Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM4250

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
17-05-2010
Zaaknummer
269834 / HA ZA 09-1536
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van onderaanneming. Exoneratieclausule: begrip gevolgschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2010/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 269834 / HA ZA 09-1536

Vonnis van 12 mei 2010

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat: mr. S.P.A. Wensink-Vergunst,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MULTI-BOUWSYSTEMEN B.V.,

gevestigd te Soest,

gedaagde,

advocaat: mr. D. Brouwer.

Partijen zullen hierna ASR en MBS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 september 2009;

- het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. ASR heeft aan [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming]) een uitkering gedaan van EUR 6.872,52 ter zake van waterschade in de kelder van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning). ASR was daartoe gehouden ingevolge een overeenkomst van verzekering en is gesubrogeerd in de rechten van

[onderneming].

2.2. [onderneming] heeft de woning gebouwd. Voor het aanleggen van de kelder heeft zij MBS als onderaannemer ingeschakeld. MBS heeft in dat verband op 6 juli 2005 een offerte opgesteld, welke door B&W Vochtwering is ondertekend (hierna: de overeenkomst van onderaanneming). In deze overeenkomst van onderaanneming is onder meer het volgende opgenomen:

“Specificaties:

(…)

Coating: De naden en de kim van de kelderwanden worden aan de buitenzijde voorzien van Sulfiton® coating (o.g.). Door u, c.q. derden dient de aansluiting van de kelder op de bovenbouw waterdicht afgewerkt te worden.

(…)

Garantie: wij leveren een 10 jarige garantie op de waterdichtheid van de kelder.

(…)

Algemene bepalingen:

(…)

U) Sparingen in het kelderdek dienen door u, c.q. derden, afgedicht te worden i.v.m. veiligheid.”

2.3. Op deze overeenkomst van onderaanneming zijn de algemene voorwaarden van MBS van toepassing, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“7.4 MBS is nimmer aansprakelijk voor gevolgschade en indirecte bedrijfsschade, stagnatieschade, vertraging van de bouw, verlies van orders, winstderving, bewerkingskosten e.d.”

2.4. In de offerte van MBS was onder meer het volgende opgenomen:

“Garantie: wij leveren een 10 jarige garantie op de waterdichtheid van de kelder”

2.5. In een fax van 7 november 2005 heeft MBS onder meer het volgende geschreven aan [onderneming]:

“MultiBouwSystemen BV zorgt er voor dat de waterdichtheid van de mantelbuizen t.p.v. de prefab betonnen wand wordt afgewerkt, tevens zorgt u ervoor dat we tijdig te horen krijgen wanneer de mantelbuizen geplaatst gaan worden.”

2.6. In de opleveringsbevestiging van 18 november 2005 is nogmaals opgenomen dat MBS garant staat voor een waterdichtheid van tien jaar.

2.7. In juli 2007 is er een lekkage geweest in de kelder van de woning. Vanwege een hoog grondwaterpeil kwam het grondwater tegen de kelderwand aan te staan en is er water in de kelder gestroomd. Hierdoor is in alle vertrekken in de kelder waterschade ontstaan.

2.8. [onderneming] heeft MBS direct opdracht gegeven om de oorzaak van de waterschade te verhelpen. MBS heeft vervolgens opdracht aan B&W Vochtwering B.V. (hierna: B&W Vochtwering) gegeven om daar zorg voor te dragen. B&W Vochtwering heeft dat gedaan. Op de werkbon van B&W Vochtwering staat het volgende vermeld:

“Aard van de werkzaamheden: Het betreft een viertal doorvoeringen die open

staan.

Vermoedelijk doordat het hemelwater niet via het riool mag worden afgevoerd is na de heftige regenval hier water naar binnen gekomen.”

2.9. ASR heeft expertisebureau [expertisebureau] B.V. (hierna: [expertisebureau]) ingeschakeld om de schade en de toedracht te onderzoeken. In het rapport van de expert [A] van [expertisebureau] van 14 december 2007 staat onder meer het volgende vermeld:

“Omstandigheden en oorzaak van de schade

(…) Na onderzoek is vastgesteld dat het doorvoergat rond de mantelbuis niet waterdicht was afgewerkt. Na overleg heeft MultiBouwSystemen opdracht verstrekt aan B&W B.V. om alsnog voor de waterafdichting zorg te dragen. Deze onderaannemer van MultiBouwSystemen heeft tegenover verzekerde verklaard dat de mantelbuizen niet goed waterdicht waren afgewerkt, wat de oorzaak was van de lekkageproblemen. (…)

Omvang van de schade

(…) In de 3 ruimtes van de kelderverdieping, inclusief de hal naar de trap naar de begane grond, heeft enkele centimeters blank gestaan. Het daar aangebrachte zeil is beschadigd geraakt, zo ook de wandafwerking en plinten. Verder stonden daar meubelstukken opgeslagen en was de kelderwand voorzien van een wandschildering. 3 deuren bleken te zijn aangetast; deze waren namelijk opgezwollen en niet meer sluitbaar. Ook de onderste houten traptrede en trapbomen waren aangetast door het water. (…)

Het schadebedrag is als volgt te specificeren:

Woonkamer

- leegruimen kelder incl. bijwerken wanden i.v.m. losgelaten

stucwerk € 520,00

- alle wanden 2 x sauzen - 1.250,00

- vervangen 3 paneeldeuren - 870,00

- aflakken vensterbanken, deuren, kozijnen en onderzijde

trap - 830,00

- huur droger, schoonmaakkosten en herstelwerkzaamheden

aanvankelijk uitgevoerd - 1.100,00

- vervanging vloerbedekking - 1.802,52

Subtotaal excl. BTW 6.372,52

- vergoeding inboedel, muurschildering en stroomkosten

incl. BTW - 500,00

- Totaal, deels incl. BTW € 6.872,52”

2.10. In een brief van 14 september 2007 heeft [onderneming] MBS aansprakelijk gesteld voor deze schade. Daarin staat onder meer:

“De afdichting tussen de mantelbuizen en de moffen was niet voldoende. Nadat op deze plekken was geïnjecteerd was de lekkage verholpen.”

2.11. In een brief van 27 september 2007 heeft MBS haar aansprakelijkheid afgewezen. In deze brief staat onder meer:

“B&W vochtwering is meerdere malen ter plaatse geweest om de lekkage aan de mantelbuizen te bekijken. Zij hebben toen ook aangegeven dat er geïnjecteerd diende te worden. Dit is ook door hun uitgevoerd. (…) De ontstane schade kan niet het gevolg zijn van een ondeugdelijke afdichting, de schade kan derhalve ontstaan door het niet of zorgvuldig aanvullen van de kelder waardoor de mantelbuizen zijn ontzet.”

2.12. In een brief van 15 januari 2008 heeft [expertisebureau] namens ASR MBS aansprakelijk gesteld voor de schade. Op 6 maart 2008 heeft [expertisebureau] een rappèlbrief aan MBS gestuurd.

2.13. In een brief van 8 augustus 2008 heeft ASR MBS nogmaals gesommeerd om tot betaling van het bedrag van EUR 6.872,52 over te gaan.

2.14. In een brief van 9 april 2009 heeft de advocaat van ASR MBS aansprakelijk gesteld en tot betaling van het bedrag van EUR 6.872,52 gesommeerd. In een brief van

14 april 2009 heeft MBS haar aansprakelijkheid afgewezen.

3. Het geschil

3.1. ASR vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, MBS te veroordelen:

A. tot betaling aan ASR van een bedrag van EUR 6.872,52, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

1 juli 2007 tot de dag der algehele voldoening,

B. tot betaling aan ASR van de kosten voor vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van

EUR 1.114,14,

C. in de kosten van deze procedure, waarbij de proceskosten voldaan dienen te worden binnen 14 dagen na de dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede de nakosten die worden begroot op EUR 131,- voor zover ASR niet tot betekening hoeft over te gaan, dan wel indien betekening van het vonnis plaatsvindt een bedrag ad EUR 199,-.

3.2. MBS voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van ASR in haar vorderingen, althans tot afwijzing van die vorderingen.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. ASR legt aan haar vordering ten grondslag dat MBS toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen MBS en

[onderneming] gesloten overeenkomst van onderaanneming. ASR stelt hiertoe dat de inhoud van de overeenkomst van onderaanneming betreft de aanleg van een betonbak met (onder andere) waterdichte doorvoergaten voor mantelbuizen (door partijen ook aangeduid als doorvoerbuizen) en leidingwerk. ASR stelt dat MBS de (doorvoergaten rondom de) mantelbuizen in de kelder niet waterdicht heeft afgewerkt, waardoor er lekkage is ontstaan in de kelder. ASR betoogt dat de waterschade in totaal EUR 6.872,52 bedroeg.

Waterdicht afwerken mantelbuis

4.2. MBS voert een aantal verweren. Zij betwist allereerst dat de lekkage is ontstaan doordat zij de doorvoergaten rondom de mantelbuizen niet waterdicht heeft afgewerkt, zoals ASR aan haar vordering ten grondslag legt. Volgens MBS is de lekkage ontstaan doordat de bovenzijde van de mantelbuizen niet was afgesloten, waarvoor zij niet aansprakelijk is. Uit de toelichting van MBS ter comparitie begrijpt de rechtbank dat MBS daarmee bedoelt dat de mantelbuis volgens haar aan de buitenkant van de kelder verticaal naar boven loopt, dat de mantelbuis daar open is blijven staan en dat daarin water is gekomen. Ter onderbouwing van haar standpunt beroept MBS zich op de werkbon (zie rov. 2.8), waarin beschreven is dat de werkzaamheden betreffen ‘een viertal doorvoeringen die openstaan’.

4.3. Vaststaat dat er lekkage in de kelder is ontstaan en dat na de herstelwerkzaamheden de problemen waren verholpen. Als dus komt vast te staan dat de herstelwerkzaamheden na de lekkage betrekking hadden op de afdichting van de doorvoergaten rondom de mantelbuizen, zoals ASR stelt, moet het ervoor worden gehouden dat de lekkage is veroorzaakt doordat die doorvoergaten niet waterdicht waren. ASR heeft onderbouwd naar voren gebracht dat de herstelwerkzaamheden betrekking hadden op het injecteren van de doorvoergaten rondom de mantelbuizen. ASR heeft daartoe ter comparitie de constructie van de doorvoerbuizen in de kelder uitgelegd en daarbij een tekening van die constructie overgelegd. De door ASR gestelde herstelwerkzaamheden sluiten daarbij aan. ASR heeft verder onder meer aangevoerd dat B&W Vochtwering, die destijds de herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd, aan [onderneming] heeft doorgegeven dat de lekkage - kort gezegd - was veroorzaakt door problemen met de afdichting van de doorvoerbuizen en dat die problemen waren verholpen nadat op de plek van die afdichting was geïnjecteerd. Deze stelling vindt steun in de brief van [onderneming] aan MBS van 14 september 2007 (zie hiervoor rov. 2.10) en bovendien ook in de brief van

27 september 2007, die MBS in reactie daarop aan [onderneming] heeft gezonden. Ook daarin staat namelijk dat B&W Vochtwering aan MBS heeft aangegeven dat er geïnjecteerd diende te worden en dat B&W Vochtwering dit ook heeft uitgevoerd (zie hiervoor rov. 2.11). Gelet hierop moet B&W Vochtwering met ‘doorvoeringen’ op de werkbon dus de doorvoergaten rondom de mantelbuizen hebben bedoeld, zoals ASR stelt. MBS heeft met haar verder niet onderbouwde betoog dat sprake was van andere herstelwerkzaamheden en van een andere constructie dan ASR stelt onvoldoende gemotiveerd de stellingen van ASR op dit punt betwist. De rechtbank zal daarom van de juistheid van die stellingen van ASR uitgaan.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat in deze procedure vaststaat dat de doorvoergaten rondom de mantelbuizen in de kelder niet waterdicht waren. MBS betwist niet dat zij op grond van de overeenkomst gehouden was de mantelbuizen op die plekken waterdicht af te werken. Zij stelt voorts niet dat deze tekortkoming niet aan haar kan worden toegerekend. De rechtbank concludeert dan ook dat MBS tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van onderaanneming en dat zij in beginsel op grond van artikel 6:74, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) gehouden is de daardoor ontstane schade te vergoeden.

Verzuim

4.5. Voorts voert MBS aan dat zij niet in gebreke is gesteld om eventuele schade te herstellen, zodat zij niet in verzuim is en niet belast kan worden met de kosten voor een eventueel herstel. ASR betoogt – kort gezegd – dat er geen verplichting voor een ingebrekestelling was, omdat de schade aan de kelder definitief geleden was en nakoming dus blijvend onmogelijk was.

4.6. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 6:74, eerste lid BW de schuldenaar bij iedere tekortkoming van een verbintenis verplicht is de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. In het tweede lid is kort gezegd bepaald dat deze verplichting pas ontstaat wanneer de schuldenaar in verzuim is. Voorts volgt uit artikel 6:81 BW dat de schuldenaar in verzuim is gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van artikelen 6:82 BW (ingebrekestelling) en 6:83 BW (verzuim zonder ingebrekestelling) is voldaan, behalve voor zover de vertraging hem niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk is.

4.7. De situatie doet zich hier voor dat de schuldeiser ([onderneming]) als gevolg van een gebrek in de aanvankelijk geleverde prestatie van MBS (het niet waterdicht afwerken van de mantelbuizen) schade heeft geleden die zij niet zou hebben gelden als aanstonds deugdelijk was gepresteerd. Die schade van [onderneming] kon niet door de vervangende prestatie (het alsnog waterdicht afwerken van de mantelbuizen) worden weggenomen. De tekortkoming is daarom niet voor herstel vatbaar en de nakoming is blijvend onmogelijk in de zin van artikel 6:74 BW en 6:81 BW (vergelijk bijvoorbeeld

HR 4 februari 2000, LJN: AA4732). De rechtbank is derhalve – in tegenstelling tot wat MBS betoogt – van oordeel dat er geen verplichting voor ASR bestond om MBS in gebreke te stellen.

Exoneratieclausule

4.8. Voorts heeft MBS aangevoerd dat zij niet aansprakelijk is voor de gevorderde gevolgschade, omdat in artikel 7.4 van de algemene voorwaarden een exoneratieclausule is opgenomen voor de gevorderde schade. Gevolgschade betreft volgens haar alle door een gebrek veroorzaakte schade.

4.9. ASR betoogt in reactie op dit verweer van MBS dat de schade die gevorderd wordt niet is aan te merken als gevolgschade, maar als directe schade. Volgens ASR wordt onder gevolgschade een schade in een verder verwijderd causaal verband verstaan, terwijl de kosten die gepaard gaan met het terugbrengen van de kelder in de oude toestand zijn aan te merken als directe schade. Verder stelt ASR dat de opsomming van schades in artikel 7.4 van de algemene voorwaarden een heel ander idee geeft van de schades die zijn uitgesloten. Bovendien wordt volgens ASR met de uitleg die MBS aan dit artikel geeft de garantie niets meer waard. Ten slotte beroept ASR zich voorwaardelijk op de vernietiging van artikel 7.4 van de algemene voorwaarden omdat het onredelijk bezwarend is.

4.10. Bij de uitleg van artikel 7.4 van de algemene voorwaarden komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (zie bijvoorbeeld HR 19 oktober 2007, LJN: BA7024). De rechtbank overweegt daarover het volgende.

4.11. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 7.4 van de algemene voorwaarden het begrip ‘gevolgschade’ niet is gedefinieerd. Ook in de literatuur en jurisprudentie bestaat geen vaste betekenis van dit begrip. Wel is in artikel 7.4 van de algemene voorwaarden een opsomming gegeven van schadesoorten waarvoor aansprakelijkheid is uitgesloten, namelijk voor: “gevolgschade en indirecte bedrijfsschade, stagnatieschade, vertraging van de bouw, verlies van orders, winstderving, bewerkingskosten” (zie rov. 2.3 van dit vonnis). Dit betreffen allemaal schadeposten die niet het onmiddellijke gevolg zijn van een ondeugdelijke uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Uit de opsomming van de schadeposten mocht [onderneming] dan ook redelijkerwijs afleiden dat ook de daarin opgenomen ‘gevolgschade’ betrekking heeft op schade, die niet het onmiddellijke gevolg is van een ondeugdelijke uitvoering van de aannemingsovereenkomst. De door ASR gevorderde schadeposten – het leegruimen van de kelder, het bijwerken van de wanden vanwege los stucwerk, het twee keer sauzen van alle wanden, het vervangen van drie paneeldeuren, het aflakken van vensterbanken, deuren, kozijnen en de onderzijde van de trap, het huren van een droger en schoonmaakkosten, het vervangen van de vloerbedekking en een vergoeding voor de inboedel, muurschildering en stroomkosten – hebben betrekking op de waterschade in de kelder, die wel het onmiddellijke gevolg is van de ondeugdelijke uitvoering van de overeenkomst van onderaanneming door MBS. Een redelijke uitleg van artikel 7.4 van de algemene voorwaarden brengt daarom mee dat de door ASR gevorderde schadeposten niet vallen onder de in dat artikel opgenomen ‘gevolgschade’.

4.12. Dit oordeel wordt niet anders door het betoog van MBS dat in 99% van de algemene voorwaarden gevolgschade is uitgesloten en dat als de onderhavige schade niet onder het begrip gevolgschade zou vallen, heel wat algemene voorwaarden ‘naar de vuilnisbak zouden kunnen’. De rechtbank beoordeelt hier immers alleen de tussen deze partijen overeengekomen algemene voorwaarden en daarmee de wijze waarop daarin de exoneratie van gevolgschade is geformuleerd.

4.13. Ook gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van MBS dat zij niet kan opdraaien voor gevolgschade, omdat zij niet kan overzien wat mensen in een kelder zetten of hangen, waarbij zij als voorbeeld een Rembrandt noemt. Gevolgschade is volgens MBS uitgesloten omdat dat niet valt te overzien. Als MBS haar aansprakelijkheid voor de (in de onderhavige procedure door ASR gevorderde) schade die het onmiddellijke gevolg is van het niet goed waterdicht afdichten van de mantelbuizen door MBS had willen uitsluiten, dan had zij dit met [onderneming] moeten overeenkomen en moeten opnemen in de algemene voorwaarden. Uit de huidige formulering van artikel 7.4 van de algemene voorwaarden volgt een dergelijke partijbedoeling – gezien hetgeen de rechtbank overwogen heeft onder ?4.11 van dit vonnis – immers niet.

Omvang van de schade

4.14. Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat MBS aansprakelijk is voor de schade die ontstaan is doordat zij de mantelbuizen niet waterdicht heeft afgewerkt.

4.15. ASR stelt dat de schade in totaal EUR 6.872,52 bedraagt. Ter onderbouwing van de omvang van de schade heeft zij het rapport van [expertisebureau] overgelegd (productie 5 bij dagvaarding). Daarin is onder ‘Omvang van de schade’ toegelicht waaruit de schade bestaat en zijn de verschillende schadeposten omschreven, waarbij telkens is aangegeven welk bedrag daarmee is gemoeid (zie rov. 2.9 van dit vonnis).

4.16. MBS betwist de omvang van de schade. MBS voert daartoe in de conclusie van antwoord aan dat de omvang van de schade in het rapport van [expertisebureau] op geen enkele wijze wordt onderbouwd. MBS verwijst daarbij naar twee schadeposten, ‘huur droger, schoonmaakkosten en herstelwerkzaamheden’ en ‘vervanging vloerbedekking’ en stelt dat geen bewijs van deze uitgaven is verstrekt.

4.17. Tussen partijen is niet in geschil dat er waterschade in de kelder is opgetreden. ASR heeft ter comparitie toegelicht dat alle gevorderde schadeposten daarop betrekking hebben. Dit heeft MBS als zodanig niet betwist. ASR heeft verder – door overlegging van het rapport van [expertisebureau] – de schadeposten- en bedragen gespecificeerd. MBS heeft in het licht van deze omstandigheden haar betwisting van de omvang van de schade onvoldoende onderbouwd. Weliswaar heeft MBS ter comparitie nog naar voren gebracht dat bepaalde posten, zoals het aflakken en de vloerbedekking, voor een kelder redelijk hoog zijn, maar als een onderbouwde betwisting kan dat niet worden aangemerkt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de schade in totaal EUR 6.872,52 bedraagt, zoals ASR stelt.

Slotsom en kosten

4.18. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de vordering van ASR tot betaling van EUR 6.872,52 zal toewijzen. ASR vordert hierover wettelijke rente vanaf 1 juli 2007 tot de dag van algehele voldoening. Daartegen heeft MBS geen afzonderlijk verweer gevoerd. De rechtbank zal de rente daarom toewijzen als gevorderd.

4.19. ASR vordert verder betaling van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ten bedrage van EUR 1.114,14. Dit is het bedrag dat [expertisebureau] in rekening heeft gebracht voor het opstellen van het expertiserapport ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, waartoe ASR opdracht heeft gegeven. MBS voert verweer tegen dit onderdeel van de vordering. MBS brengt ten eerste naar voren dat het rapport van [expertisebureau] partijdig en ondeugdelijk is. Daartoe stelt MBS dat het rapport mede een juridisch oordeel over de algemene voorwaarden van MBS bevat. Ook stelt MBS daartoe dat [expertisebureau] zich, in de persoon van [A], heeft opgesteld als gemachtigde van ASR dan wel van [onderneming]. MBS heeft ter onderbouwing van dat standpunt verwezen naar de brief van 15 januari 2008, die [expertisebureau] namens ASR aan MBS heeft geschreven (zie rov. 2.12 van dit vonnis). Ten tweede voert MBS aan dat de kosten van het rapport om die reden onder het liquidatietarief vallen.

4.20. Bij haar beoordeling van dit onderdeel van de vordering stelt de rechtbank voorop dat op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking komen de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Het laten opstellen van een expertiserapport is in zijn algemeenheid te beschouwen als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade. De opsteller van het rapport heeft in dit geval tevens namens ASR MBS aansprakelijk gesteld en hierover met MBS gecorrespondeerd. Dit kan weliswaar consequenties hebben voor de waardering van de inhoud van het rapport, maar maakt niet dat het rapport reeds daarom ondeugdelijk is en niet meer als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade kan worden beschouwd. MBS heeft verder geen inhoudelijke argumenten aangevoerd voor haar standpunt dat het rapport ondeugdelijk is en niet meer als een redelijke maatregel kan worden beschouwd. Ook het standpunt dat een dergelijk rapport niet meer als zodanig kan worden beschouwd als daarin een juridisch oordeel verband houdende met aansprakelijkheid is vervat, vindt geen steun in het recht en gaat dus niet op. Verder zijn de kosten van het onderhavige expertiserapport geen kosten waarvoor de proceskostenveroordeling (zie hierna onder 4.21) een vergoeding insluiten. Ook het tweede verweer van MBS gaat dus niet op. De rechtbank acht de kosten van het expertiserapport van EUR 1.114,14 in dit geval redelijk. De rechtbank zal de vordering op dit punt dan ook toewijzen.

4.21. MBS zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ASR worden begroot op:

- dagvaarding EUR 72,25

- vast recht 313,00

- salaris procureur 768,00 (2 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.153,25

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar zoals gevorderd.

4.22. ASR heeft gevorderd MBS tevens te veroordelen tot betaling van de nakosten. Anders dan MBS betoogt, is deze vordering in het kader van deze procedure toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De rechtbank zal de nakosten op de navolgende wijze toewijzen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt MBS om aan ASR te betalen een bedrag van EUR 6.872,52 (zesduizend achthonderdtweeënzeventig euro en tweeënvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2007 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt MBS om aan ASR te betalen een bedrag van EUR 1.114,14 ter zake van buitengerechtelijke kosten;

5.3. veroordeelt MBS in de proceskosten, aan de zijde van ASR tot op heden begroot op EUR 1.153,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4. veroordeelt MBS in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- EUR 131,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H.M. van der Heiden en in het openbaar uitgesproken op

12 mei 2010.

JvdL