gedaagde sub1] zal deelnemen. Artikel 3:195 BW bepaalt immers dat een verdeling waaraan niet alle deelgenomen en alle andere personen wier medewerking vereist was, hebben deelgenoten, nietig is tenzij zij is geschied bij een notariële akte, in welk geval zij slechts kan worden vernietigd op vordering van degene die niet aan de verdeling heeft deelgenomen. De verdelingsovereenkomst is weliswaar tot stand gekomen ten overstaan van een notaris maar betreft niet een notariële maar een onderhandse akte (zo bevat deze geen waarnemingen door de notaris, is deze alleen door partijen getekend), zodat deze nietig is op grond van artikel 3:195 BW.

4.5. Nu geen geldige verdeling tot stand is gekomen, kan evenmin sprake zijn van een vordering wegens onderbedeling. Dat betekent dat de vorderingen van [eiser] – die allen gebaseerd zijn op onderbedeling – voor afwijzing gereed liggen. Eerst nadat [eiser] tezamen met [gedaagden] c.s. de verdeling zal hebben vastgesteld, kan worden berekend of hem een vordering wegens onderbedeling toekomt. Aangezien [gedaagde sub1] dan partij is bij die verdelingsovereenkomst, zal hij aansprakelijk zijn indien [eiser] dan een vordering uit onderbedeling heeft. De rechtbank geeft partijen in overweging om gezamenlijk een notaris aan te zoeken, teneinde op een voortvarende en een relatief weinig belastende wijze de verdeling en de afwikkeling van de nalatenschap te volbrengen.

4.6. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in voorwaardelijke reconventie

4.7. Nu de vorderingen in conventie voor afwijzing gereed liggen, komt de rechtbank niet meer toe aan de behandeling van de vorderingen in reconventie.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af.

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Phaff en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2010.? EB