Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM3531

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
SBR 10/898 VV,SBR 10/899,SBR 10/900 VV,SBR 10/901,SBR 10/902 VV,SBR 10/903,SBR 10/904 VV,SBR 10/905
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom om recreatieverblijven op camping De Berekuil in overeenstemming te brengen en te houden met de verleende bouwvergunningen. Verweerder is bevoegd tot handhavend optreden. Geen sprake van concreet zicht op legalisatie. Handhavend optreden van verweerder wordt evenwel in dit stadium in verhouding tot de daarmee te dienen belangen zodanig onevenredig geacht dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat handhavend diende te worden opgetreden. Daarbij wordt van belang geacht dat in bestemmingsplanprocedure, gelet op een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, aan de orde zal komen in hoeverre in voldoende mate rekening is gehouden met de belangen van individuele gevallen, waaronder die van verzoekers. Indien thans reeds zou worden overgegaan tot handhavend optreden, zou bestemmingsplanprocedure illusoir worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR [nummer]0/898 VV, SBR 10/899, SBR 10/900 VV, SBR 10/901, SBR 10/902 VV, SBR 10/903, SBR 10/904 VV en SBR 10/905

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 mei 2010 op de verzoeken om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaken,

inzake

[verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 3] en [verzoeker sub 4],

wonende te [woonplaats] respectievelijk [woonplaats],

verzoekers,

gemachtigde: mr. O.P. van der Linden,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder,

gemachtigde: mr. W.M. van der Burgt.

Inleiding

1.1 Bij besluiten van 2 november 2009 heeft verweerder verzoekers gelast om voor 1 februari 2010 hun recreatieverblijf op camping ‘De Berekuil’, Arienslaan 5 te Utrecht, plaatselijk bekend perceel [nummer], huisje [nummer], ([verzoeker sub 1]), perceel [nummer], huisje [nummer] ([verzoeker sub 4]), perceel [nummer], huisje [nummer] ([verzoeker sub 3]), en perceel [nummer], huisje [nummer] ([verzoeker sub 2]) en het daarbij gebouwde bijgebouw in overeenstemming te (doen) brengen en gebracht te (doen) houden met de aan hen verleende bouwvergunningen. Aan de opgelegde last wordt geacht te zijn voldaan als beide bouwwerken na voltooiing van de werkzaamheden zijn gebouwd conform bij de bouwvergunningen behorende bouwtekeningen en in een toestand zijn die voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 of als de bedoelde recreatieverblijven en de daarbij behorende bijgebouwen volledig zijn verwijderd en verwijderd blijven.

Indien verzoekers voor 1 februari 2010 niet volledig aan de opgelegde last hebben voldaan, verbeuren verzoekers een eenmalige dwangsom van € 20.000,-.

1.2 Bij besluiten van 5 februari 2010 heeft verweerder de bezwaren van verzoekers tegen de besluiten van 2 november 2009 ongegrond verklaard, met dien verstande dat de termijn waarbinnen verzoekers aan de opgelegde last dienen te voldoen is verlengd tot zes weken na verzending van de besluiten. Bij brief van 4 maart 2010 heeft verweerder meegedeeld akkoord te gaan met een verlenging van de begunstigingstermijn tot de uitspraak van de voorzieningenrechter op de door verzoekers ingediende verzoeken om een voorlopige voorziening.

1.3 De verzoeken zijn op 22 april 2010 ter zitting behandeld, waar verzoekers, met uitzondering van verzoeker [eiser sub 1], in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. O.P. van der Linden, advocaat te Utrecht. Verweerder is verschenen bij gemachtigde W.M. van der Burgt, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van de beroepen (SBR 10/899, SBR 10/901, SBR 10/903 en SBR 10/905)

2.3 Met betrekking tot de feitelijke gang van zaken aangaande de chalets van verzoekers stelt de voorzieningenrechter vast dat tussen partijen niet in geschil is dat deze chalets eind jaren ’80 dan wel begin jaren ’90 van de vorige eeuw zijn opgericht in strijd met het vigerende bestemmingsplan en zonder een daarvoor vereiste bouwvergunning en vrijstelling. Alle chalets hebben een oppervlakte van 70 m².

2.4 De percelen zijn gelegen in het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Uitbreidingsplan Voorveldse Polder”. De percelen hebben ingevolge het bestemmingsplan de bestemming ‘kampeerterrein’.

Bij besluit van 16 januari 2003 heeft de raad van de gemeente Utrecht het bestemmingsplan “Voordorp-Voorveldse polder” vastgesteld. Gedeputeerde Staten (GS) van Utrecht hebben bij besluit van 19 augustus 2003 over de goedkeuring van dit bestemmingsplan beslist.

Tegen het besluit van GS van 19 augustus 2003 over de goedkeuring van het bestemmingsplan “Voordorp-Voorveldse polder” is door diverse personen alsmede door verweerder beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). Bij uitspraak van 10 november 2004, LJN: AR5459, heeft de ABRS, kort samengevat en voor zover hier van belang, goedkeuring onthouden aan het, in dit geding van belang zijnde, plandeel “Verblijfsrecreatie, camping (Rv(c))”, en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit van GS wat betreft dat plandeel.

2.5 In een vergadering van 10 juni 2003 heeft de gemeente Utrecht het zogenoemde Plan van Uitvoering Bouwwerken van maart 2003 vastgesteld. In dit Plan wordt onder meer een omschrijving gegeven van de handhavingssituatie van de op het kampeerterrein De Berekuil aanwezige illegale bouwwerken. In het Plan van Uitvoering wordt voorts verwezen naar en voortgeborduurd op het hiervoor genoemde bestemmingsplan “Voordorp-Voorveldse polder”, welk bestemmingsplan oprichting van chalets op het kampeerterrein toestaat met een maximale oppervlakte van 60 m² en met een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid voor een overschrijding van het bebouwd oppervlak van 10%, en een bijgebouw van maximaal 6 m². In de vergadering van 10 juni 2003 heeft verweerder ingestemd met de start van de eerste fase van het Plan van Uitvoering voor wat betreft de inventarisatie en controle op permanente bewoning alsmede de aanpak van illegale bebouwing. Dit Plan is niet als vastgesteld beleid gepubliceerd, maar geldt voor verweerder als intern te hanteren kader voor handhaving op het terrein van De Berekuil.

2.6 Ter uitvoering van het hiervoor genoemde Plan van Uitvoering Bouwwerken van maart 2003 heeft verweerder verzoekers medio 2007 aangeschreven om de illegaal geplaatste chalets voor 1 juni 2007 te verwijderen en verwijderd te houden. Mede met het oog op deze aanschrijving hebben verzoekers medio 2008 allen bij verweerder een aanvraag om bouwvergunning voor hun chalets ingediend. De aanvragen zagen op het verkrijgen van een bouwvergunning ter verkleining van hun reeds opgerichte chalets tot een oppervlakte van 66 m². Verzoekers hebben bij de aanvraag allen aangegeven, zo is ter zitting gebleken, dat zij hun chalet, met een oppervlakte van 70 m², na het verkrijgen van de legaliserende bouwvergunning zouden verkleinen tot de gevraagde 66 m².

2.7 Bij besluiten van 30 september 2008 ([verzoeker sub 1], [verzoeker sub 3] en [verzoeker sub 4]) en 19 mei 2008 ([verzoeker sub 2]) heeft verweerder verzoekers vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO en een legaliserende bouwvergunning verleend voor het oprichten van een chalet met een oppervlakte van 66 m² en een daarbij behorend bijgebouw.

Na het verlenen van deze bouwvergunningen is tijdens een inspectie van deze bouwwerken door inspecteurs van de afdeling Toezicht en Handhaving geconstateerd dat verzoekers hun chalets niet hadden verkleind en dat de bouwwerken derhalve een grotere oppervlakte hadden dan op grond van de bouwvergunning was toegestaan.

2.8 Bij brieven van 28 oktober 2008 ([verzoeker sub 1], [verzoeker sub 3] en [verzoeker sub 4]) en 8 september 2008 ([verzoeker sub 2]), heeft verweerder verzoekers meegedeeld voornemens te zijn hen een last onder dwangsom op te leggen omdat door verzoekers is gebouwd in afwijking van de aan hen verleende bouwvergunningen. Verzoeker zijn daarbij in de gelegenheid gesteld hun zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken.

Bij besluiten van 2 november 2009 heeft verweerder verzoekers de onder 1.1 vermelde last onder dwangsom opgelegd. De door verzoekers tegen deze besluiten ingediende bezwaren zijn bij besluiten van 5 februari 2010 ongegrond verklaard.

2.9 Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

2.10 Artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat het gemeentebestuur bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder bestuursdwang verstaan het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

2.11 Tussen partijen is niet in geschil dat de chalets van verzoekers een oppervlakte hebben van 70 m² en dat de chalets derhalve in afwijking van de aan hen verleende bouwvergunningen zijn opgericht. De aan verzoekers verleende bouwvergunningen zien immers op de oprichting van een chalet van maximaal 66 m².

Gelet op vorenstaande moet worden geoordeeld dat verweerder bevoegd was om ter zake van het bouwen in afwijking van de aan verzoekers verleende bouwvergunningen handhavend op te treden. Anders dan verzoekers suggereren is dus wel sprake van een door verzoekers overtreden en door verweerder te handhaven norm, namelijk artikel 40 van de Woningwet.

Verzoekers hebben aangegeven dat zij na de aan hen verleende bouwvergunningen de mogelijkheid hebben onderzocht om hun chalet overeenkomstig de vergunning te verkleinen tot 66 m², doch dat hen toen pas is gebleken dat het verkleinen van de chalets niet eenvoudig en bijzonder kostbaar is, mede gelet op de constructie van de chalets. Dit komt echter voor rekening en risico van verzoekers zelf en kan geen reden opleveren om van handhavend optreden af te zien. Daarbij komt dat oorspronkelijk de chalets bovendien zonder de vereiste bouwvergunning en vrijstelling waren opgericht, waarmee verzoekers eveneens een door henzelf te dragen risico hebben genomen dat daartegen handhavend zou worden opgetreden. Dat daar lange tijd “geen haan naar gekraaid heeft” zoals verzoekers betogen, maakt volgens vaste jurisprudentie niet dat aan verweerder daarom thans geen bevoegdheid tot handhavend optreden meer zou toekomen. Aanknopingspunten voor het oordeel dat dit in het onderhavige geval anders moet zijn, zijn de rechtbank niet aangereikt.

2.12 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.13 Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat legalisatie op korte termijn wel mogelijk is en wel binnen (de te voeren bestemmingsplanprocedure van) het voor camping De Berekuil in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Verzoekers hebben daartoe aangevoerd dat de ABRS in de uitspraak van 10 november 2004 heeft geoordeeld dat de in het (ontwerp)bestemmingsplan “Voordorp-Voorveldse polder” opgenomen maatvoering van chalets van maximaal 60 m² in beginsel niet onredelijk of onjuist is te achten, doch dat eerst na inventarisatie de vraag kan worden beantwoord of de regeling voldoende rekening houdt met individuele gevallen. Verzoekers zullen dan ook in de komende bestemmingsplanprocedure om positivering van hun te grote chalets verzoeken. Zij betogen dat verweerder door thans handhavend op te treden hun mogelijkheden frustreert tot effectieve rechtsbescherming binnen de bestemmingsplanprocedure. Verzoekers hebben ook gewezen op de door hen in april 2010 ingediende aanvragen om bouwvergunning ter legalisering van hun chalets van 70 m².

Verweerder heeft aangevoerd niet bereid te zijn verzoekers vrijstelling en vergunning te verlenen voor de oprichting van hun chalets met een oppervlakte van 70 m², daarbij anticiperend op het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan voor De Berekuil. Daarin wordt voor wat betreft de maximale maatvoering voor recreatiewoningen als de onderhavige voortgeborduurd op de maatvoering in het op de camping toeziende plandeel uit het bestemmingsplan “Voordorp-Voorveldse polder”. Volgens verweerder bestaat dus geen concreet zicht op legalisatie.

2.14 De voorzieningenrechter stelt vast, en tussen partijen is ook niet in geschil, dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Uitbreidingsplan Voorveldse Polder” de oprichting van de chalets op de percelen niet toestaat. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat verweerder een gedragslijn hanteert die zijn grondslag vindt in het Plan van Uitvoering Bouwwerken van maart 2003 en die er op is gericht oprichting van chalets mogelijk te maken met een oppervlakte van maximaal 60 m², met een vrijstellingsmogelijkheid voor een overschrijding van het bebouwd oppervlak van 10%. Verweerder hanteert deze gedragslijn thans vooruitlopend op het nog vast te stellen (ontwerp)bestemmingsplan voor het kampeerterrein De Berekuil, welk bestemmingsplan volgens verweerder, net als in “Voordorp-Voorveldse polder” zal voorzien in bebouwingsmogelijkheden van chalets op het perceel met een oppervlakte van 60 m² met een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid tot maximaal 66 m².

2.15 Vast staat dat ten tijde van de beslissing op bezwaar geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage was gelegd, nog daargelaten dat niet is gebleken dat de in geding zijnde chalets met het in voorbereiding zijnde (ontwerp)bestemmingsplan in overeenstemming zijn.

Verder heeft te gelden dat in beginsel het enkele feit dat verweerder niet bereid is vrijstelling en bouwvergunning te verlenen, volstaat voor het oordeel dat geen concreet zicht bestaat op legalisatie. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband onder meer naar een uitspraak van de ABRS van 28 november 2007, www.rechtspraak.nl: LJN BB8935. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het ter zake door verweerder ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste medewerking niet zal kunnen worden geweigerd. Van een concreet zicht op legalisatie is dan ook geen sprake.

2.16 De voorzieningenrechter dient vervolgens te beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot de conclusie dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat verweerder van zijn bevoegdheid tot handhaving had behoren af te zien.

In dit kader, op de voet van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb beoordeelt de voorzieningenrechter het betoog van verzoekers dat verweerder hen feitelijk de rechtsbescherming tegen het komende bestemmingsplan ontneemt door, vooruitlopend op het vaststellen van dat bestemmingsplan, al over te gaan tot handhavend optreden. Verzoekers achten deze handelwijze niet juist, temeer nu de ABRS in de uitspraak van 10 november 2004 het op te stellen bestemmingsplan als beoordelingskader heeft aangewezen voor, van de (bebouwings)norm afwijkende, oude gevallen.

Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft verweerder aangevoerd dat de verwachting is dat het ontwerpbestemmingsplan voor de zomer van 2010 ter inzage zal worden gelegd en dat dit bestemmingsplan niet zal leiden tot verruiming van de bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van wat reeds in “Voordorp-Voorveldse polder” was neergelegd. Verweerder is van mening dat met de individuele, oude gevallen van verzoekers voldoende rekening is gehouden door in die gevallen gebruik te maken van de hem straks toekomende (binnenplanse) vrijstellingsbevoegdheid.

2.17 Herhaald zij in dit verband dat de ABRS in rechtsoverweging 2.6.3 van de uitspraak van 10 november 2004, betreffende het beroep tegen het besluit van GS over de goedkeuring van het bestemmingsplan “Voordorp-Voorveldse polder”, heeft geoordeeld geen aanleiding te zien om het standpunt van GS dat met het voorgeschreven maximum van 60 m² een voldoende ruime en aanvaardbare maat is geboden, in beginsel onredelijk of anderszins onjuist te achten, maar daarnaast heeft de ABRS in die uitspraak overwogen dat de vraag of de regeling voldoende rekening houdt met individuele gevallen eerst na inventarisatie kan worden beantwoord en in het kader van het op de voet van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) op te stellen bestemmingsplan aan de orde kan komen.

2.18 De voorzieningenrechter stelt vast dat de uitspraak van de ABRS van 10 november 2004 er tot op heden niet toe heeft geleid dat verweerder een nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld voor De Berekuil, ter vervanging van het plandeel van het bestemmingsplan “Voordorp-Voorveldse polder” waaraan goedkeuring werd onthouden. Dit ondanks het feit dat verweerder toentertijd (tot de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening) daartoe krachtens artikel 30 van de WRO (oud) binnen een jaar gehouden was en niettemin aan die verplichting kennelijk om hem moverende, maar niet duidelijk geworden redenen, geen toepassing heeft gegeven.

Verweerder heeft dus na de uitspraak van de ABRS van 10 november 2004 lange tijd geen (zichtbare) stappen ondernomen met betrekking tot het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan. Ter zitting heeft verweerder weliswaar aangevoerd dat de verwachting is dat voor de zomer van dit jaar een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage zal worden gelegd, waarin voorschriften zullen worden opgenomen met betrekking tot de ten hoogste toegelaten oppervlakte van recreatieverblijven op het perceel, doch enige zekerheid hieromtrent bestaat nog niet. Aannemelijk is, gelet op de betrokken belangen en gelet op het voorbehoud dat de ABRS in zijn uitspraak van 10 november 2004 heeft gemaakt bij de toetsing en beoordeling van oude gevallen als die van verzoekers waar het de maximale oppervlaktematen betreft, dat verzoekers in de bestemmingsplanprocedure zullen trachten te bewerkstelligen dat hun chalets in de bestaande omvang positief zullen worden bestemd.

Het moet er dan ook vooralsnog voor worden gehouden dat in de komende bestemmingsplanprocedure, gezien de overwegingen van de ABRS dienaangaande in de uitspraak van 10 november 2004, ook aan de orde zal komen de vraag of bij de vaststelling van de maximaal toegelaten oppervlakte van recreatieverblijven, al dan niet met de binnenplanse vrijstellingsbepaling waarop verweerder het oog heeft, in voldoende mate rekening is gehouden met individuele gevallen, waaronder met name ook die van verzoekers.

2.19 Bij deze stand van zaken hebben verzoekers er groot belang bij niet thans reeds geconfronteerd te worden met handhavingsbesluiten die – onbetwist – tot zeer kostbare en vrijwel onomkeerbare ingrepen in de chalets leiden. Daarmee zou immers inderdaad de rechtsbescherming die zij in de bestemmingsplanprocedure zullen zoeken, in feite illusoir worden. Daartegen over staat, dat niet valt in te zien welk te respecteren belang van de zijde van verweerder maakt dat thans tot handhaving moet worden overgegaan en daarmee niet zou kunnen worden gewacht tot het komende bestemmingsplan onherroepelijk is.

Van belang daarbij is het gegeven dat verweerder lang de tijd heeft genomen om een nieuw bestemmingsplan voor te bereiden, waarvan verzoekers in dit stadium niet de dupe behoren te worden. Daarbij komt dat de overschrijding van de vergunde (en voorgenomen maximale) bebouwingsoppervlakte van de chalets met 4 m² marginaal is te noemen. Ook is niet gebleken van derden wier belangen rechtstreeks in geding zijn wanneer in dit stadium van handhavend optreden jegens verzoekers zou worden afgezien in afwachting van de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure.

Al met al is de voorzieningenrechter, gelet op de belangen van verzoekers, van oordeel dat handhavend optreden van verweerder in dit stadium in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, zodanig onevenredig is dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onder deze omstandigheden handhavend diende te worden opgetreden.

2.20 Vorenstaande betekent niet dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verweerder ook in de toekomst niet bevoegd zou zijn om ter zake handhavend op te treden. In de gegeven omstandigheden acht de voorzieningenrechter de bestemmingsplanprocedure, mede gelet op de verwachting van verweerder dat het ontwerpbestemmingsplan in de zomer van 2010 ter inzage wordt gelegd, echter het meest aangewezen kader waarbinnen beoordeeld kan worden of in voldoende mate met de belangen van verzoekers rekening is gehouden. Op de uitkomst daarvan wordt door de voorzieningenrechter in deze uitspraak op geen enkele wijze vooruit gelopen.

Verweerder zal na het onherroepelijk worden van het nieuwe bestemmingsplan opnieuw kunnen beoordelen of handhavend optreden in de hier aan de orde zijnde gevallen aangewezen is.

2.21 Gelet op vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de bestreden besluiten om die reden moeten worden vernietigd. Tevens bestaat, gelet op het voorgaande, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, de primaire handhavingsbesluiten van 2 november 2009 in te trekken en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

De overige door verzoekers aangevoerde gronden kunnen buiten bespreking blijven.

2.22 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1311,- (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1,5 vanwege de vier samenhangende zaken, en waarde per punt € 437,-) als kosten voor verleende rechtsbijstand.

2.22.1 De voorzieningenrechter zal verweerder op grond van artikel 8:75, in samenhang met artikel 7:15, van de Awb tevens veroordelen in de kosten die verzoekers in bezwaar redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.311,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting in bezwaar, wegingsfactor 1,5 vanwege de vier samenhangende zaken, en waarde per punt € 437,-) als kosten voor verleende rechtsbijstand.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening (SBR 10/898 VV, SBR 10/900 VV, SBR 10/902 VV en SBR 10/904 VV):

2.23 Gelet op de beslissing in de hoofdzaken is het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb niet vereist. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in deze procedure in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart de beroepen gegrond,

3.2 vernietigt de bestreden besluiten,

3.3 herroept de primaire besluiten van 2 november 2009 en trekt deze in,

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers in bezwaar ten bedrage van

€ 1.311,-,

3.6 bepaalt dat het door verzoekers in beroep betaalde griffierecht ten bedrage van telkens € 150,- aan ieder van hen wordt vergoed;

3.7 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers in beroep ten bedrage van € 1.311,-.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening:

3.8 wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2010.

De griffier: De voorzieningenrechter:

W.B. Lakeman mr. J.M. Willems

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Let wel

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.