Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM3132

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
03-05-2010
Zaaknummer
286271 HARK 10-168
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: 286271 HARK 10-168

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

28 april 2010

in de zaak van

mevrouw [verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster

tegen

mr. [X],

rechter in de Sector handels- en familierecht van deze rechtbank te Utrecht.

De procedure

1.1. Bij brief van 8 april 2010 heeft verzoekster een verzoek tot wraking ingediend, gericht tegen meerdere (kinder)rechters van de rechtbank Utrecht, onder wie mr. [X].

1.2. Mr. [X] heeft niet in de wraking berust. Hij heeft op 22 april 2010 zijn schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aan de griffier van de wrakingskamer van deze rechtbank doen toekomen.

1.3. Partijen zijn door de griffier van deze rechtbank opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 26 april 2010.

1.4. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft op 26 april 2010 plaats gevonden. Verzoekster was ter zitting aanwezig. Tevens waren daarbij aanwezig de heer

A. Pijpker, gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg Utrecht, en mr. W. Koreman, officier van justitie. Mr. [X] heeft laten weten verhinderd te zijn om de zitting bij te wonen.

Feiten

2.1. Bij beschikking van 26 augustus 2008 heeft de kinderrechter mr. E. Akkermans de

minderjarige zoon van verzoekster, geboren [1993], onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht met ingang van 26 augustus 2008 tot 26 november 2008.

2.2. Bij beschikking van 25 november 2008 van de kinderrechter mr. M.A.A.T. Engbers

is de ondertoezichtstelling van de zoon van verzoekster met ingang van 26 november 2008 verlengd voor de duur van één jaar.

2.3. Bij beschikking van 9 juli 2009 heeft mr. [A] machtiging

verleend om de zoon van verzoekster te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg met ingang van 9 juli 2009 tot 26 november 2009.

2.4. Op 15 september 2009 heeft advocaat mr. A.J. Kiela, namens verzoekster en haar

zoon, een verzoekschrift ingediend strekkende tot opheffing van de ondertoezichtstelling en intrekking van de machtiging uithuisplaatsing.

2.5. Op 26 oktober 2009 heeft de kinderrechter mr. [X] de zaak ter zitting

behandeld. Bij beschikking van 28 oktober 2009 heeft hij besloten de beslissing op het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling en intrekking van de machtiging gesloten jeugdzorg aan te houden tot de behandeling op 17 november 2009.

2.6. Op 17 november 2009 heeft de kinderrechter mr. [B] de zaak

aangehouden en verwezen naar de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op

24 november 2009.

2.7. Bij beschikking van 24 november 2009 heeft de meervoudige kamer de verzoeken van verzoekster afgewezen. Bij beschikkingen van gelijke datum heeft de meervoudige kamer de termijn waarvoor de zoon onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht is gesteld verlengd met één jaar met ingang van 26 november 2009 en de machtiging om de zoon van verzoekster te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg verlengd met ingang van 26 november 2009 tot 26 mei 2010.

Het verzoek

3.1. Het verzoek strekt tot wraking van alle (kinder)rechters die betrokken zijn geweest bij de ondertoezichtstelling van haar zoon. Zo ook kinderrechter mr. [X]. Volgens verzoekster heeft deze rechter de zitting van 26 oktober 2009 zonder enkele reden aangehouden en met opzet geen beslissing genomen.

3.2. Mr. [X] heeft zich tegen het wrakingsverzoek verweerd door er onder meer op te wijzen dat hij bij tussenbeschikking van 28 oktober 2009 heeft besloten de zaak aan te houden voor nader onderzoek en dat verzoeksters zaak nadien door de beschikkingen van

24 november 2009 is beëindigd.

De beoordeling

4.1 De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van het onderhavige wrakingsverzoek de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Artikel 37 Rv bepaalt dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat het wrakingsverzoek van 8 april 2010 gericht tegen mr. [X] kennelijk betrekking heeft op de zitting van 26 oktober 2009. Het wrakingsverzoek is dan ook niet gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan verzoekster bekend zijn geworden. De zaak is nadien door de meervoudige kamer op 24 november 2009 ter zitting behandeld en toen ook geëindigd in een einduitspraak. Met de eindbeschikking van de meervoudige kamer is de civiele procedure met betrekking tot de verzoeken van verzoekster beëindigd. Ook om die reden kan thans niet meer een rechter uit die procedure worden gewraakt. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende.

4.3. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn/haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.4. Gelet op de beschikking van 28 oktober 2009 heeft mr. [X] besloten de verzoeken tot opheffing van de ondertoezichtstelling en intrekking van de machtiging gesloten jeugdzorg aan te houden. Hij heeft daartoe overwogen dat een nader onderzoek noodzakelijk is alvorens te kunnen beslissen.

4.5. Er zijn onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat mr. [X] met zijn besluit tot aanhouding van de zaak blijk heeft gegeven van enige persoonlijke vooringenomenheid jegens verzoekster.

Evenmin is door zijn besluit tot aanhouding, dat uitsluitend is gebaseerd op inhoudelijke overwegingen, de schijn van partijdigheid gewekt.

4.6. De rechtbank merkt bovendien op dat de verzoeken van verzoekster nadien door de meervoudige kamer op 24 november 2009 ter zitting zijn behandeld. Met de eindbeschikking van de meervoudige kamer is daarmee de civiele procedure beëindigd. Voor zover het wrakingsverzoek ook daarop ziet, is het middel van wraking niet bedoeld om te ageren tegen onjuist geachte rechterlijke uitspraken. Wraking kan evenmin zien op de kinderrechters van de rechtbank Utrecht als zodanig die deel uit maken van het rechterlijke systeem.

4.7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek tot wraking van mr. [X] af;

5.2. draagt de griffier op een afschrift van deze beslissing toe te zenden aan verzoekster

en mr. [X], alsmede aan de sectorvoorzitter van de sector handels- en familierecht van deze rechtbank en de president van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. J. Sap, voorzitter, mr. P. Bender en mr. R.C. Stijnen, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2010, in het bijzijn van de griffier mr. M.S.D. de Weerd.