Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM4011

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
16/601184-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 3 november 2009 samen met zijn medeverdachten een aantal winkeldiefstallen in Den Haag gepleegd, waarbij dure jassen zijn weggenomen. Zij hadden daartoe tevoren een plan gemaakt en ook voorbereidingen getroffen. De bedoeling was om deze jassen te verkopen. De rechtbank gaat er bij de strafoplegging van uit dat verdachte binnen de groep een leidende rol heeft gehad.Verdachte heeft voorts een revolver en twee busjes traangas voorhanden gehad. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zeven maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601184-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 mei 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1990] te Litouwen (plaats onbekend)

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland

raadsman mr. M. ’t Sas, advocaat te Wijk bij Duurstede

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 februari 2010 en 26 april 2010. Verdachte is op 26 april 2010 niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman mr. M. ’t Sas. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De zaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4].

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feiten 1-5: al dan niet samen met (een) ander(en) een winkeldiefstal heeft gepleegd;

Feit 6: al dan niet samen met (een) ander(en) een revolver en twee busjes traangas voorhanden heeft gehad;

Feit 7: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Met betrekking tot de winkeldiefstallen acht zij bewezen dat deze allen in vereniging zijn gepleegd, nu uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er vooraf plannen zijn gemaakt om samen te stelen en ook uit de feitelijke uitvoering van een bewuste en nauwe samenwerking is gebleken.

Met betrekking tot het vuurwapen en het CS-gas acht zij niet bewezen dat er sprake is geweest van medeplegen, omdat deze goederen in de auto van verdachte zijn aangetroffen op een plek waar zij niet zonder meer voor de anderen zichtbaar zijn geweest.

Ook het onder 7 tenlastegelegde feit acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen, omdat uit de afgelegde verklaringen in samenhang met de beelden van cameratoezicht uit Den Haag blijkt van een gestructureerd samenwerkingsverband van meer dan twee personen. Enkele verdachten kenden elkaar al langere tijd, maar op 30 oktober 2009 zijn zij voor het eerst met z’n vijven samen geweest. De officier van justitie acht daarom, anders dan in de tenlastelegging is vermeld, het onder 7 tenlastegelegde feit bewezen in de periode van 30 oktober 2009 tot en met 3 november 2009.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 7 tenlastegelegde feiten kan komen, omdat verdachte op een onrechtmatige wijze is staande gehouden c.q. omdat de verbalisanten die verdachte hebben staande gehouden hun bevoegdheden op onrechtmatige wijze hebben gebruikt. Zowel het vragen om een legitimatiebewijs als de doorzoeking van de kofferbak van de auto van verdachte zijn onrechtmatig geweest. Volgens de raadsman hebben verbalisanten een willekeurige auto met buitenlands kenteken uitgekozen. Voorts heeft de raadsman betoogd dat verdachte niet op de hoogte was van de Nederlandse wetgeving en dat er daarom van uitgegaan moet worden dat de kofferbak niet vrijwillig is geopend. Het voorgaande dientvolgens de raadsman gesanctioneerd te worden met bewijsuitsluiting.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht om verdachte vrij te spreken van de tenlastegelegde winkeldiefstallen. Met betrekking tot de winkeldiefstallen in Den Haag heeft de raadsman gesteld dat met name op basis van verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], die als getuigen op de zitting van 26 april 2009 zijn gehoord, niet is gebleken dat verdachte een leidende rol bij het plegen van deze feiten heeft gehad. Er is evenmin gebleken van betrokkenheid van verdachte bij het plegen van deze feiten, anders dan dat de gestolen goederen in zijn auto zijn aangetroffen.

Met betrekking tot de diefstal van goederen bij Albert Heijn in Amersfoort heeft de raadsman gewezen op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1], die een bekennende verklaring heeft afgelegd en bovendien heeft aangegeven dat hij deze diefstal alleen heeft gepleegd.

De raadsman heeft gesteld dat op basis van de stukken verdachte veroordeeld zou kunnen worden voor het voorhanden hebben van een busje traangas nu hij heeft verklaard dat hij dat busje heeft gezien. Met betrekking tot het voorhanden hebben van de revolver heeft de raadsman gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De revolver is weliswaar aangetroffen in de auto van verdachte, maar niet in zijn directe omgeving. Het wapen is namelijk onder de mat van de bijrijderstoel aangetroffen. In dit verband heeft de raadsman de rechtbank nog verzocht een nader onderzoek naar DNA en/of dactyloscopische sporen op de aangetroffen wapens te gelasten.

Gelet op hetgeen de raadsman met betrekking tot de winkeldiefstallen en de rol van verdachte daarbij heeft opgemerkt stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte eveneens vrijgesproken dient te worden van het onder 7 tenlastegelegde feit.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Is de staandehouding van verdachte en de doorzoeking van de kofferbak van zijn auto rechtmatig?

Zoals gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] medeverdachte [medeverdachte 1] op 3 november 2009 aangehouden terzake van een winkeldiefstal bij Albert Heijn in Amersfoort en zijn zij gestart met het onderzoek. Omdat verdachte [medeverdachte 1], die hen een Litouws paspoort ter legitimatie heeft overhandigd, een kennelijk leugenachtige verklaring aflegt over de wijze waarop hij bij de winkel gekomen is, gaan zij op onderzoek in de buurt. Aan de overkant van de straat waar de Albert Heijn gevestigd is, zien zij een auto met Litouws kenteken geparkeerd staan. Desgevraagd vertelt [verdachte], die dan nog niet als verdachte is aangemerkt en die achter het stuur van deze auto zit, daarop aan verbalisant [verbalisant 1] dat zij op hun vriend aan het wachten zijn, die inmiddels in de politieauto zit. De verbalisanten vragen daarop aan de bestuurder om zijn identiteitsbewijs en zij vragen de bestuurder voorts of zij in de kofferbak mogen kijken. De bestuurder, verdachte, geeft daartoe toestemming. Dit alles, naar de rechtbank begrijpt, in het kader van het onderzoek in de zaak van verdachte [medeverdachte 1]. Nadat de bestuurder hen toestemming geeft om in de auto te kijken, dragen de verbalisanten het doorzoeken van de kofferbak aan hun ter plaatse gearriveerde collega’s [verbalisant 4] en [verbalisant 3] over. Laatstgenoemde verbalisanten treffen vervolgens op de achterbank een geprepareerde tas en jassen met beveiligingslabel in de kofferbak aan.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank het handelen van de verbalisanten alleen al niet onrechtmatig jegens verdachte, nu zij deze handelingen uitvoerden in het kader van de gerezen verdenking tegen [medeverdachte 1] en het derhalve geen opsporingshandelingen jegens verdachte betroffen.

Ten aanzien van het doorzoeken van de auto en kofferbak geldt voorts dat verdachte daarvoor toestemming heeft gegeven. Het betoog van de raadsman dat verdachte niet op de hoogte was van de Nederlandse wetgeving en dat er daarom van uitgegaan moet worden dat de kofferbak niet vrijwillig is geopend, vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in het recht.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverwegingen met betrekking tot de winkeldiefstallen

In de auto van verdachte wordt een geprepareerde tas aangetroffen. In de kofferbak van diezelfde auto worden drie jassen aangetroffen, waarvan er nog twee voorzien waren van een veiligheidslabel. Uit nader onderzoek blijkt dat de drie jassen gestolen zijn bij drie verschillende winkels in Den Haag. Bij medeverdachte [medeverdachte 3] wordt een vierde jas aangetroffen, die eveneens bij een winkel in Den Haag gestolen blijkt te zijn.

Namens de vier betreffende winkels is aangifte gedaan.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 3 november 2009 met [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3]) in zijn auto naar Den Haag is geweest.

[medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat hij op 3 november 2009 samen met [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 4] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 4]) met behulp van geprepareerde tassen diefstallen heeft gepleegd, terwijl [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1]) en [verdachte] (de rechtbank begrijpt verdachte) buiten de winkels stonden te wachten. Het was de bedoeling om jassen te stelen. De geprepareerde tassen lagen in de auto op het moment dat zij naar Den Haag reden. De bedoeling was om de gestolen jassen door de Litouwers te laten verkopen. Verdachte was chauffeur en [medeverdachte 1] was een soort leider: hij wees de winkels aan waar gestolen moest worden en hij wist waar de goederen verkocht konden worden. [medeverdachte 4] had de geprepareerde tassen gemaakt. Verdachte was constant bij [medeverdachte 1]. [medeverdachte 3] heeft bij de politie bekend dat hij een jas van het merk Jack en Jones heeft gestolen. [medeverdachte 4] heeft een jas bij Maison de Bonneterie gestolen. [medeverdachte 2] heeft een jas van Perry Sport gestolen en er heeft ook iemand een jas bij V&D gestolen.

[medeverdachte 3] heeft ter terechtzitting van 26 april 2010 als getuige bevestigd dat zij met z’n vijven naar Den Haag zijn gegaan om jassen te stelen. In de auto op weg naar Den Haag zijn daarover ook al afspraken gemaakt. De jassen zouden worden verkocht en het geld zou worden verdeeld. Er lag een geprepareerde tas in de auto en er is een geprepareerde tas gemaakt door [medeverdachte 4]. In Den Haag heeft [medeverdachte 1] winkels aangewezen waar men zou kunnen stelen en hij heeft in een winkel ook een specifieke jas aangewezen. [medeverdachte 3] heeft later met [medeverdachte 4] in een door [medeverdachte 1] aangewezen winkel een jas gestolen.

[medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op 3 november 2009 met [verdachte], [medeverdachte 1] [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] naar Den Haag is geweest om jassen te stelen. [medeverdachte 1] stelde voor om de jassen te stelen en hij zou ze wel verkopen. Er werd gebruik gemaakt van twee geprepareerde tassen, waarvan er één door [medeverdachte 4] is gemaakt. Zij zijn al die tijd met z’n vijven bij elkaar gebleven in Den Haag. [medeverdachte 2] bekent bij de politie dat hijzelf een jas van het merk North Face heeft gestolen. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] waren op dat moment ook in de winkel. Hij was met [medeverdachte 3] in een winkel op het moment dat [medeverdachte 3] een jas van het merk Jack & Jones pakte. De jas van Maison de Bonneterie is gestolen door [medeverdachte 4] en de jas van V&D is gestolen door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4].

[medeverdachte 4] heeft bij de politie verklaard dat hij op 3 november 2009 met [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] naar Den Haag is gegaan. De Litouwers (de rechtbank begrijpt: verdachte en [medeverdachte 1]) hadden hen verteld dat zij jassen moesten stelen, die door de Litouwers zouden worden verkocht. De opbrengst zou eerlijk verdeeld worden. [verdachte] en [medeverdachte 1] lieten de winkels zien waar zij heen moesten gaan. [verdachte] had een speciale tas. [medeverdachte 2] heeft een North Face jas gestolen. [medeverdachte 3] en hijzelf hebben een jas bij V&D en bij Maison de Bonneterie gestolen.

Toen zij naar Den Haag gingen wist iedereen dat ze daarheen gingen om jassen te stelen.

[medeverdachte 4] heeft op de zitting van 26 april 2010 als getuige bevestigd dat hij met de medeverdachten naar Den Haag is geweest, waar hijzelf twee jassen heeft gestolen. Hij wilde deze jassen verkopen en op de weg naar huis heeft [verdachte] hem gezegd dat hij de jassen wel voor [medeverdachte 4] wilde verkopen, waarbij [medeverdachte 4] 1/3 van de winkelwaarde zou krijgen van [verdachte].

Op basis van voornoemde verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] bij de diefstallen van de jassen in Den Haag. Men heeft tevoren met elkaar het plan gemaakt om naar Den Haag te gaan om jassen te stelen. Bij het vertrek lagen er al geprepareerde tassen in de auto. In Den Haag heeft men in wisselende samenstelling een aantal jassen gestolen en men is gezamenlijk weer naar huis gereden. Er zijn voorts afspraken gemaakt over de wijze van verkopen en over het aandeel wat een ieder zou krijgen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde winkeldiefstallen heeft begaan tezamen en in vereniging met anderen .

Het bovenstaande brengt met zich dat de rechtbankook de diefstal van de jas bij V&D wettig en overtuigend bewezen acht. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Er is een aangifte namens V&D. [medeverdachte 4] heeft bij de politie verklaard dat hij met verdachte een jas bij V&D heeft gestolen, hetgeen door [medeverdachte 2] wordt bevestigd. [medeverdachte 3] heeft bovendien bij de politie de jas herkend, maar daarover verklaard dat hij niet weet wie deze jas heeft gestolen.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor een bewuste en nauwe samenwerking van de diefstal bij Albert Heijn in Amersfoort. [medeverdachte 1] is voor dit feit aangehouden. Het enkele feit dat verdachte, samen met [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op de terugweg van hun bezoek aan Den Haag in de auto op [medeverdachte 1] heeft gewacht, maakt dit niet anders, te meer daar de vooraf gemaakte plannen uitdrukkelijk betrekking hadden op de diefstal van jassen.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de hem onder 1 tenlastegelegde winkeldiefstal.

Ten aanzien van feit 6:

Tijdens de doorzoeking van de auto van verdachte vindt verbalisant [verbalisant 3] onder het bevestigingsframe van de bijrijderstoel een vuurwapen. Na opening van een klepje in het portier aan de bijrijderszijde wordt een busje met vermoedelijk traangas aangetroffen.

Later wordt een tweede busje aangetroffen in een soortgelijk bergvak in het linkervoorportier. Deze goederen worden nader onderzocht. Het gaat om een revolver van het merk Kora, kalbiber 6 mm, zijnde een vuurwapen van categorie III. De beide spuitbusjes zijn blijkens opschrift en begeleidende afbeelding kennelijk voorwerpen bestemd tot het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen en derhalve wapens van Categorie II.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij een busje pepperspray in zijn auto heeft gezien. Hij heeft dat busje bovendien in zijn handen gehad.

[medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat verdachte op het moment dat zij door de politie werden aangehouden tegen hen heeft gezegd dat er een vuurwapen en een gasballonnetje in de auto lag.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zowel het vuurwapen als de busjes traangas voorhanden heeft gehad, nu deze goederen in zijn auto zijn aangetroffen en verdachte heeft geweten dat deze goederen in zijn auto lagen. Een nader onderzoek naar DNA en/of dactyloscopische sporen, zoals door de raadsman bepleit, acht de rechtbank gezien het voorgaande niet noodzakelijk.

Is er sprake van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht?

Van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is sprake als kan worden uitgegaan van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Daarvan is sprake als binnen dit samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling bestaan, waardoor op de individuele leden druk kan worden uitgeoefend om zich aan de regels te houden. Voorts is een zekere duurzaamheid van het samenwerkingsverband noodzakelijk.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld was er op 3 november 2009 een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachten bij het plegen van de winkeldiefstallen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat er sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat sprake was van een onsamenhangend uitvoeringskarakter. Er was wel een gemeenschappelijke doelstelling maar niet of nauwelijks gemeenschappelijk regels. Bovenal was naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake van een te kortstondige samenwerking om te kunnen spreken van een duurzaam samenwerkingsverband. De verdachten hadden elkaar pas een paar dagen eerder tijdens een verjaardag van een van de verdachten ontmoet en vervolgens afgesproken om in Den Haag te gaan stelen. Zij zijn daartoe op 3 november 2009 met de auto naar Den Haag gegaan en aldaar hebben zij in wisselende samenstelling bij diverse winkels (dure) jassen gestolen.

Niet is gebleken dat beoogd was de samenwerking na deze dag voort te zetten.

Deze jassen zouden verkocht worden, maar over de wijze waarop, door wie en de wijze waarop de opbrengst verdeeld zou worden was geen duidelijke afspraak.

Gelet op het voorgaande was er geen sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, zodat niet voldaan is aan de kenmerken van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Daarom moet de verdachte van dit onder 7 tenlastegelegde feit vrijgesproken worden.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 2:

op 03 november 2009 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een jas, merk The North Face, toebehorende aan Perry Sport;

Ten aanzien van feit 3:

op 03 november 2009 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een jas, merk Ralph Lauren, toebehorende aan Maison de Bonneterie;

Ten aanzien van feit 4:

op 03 november 2009 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een jas, merk Nomad, toebehorende aan Vroom en Dreesmann;

Ten aanzien van feit 5:

op 03 november 2009 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een jas, merk Jack & Jones, toebehorende aan Jack & Jones;

Ten aanzien van feit 6:

op 03 november 2009 te Amersfoort een wapen van categorie III, te weten een revolver, merk KORA, 6mm, en wapens van categorie II, te weten twee busjes

CS/traan-gas voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van de feiten 2, 3, 4 en 5:

Telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 6:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl hij het feit begaat met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl hij het feit begaat met betrekking tot een wapen van cetegorie II, meermalen gepleegd.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot de strafoplegging geen standpunt ingenomen, omdat hij zich op het standpunt stelt dat verdachte van alle hem tenlastegelegde feiten vrijgesproken dient te worden.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft op 3 november 2009 samen met zijn medeverdachten een aantal winkeldiefstallen in Den Haag gepleegd, waarbij dure jassen zijn weggenomen. Zij hadden daartoe tevoren een plan gemaakt en ook voorbereidingen getroffen. De bedoeling was om deze jassen te verkopen. De rechtbank gaat er bij de strafoplegging van uit dat verdachte binnen de groep een leidende rol heeft gehad.

Het plegen van dergelijke feiten heeft maatschappelijke gevolgen. Winkeliers zien zich gedwongen om steeds meer kostbare beveiligingsmaatregelen te treffen teneinde te voorkomen dat hun goederen worden gestolen.

Verdachte heeft voorts een revolver en twee busjes traangas voorhanden gehad.

Het voorhanden hebben van dergelijke wapens, vooral het vuurwapen, acht de rechtbank zeer kwalijk.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie waaruit blijkt dat verdachte op 8 januari 2010 door de politierechter te Zutphen is veroordeeld tot een geldboete van

€ 150,00 subsidiair 3 dagen hechtenis terzake van winkeldiefstal.

Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie komt, is dit voor de rechtbank aanleiding om de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen. Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank in het nadeel van verdachte uitdrukkelijk rekening met de specifieke omstandigheden van deze zaak. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het geen “gewone winkeldiefstal”, maar is er sprake van een door verdachte en de medeverdachten geplande rooftocht door Den Haag, waarbij verdachte een leidende rol vervulde.

De rechtbank rekent het verdachte voorts aan dat hij niet is verschenen ter terechtzitting van 26 april 2010, omdat de voorlopige hechtenis was geschorst tot aan deze zitting. Verdachte was tijdens de behandeling van de zaak op de zitting van 8 februari 2010 aangezegd wederom te verschijnen op 26 april 2010.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat enkel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als na te melden een passende wijze van afdoening van deze zaak is.

Bij deze strafoplegging is in aanmerking genomen dat sprake is van verbeurdverklaring van een voorwerp met een aanzienlijke waarde (de auto).

6 Het beslag

6.1 De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat verdachte deze voorwerpen ten eigen bate kan aanwenden en deze geheel of grotendeels door middel van strafbare feiten zijn verkregen.

De in beslaggenomen personenauto, merk BMW, kleur zwart met kenteken [kenteken] is eveneens vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat deze auto aan verdachte toebehoorde en dat de tenlastegelegde feiten zijn begaan met behulp van dit voorwerp.

6.2 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat de feiten zijn begaan of voorbereid met behulp van deze voorwerpen.

Verder zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

6.3 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan de verdachte, omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 7 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 2, 3, 4 en 5: Telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 6: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl hij het feit begaat met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl hij het feit begaat met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 4, 5, 7, 9, 10, 11, 12 en 18

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 1 en 2;

- gelast de teruggave aan verdachte van het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd 3.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. I. Bruna en mr. L. Bakker-Splinter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Koster-Nieuwenhuis, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 mei 2010.

Mr. Bakker-Splinter is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.