Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM2778

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
16-600518-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 67 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk en een werkstraf van 200 uren voor het plegen van openlijk geweld (tweemaal) en het medeplegen van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600518-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 februari 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [woonplaats], aan de [woonadres],

raadsman mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 februari 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

- samen met anderen openlijk geweld gepleegd heeft tegen personen;

feit 2:

- samen met anderen personen met de dood heeft bedreigd;

feit 3 primair:

- samen met anderen openlijk geweld gepleegd heeft tegen personen en goederen;

feit 3 subsidiair:

- samen met anderen personen heeft mishandeld en goederen van een ander heeft vernield;

feit 4:

- samen met anderen personen met de dood heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1, 2, 3 primair en 4 heeft gepleegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten, omdat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Met betrekking tot de feiten 1 en 2 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte ontkent bij het incident aanwezig te zijn geweest. Deze verklaring van verdachte wordt bevestigd door zijn moeder, vader en zus. Deze personen hebben allemaal verklaard dat verdachte ten tijde van het incident thuis zat vanwege klachten aan zijn elleboog en dat deze klachten werden veroorzaakt, doordat verdachte lijdt aan hemofilie. Verder stelt de verdediging dat de verklaringen van de beide aangevers [aangever 1] en [aangever 2] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat er te veel verschillen zitten in de verklaringen die beide aangevers hebben afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris. Getuige [getuige 1] heeft niet belastend over verdachte verklaard, aldus de verdediging. Daarnaast kan volgens de verdediging niet vastgesteld worden dat met de door aangever en getuigen genoemde ‘[verdachte]’ ook daadwerkelijk verdachte bedoeld wordt.

Ten aanzien van feit 3 en 4 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte ook ontkent bij het incident betrokken te zijn geweest. Daarnaast heeft [betrokkene 1], de vriendin van verdachte, verklaard dat verdachte ten tijde van het incident in Den Bosch was. Voorts is volgens de verdediging uit het ingestelde buurtonderzoek niet duidelijk naar voren gekomen wat er zich heeft afgespeeld en wie er eventueel bij betrokken waren. Verdachte voldoet daarnaast niet aan het signalement dat [aangever 1] heeft gegeven van de persoon die hij als verdachte omschrijft. Daarnaast zijn de verschillende verklaringen van de aangevers en de getuigen over de rol van verdachte onderling tegenstrijdig. Ten slotte heeft de verdediging aangevoerd dat de achtertuin waarin de feiten zich hebben afgespeeld niet zichtbaar is vanaf de openbare weg en dat daardoor geen sprake kan zijn van het tenlastegelegde openlijk geweld.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1 en 2:

[aangever 1] stond op 4 mei 2009 rond 23.00 uur samen met [aangever 2], [getuige 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bij de bushalte aan de [adres] in Utrecht. Nadat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op de bus zijn gestapt, ziet [aangever 1] een groep jongens aankomen waarin hij onder meer [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6] en verdachte herkent. [aangever 1] wordt door [betrokkene 4] vol op zijn oor geslagen en raakt met hem in gevecht. Hij ziet vervolgens [betrokkene 6] met een ploertendoder op hem afkomen en met de ploertendoder zwaaien. Daarnaast ziet hij [betrokkene 5] met een mes in zijn hand staan en hoort hij hem zeggen: “zie je deze mes, ik ga je steken”. Hij voelt even later dat hij in zijn onderrug wordt gestoken; als hij zich omdraait ziet hij [betrokkene 5] met een bebloed mes staan. Vervolgens ziet [aangever 1] dat [betrokkene 4] een mes in zijn handen heeft en voelt hij dat hij door [betrokkene 4] tweemaal in zijn bovenrug wordt gestoken. [aangever 2] is ook bij het incident aanwezig geweest. Hij heeft [betrokkene 4] naar [aangever 1] zien toelopen en naar hem zien uithalen. Daarnaast zag hij dat [betrokkene 6] een ploertendoder in zijn hand had en dat hij daarmee naar [aangever 1] sloeg. Vervolgens ziet [aangever 2] dat verdachte met twee messen in zijn handen op hem af komt lopen. Op een meter afstand hoort hij verdachte tegen hem zeggen: “Gypsy, ik maak je dood” en hij ziet dat verdachte steekbewegingen maakte naar zijn lichaam. [aangever 2] moest uitwijken voor deze steekbewegingen om niet geraakt te worden. Vervolgens is [aangever 2] een stukje weggerend. Hij ziet dan verdachte teruglopen naar [aangever 1] en hij ziet hem een stekende beweging maken naar [aangever 1] bovenrug. Hij ziet ook dat [betrokkene 4] [aangever 2] in zijn onderrug steekt.

[getuige 1] ondersteunt de verklaringen van [aangever 1] en [aangever 2]. Hij was ook bij het incident aanwezig. Hij heeft gezien dat er een groep jongens op hen af kwam lopen en dat [aangever 2] door één van deze jongens, [betrokkene 4], werd geslagen. Hij is vervolgens op zijn scooter weggereden. Onder het wegrijden keek hij achterom en zag hij dat [aangever 1] door [betrokkene 4] aan zijn kleding werd getrokken. Vervolgens zag hij dat [betrokkene 4] met zijn rechterhand een zwaaiende beweging maakte naar het lichaam van [aangever 1] en dat [betrokkene 4] een metalen voorwerp in die hand had. Bij het wegrijden werd [getuige 1] achtervolgd door een jongen die iets in zijn hand had. [getuige 1] vermoedt dat dit een ploertendoder was.

Nadat de drie jongens aan hun belagers zijn ontkomen gaan zij op weg naar het politiebureau om aangifte te doen. Op weg naar het politiebureau stopt een auto naast hen met daarin [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6] en verdachte. [aangever 2] hoorde dat er van uit de auto door de jongens geroepen werd dat zij hen dood zouden maken. [aangever 1] hoorde verdachte vanuit de auto zeggen: “Gypsies, jullie gaan binnenkort dood”.

Verbalisant [x] constateert dat [aangever 1] – op het moment dat hij zich om ongeveer 23.40 uur op het politiebureau meldde – het volgende letsel had: een kras-/snijwond tussen zijn schouderbladen, een ondiepe snij/-vleeswond onderaan zijn rug, een kras op zijn rechterhand en een kleine snee in zijn linker bovenarm. Tevens was zijn shirt aan de rugzijde bebloed.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangever en de getuigen niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden vanwege de onderlinge verschillen tussen deze verklaringen.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen die de aangever [aangever 1] en de getuigen [aangever 2], [aangever 1] en [getuige 1] bij de politie en de rechter-commissaris hebben afgelegd inhoudelijk, zowel in grote lijnen als in diverse details, consistent zijn en elkaar bevestigen, onder andere waar het betreft de betrokken verdachten, de gebruikte slag- en steekwapens en de feitelijke geweldshandelingen.

Voorts passen de bij [aangever 1] geconstateerde verwondingen en het feit dat de scooter van [aangever 2] door de politie met een lege achterband is aangetroffen op de plaats waar het openlijk geweld zich heeft afgespeeld bij de verklaringen van aangever en getuigen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het gegeven dat uit buurtonderzoek naar voren is gekomen dat een bewoonster van de [adres] op 4 mei 2009 rond 23.30 uur een hoop geschreeuw heeft gehoord vanaf de straatkant van de [adres]. Zij vermoedde dat er een vechtpartij plaatsvond.

Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat [betrokkene 2] vlak voor het incident, voordat hij op de bus stapte, verdachte en een aantal van de mededaders heeft herkend terwijl die in twee auto’s langs de bushalte reden.

De omstandigheid dat de verklaringen van de aangever en de getuigen op diverse punten niet volledig overeenkomen is naar het oordeel van de rechtbank niet ongewoon, gelet op de hectische en chaotische situatie, de paniek bij de slachtoffers en het korte tijdbestek waarbinnen het incident zich heeft afgespeeld en doet daarom naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid in ruimere zin van de afgelegde verklaringen.

De verdediging heeft tevens aangevoerd dat niet met zekerheid is vast te stellen dat de aangever en getuigen met de persoon die zij in hun verklaringen [verdachte] noemen, ook daadwerkelijk verdachte bedoelen. [aangever 2] heeft verklaard dat hij ten aanzien van [verdachte] twee weken eerder al aangifte heeft gedaan (de rechtbank begrijpt met betrekking tot feiten 3 en 4). In de verklaringen die zijn afgelegd met betrekking tot feit 3 en 4 wordt [verdachte] door meerdere aangevers/getuigen omschreven als de broer van [betrokkene 6] en daarnaast wordt door twee vrienden/bekenden (en tevens medeverdachten) van verdachte verklaard dat hij bij dit incident aanwezig was. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de identiteit van verdachte bij aangever en getuigen bekend is en dat zij met de persoon die zij in hun verklaringen met [verdachte] hebben aangeduid, zonder twijfel verdachte bedoelden.

De rechtbank acht de verklaringen omtrent het alibi van verdachte, dat hij op 4 mei 2009 rond het tijdstip van het incident (circa 23.15 uur) thuis zou zijn geweest, ongeloofwaardig.

De rechtbank overweegt daartoe dat de verklaringen van de zus ([betrokkene 7]) en de vader van verdachte pas geruime tijd na de aanhouding van verdachte zijn afgelegd en dat uit de verklaringen bovendien blijkt dat zij niet uit eigen waarneming kunnen verklaren dat verdachte op 4 mei 2009 na 22.30 uur thuis was. Bovendien zijn de verklaringen van [betrokkene 7] en vader over het tijdstip waarop vader naar bed is gegaan onderling tegenstrijdig. De verklaring van de moeder is eveneens geruime tijd na de aanhouding van verdachte afgelegd en is zeer algemeen van aard.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat op 4 mei 2009 door een groep jongens in het openbaar geweld tegen personen is gepleegd en dat daarbij bedreigingen zijn geuit. Verdachte maakte deel uit van deze groep en heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan het gepleegde geweld en heeft daarnaast bedreigingen geuit. De rechtbank acht dan ook de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de rechtbank de tenlastelegging zo begrepen dat de ten laste gelegde bedreigingen met scherpe en/of puntige voorwerpen tegen een of meerdere in de tenlastelegging genoemde personen zijn gericht. Aangezien de verdediging hier geen verweer tegen heeft gevoerd, stelt de rechtbank vast dat verdachte de tenlastelegging ook op deze wijze heeft begrepen.

De feiten 3 en 4:

Op 19 april 2009 is een groep jongens bestaande uit onder andere [betrokkene 4] , de broers [betrokkene 6], [betrokkene 8] en verdachte onderweg naar de woning van de familie [aangever 1] aan de [adres] te Utrecht. Kort daarvoor heeft er een confrontatie plaatsgevonden tussen [aangever 1] en [betrokkene 4]. Als de groep onderweg de broers [aangever 1] en [aangever 2], [betrokkene 9] en de vriendin van [aangever 1] tegenkomen zetten zij de achtervolging in. De groep achtervolgt hen tot de tuin van de woning.

[betrokkene 10] was op 19 april 2009 rond 19.00 uur in de achtertuin van zijn woning gelegen aan de [adres] te De Meern. Hij zag dat een groep Marokkaanse jongens [aangever 1] en [aangever 2], [betrokkene 9] en zijn vriendin achtervolgden. Hij herkende in de groep Marokkaanse jongens [betrokkene 6], [betrokkene 8], [betrokkene 4] en verdachte.

[aangever 2] die achtervolgd werd, heeft toen geprobeerd te voorkomen dat de jongens de tuin binnenkwamen door de schuttingdeur die toegang gaf tot de achtertuin dicht te duwen. Hij zag toen dat [betrokkene 8] met een schroevendraaier aan de andere kant van de (doorzichtige) tuindeur stond en stekende bewegingen maakte in zijn richting en vervolgens de schroevendraaier naar hem gooide. Toen [aangever 2] de deur niet meer kon dichthouden kwam de groep de tuin in. Hij zag toen dat [betrokkene 4] met een groot mes een stekende beweging naar [aangever 1] maakte en dat [betrokkene 6] met een steen de ruit van de tuindeur ingooide. [aangever 2] wist vervolgens met [aangever 1], [betrokkene 9] en zijn vriendin door de achterdeur het huis in te vluchten. [betrokkene 10] was buiten achter gebleven. [aangever 2] zag dat verdachte [betrokkene 10] met een hamer op zijn rug sloeg en dat een andere jongen [betrokkene 10] aan het schoppen was.

[betrokkene 10] zag dat [betrokkene 4] twee messen in zijn handen had en dat verdachte een hamer en een schroevendraaier vast had. [betrokkene 10] werd vastgepakt door de groep jongens en werd tegen de schutting gegooid. Vervolgens voelde hij dat hij geslagen en geschopt werd door meerdere jongens. Hij voelde meerdere vuistslagen op zijn gezicht en zijn lichaam. Terwijl [betrokkene 10] ineengedoken tegen de schutting zat zag hij dat verdachte twee keer een hamer naar hem gooide en dat hij vervolgens naar hem toe kwam en hem twee keer met een moker op zijn rug sloeg. [betrokkene 10] hoorde [betrokkene 4] zeggen: “ik steek je dood”, terwijl hij voor hem stond en met een mes een krachtige beweging maakte alsof hij hem wilde steken. Ten slotte zag [betrokkene 10] dat verdachte met een schroevendraaier de ruit van de achterdeur kapot sloeg en dat de groep vervolgens weg ging, waarbij ze meerdere malen tegen de schutting trapten.

[betrokkene 9] heeft gezien dat [betrokkene 8] een schroevendraaier in zijn richting gooide. Hij zag daarnaast dat een groep jongens de deur van de schuur intrapte. Vervolgens zag hij dat verdachte probeerde met een boor de ruit van de achterdeur in te slaan, terwijl hij schreeuwde: “ik maak je dood, ik maak je dood”. [betrokkene 8] gooide stenen tegen het raam van de achterdeur. [betrokkene 8] heeft ook gezien dat [betrokkene 10] met een hamer op zijn rug werd geslagen.

[aangever 1] ondersteunt bovenstaande verklaringen en heeft daarnaast gezien dat [betrokkene 6] met een ruitentikker tegen de ruit van de woonkamer sloeg en dat verdachte met een moker de ruit van de deur naar de woonkamer kapotsloeg.

Getuige [getuige 2] hoort dat er vanuit de tuin van de familie [aangever 1] wordt geschreeuwd: “Ik maak je dood, ik maak je af.” Hij ziet, evenals getuige [getuige 3] een groepje Marokkaanse jongeren de tuin van de familie [aangever 1] in rennen en vernielingen aanrichten en ruiten inslaan en intrappen.

In de tuin van de [adres] worden door de politie een moker, schroevendraaier en een lifehammer aangetroffen, tevens wordt geconstateerd dat ruiten van de schuur en achterdeur zijn vernield.

Tijdens het opnemen van de aangifte van [betrokkene 10] constateert de verhorende verbalisant dat [betrokkene 10] letsel heeft, te weten: een grote schaafwond onder aan het rechter schouderblad, schaafwonden aan de rechter heup, rechter elleboog en boven op de rechterhand. Voorts een zwelling van de rechterhand en enkele striemen aan de rechterzijde van de nek.

Evenals bij de feiten 1 en 2 heeft de rechtbank bij deze feiten overwogen dat het niet ongewoon is dat de verklaringen van de aangever en de getuigen op diverse punten niet volledig overeenkomen, gelet op de hectische en chaotische situatie, de paniek bij de slachtoffers en het korte tijdbestek waar binnen het incident zich heeft afgespeeld. De door de verdediging benadrukte verschillen tussen de verklaringen doen daarom naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid in ruimere zin van de afgelegde verklaringen.

De verdediging heeft ten aanzien van deze feiten ook aangevoerd dat niet met zekerheid is vast te stellen dat de aangever en getuigen met de persoon die zij in hun verklaringen ‘[verdachte]’ noemen, ook daadwerkelijk verdachte bedoelen. De medeverdachten en vrienden/bekenden van verdachte, [betrokkene 4] en [betrokkene 8] hebben echter verklaard dat verdachte bij het incident aanwezig was. Daarnaast wordt door aangever [betrokkene 9] omschreven dat hij de broer van verdachte, [betrokkene 6], heeft herkend, dat deze op de [adres] woont en dat hij een broer heeft die ‘[verdachte]’ heet en dat die broer ook aanwezig was. Aangever [betrokkene 10] heeft ook verklaard dat ‘[verdachte]’ en [betrokkene 6] aanwezig waren en dat zij broers zijn. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de identiteit van verdachte ook bij de aangevers en getuigen van dit incident bekend is en dat zij met de persoon die zij in hun verklaringen met ‘[verdachte]’ aangeduid hebben, verdachte bedoelden.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat nu het incident in de achtertuin heeft plaatsgevonden er geen sprake is geweest van geweld in het openbaar en dus ook geen sprake kan zijn van openlijke geweldpleging. Gelet op het feit dat het geweld voor meerdere buiten de tuin verblijvende buurtbewoners zichtbaar is geweest, is de rechtbank van oordeel dat wel degelijk sprake is geweest van openlijk geweld als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte heeft verder aangevoerd dat hij op 19 april 2009 rond het tijdstip van het incident (circa 19.00 uur) niet in De Meern maar in ’s-Hertogenbosch zou zijn geweest. Verdachte heeft daartoe tevens een eerst geruime tijd na het incident opgestelde verklaring van zijn vriendin ingebracht. Deze verklaring bevestigt de verklaring van verdachte omtrent zijn aanwezigheid in ‘s-Hertogenbosch.

De rechtbank constateert echter dat de drie hiervoor genoemde gebroeders [getuige 1] verdachte aanwijzen als een van de plegers van het geweld. Hun verklaring omtrent de aanwezigheid van verdachte wordt bovendien ondersteund door de verklaringen van 2 medeverdachten van verdachte, namelijk [betrokkene 4] en [betrokkene 8]. [betrokkene 4] heeft immers verklaard dat hij verdachte op de dag van het incident heeft gebeld, dat verdachte toen waarschijnlijk met zijn auto van zijn vriendin vandaan kwam en dat hij in De Meern reed. Rond 18.30 uur is [betrokkene 4] vervolgens bij verdachte in de auto gestapt en zijn ze vervolgens naar het huis van de familie [aangever 1] gegaan. Ook [betrokkene 8] heeft verklaard dat verdachte zich ten tijde van het geweld in de onmiddellijke nabijheid van de woning van de broers [aangever 1] heeft bevonden.

In het licht van het voorgaande hecht de rechtbank derhalve geen geloof aan de verklaring van verdachte en zijn vriendin dat hij zich ten tijde van de geweldpleging in ’s-Hertogenbosch zou hebben bevonden.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat op 19 april 2009 door een groep jongens in het openbaar geweld tegen goederen en personen is gepleegd en dat daarbij bedreigingen zijn geuit. Verdachte maakte deel uit van deze groep en heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan het gepleegde geweld en heeft daarnaast bedreigingen geuit. De rechtbank acht dan ook de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 4 heeft de rechtbank de tenlastelegging zo begrepen dat de ten laste gelegde bedreigingen met scherpe en/of puntige voorwerpen tegen een of meerdere in de tenlastelegging genoemde personen zijn gericht. Aangezien de verdediging hier geen verweer tegen heeft gevoerd, stelt de rechtbank vast dat verdachte de tenlastelegging ook op deze wijze heeft begrepen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1:

op 4 mei 2009 te Utrecht met anderen op de openbare weg, de [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1] en [aangever 2] en [getuige 1], welk geweld bestond uit

- het slaan op het oor van die [aangever 1] en

- het bij de jas vastpakken van die [aangever 1] en trekken aan de jas van die [aangever 1] en

- het met een ploertendoder maken van een of meer slaande/zwaaiende bewegingen naar, althans in de richting van die [aangever 1] en [getuige 1] en

- het met een of meer messen maken van stekende bewegingen naar die [aangever 1] en/of [aangever 2] en

- het met een of meer messen in de onderrug en tussen de schouderbladen/bovenrug steken en prikken van die [aangever 1];

ten aanzien van feit 2:

op 4 mei 2009 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen [aangever 1] en [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers hebben verdachte en een of meer van zijn mededaders opzettelijk dreigend een mes getoond en zwaaiende en/of stekende bewegingen gemaakt en die [aangever 1] en [aangever 2] dreigend de woorden toegevoegd:

- "Zie je deze mes, ik ga je steken" en

- "Gypsy, ik maak je dood" en

- "Gypsies, jullie gaan binnenkort dood" en

- "Jullie zijn dood",

althans telkens woorden mede in hun samenhang bezien van gelijke dreigende aard of strekking;

ten aanzien van feit 3 primair (16/445962-09):

op 19 april 2009 te De Meern, gemeente Utrecht met anderen, zichtbaar vanaf de openbare weg, [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [betrokkene 10] en [aangever 2] en [aangever 1] en [betrokkene 9] en een of meer ruiten van de schuur en de woning gelegen aan het [adres], welk geweld bestond uit het telkens meermalen, althans eenmaal

- vastpakken van die [betrokkene 10] en vervolgens gooien van die [betrokkene 10] tegen een schutting en

- slaan en schoppen/trappen tegen het gezicht en/of het lichaam van die [betrokkene 10] en

- gooien van een hamer en een schroevendraaier naar die [betrokkene 10] en [aangever 2] en [betrokkene 9] en

- met kracht met een moker en/of een hamer slaan op de rug van die [betrokkene 10] en

- met een mes maken van een stekende beweging naar, althans in de richting van die [betrokkene 10] en die [aangever 1] en

- trappen en gooien van stenen tegen een of meer ruiten van die woning en de schuur waardoor een ruit van die schuur is vernield en

- schoppen tegen de schutting en

- met een schroevendraaier en een mes en een moker en een ruitentikker, althans een of meer harde en puntige voorwerpen slaan en steken tegen een of meer ruiten van die woning en de schuur waardoor een of meer ruiten van die woning en die schuur zijn vernield;

ten aanzien van feit 4 (16/445962-09):

op 19 april 2009 te De Meern, gemeente Utrecht tezamen en in vereniging met anderen [betrokkene 10] en [aangever 2] en [aangever 1] en [betrokkene 9] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend een mes of een schroevendraaier getoond en zwaaiende en/of stekende bewegingen gemaakt

en

die [betrokkene 10] of [betrokkene 9] dreigend de woorden toegevoegd:

"Ik steek je dood" of

"Ik maak je dood", althans telkens woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem

gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Feit 2 en 4: telkens: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling.

Feit 3 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft en terwijl hij opzettelijk goederen vernielt.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van het voorarrest en 2 weken voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de gehele tenlastelegging.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte is op 19 april 2009 samen met anderen naar de woning van de slachtoffers gegaan. Zij hebben daar de slachtoffers aangevallen en daarbij gebruik gemaakt van slag- en steekwapens, waardoor [betrokkene 10] letsel heeft opgelopen. Voorts hebben zij diverse ruiten vernield en de slachtoffers bedreigd. Het incident was zichtbaar voor, en is gezien door, buurtbewoners.

Op 4 mei 2009 heeft verdachte samen met anderen de slachtoffers aangevallen op de openbare weg. Daarbij is onder andere gebruikt gemaakt van messen, waardoor [aangever 1] diverse steek-/snijwonden heeft opgelopen.

Feiten als ten laste gelegd en bewezen verklaard veroorzaken door hun openbaarheid gevoelens van onrust en van onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank heeft met zorg geconstateerd dat gebleken is dat de groep waartoe verdachte behoort regelmatig de confrontatie opzoekt met de groep waartoe de slachtoffers behoren en vice versa. Men aarzelt daarbij niet om gebruik te maken van aanzienlijk lichamelijk geweld en zich te voorzien van allerlei slag- en steekwapens en deze ook te gebruiken. Het is niet aan betrokkenen te danken dat dat nog niet heeft geleid tot ernstigere gevolgen dan het letsel en de schade die dat tot op heden tot gevolg heeft gehad.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte waaruit blijkt dat verdachte eenmaal eerder is veroordeeld, maar nog niet voor een geweldmisdrijf. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat thans geruime tijd is verstreken sinds verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd.

Mede gelet op de straffen die voor soortgelijke delicten plegen te worden opgelegd en ook feitelijk aan medeverdachten van verdachte in de onderhavige zaken zijn opgelegd is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en aan de ernst van het aan verdachte te maken verwijt,.Ten aanzien van ernstige openlijke geweldplegingen als de onderhavige, waarbij gebruik is gemaakt van speciaal daartoe meegenomen steek- en slagwapens dient immers oplegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt te gelden.

Nochtans acht de rechtbank het niet dringend noodzakelijk dat verdachte na de reeds door hem ondergane voorlopige hechtenis, opnieuw gevangenisstraf zal ondergaan. Derhalve zal de rechtbank aan verdachte, naast de door de officier van justitie gevorderde werkstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf, tevens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen GSM (Nokia, kleur zwart) aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

7.2 De verbeurdverklaring

De rechtbank zal het in beslag genomen stanleymes (kleur grijs) verbeurdverklaren, omdat de feiten zijn begaan met dit voorwerp of soortgelijke voorwerpen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33a, 47, 57, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de onder 5.1 genoemde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 67 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een GSM, merk Nokia, kleur grijs;

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een stanleymes, kleur grijs;

Bijkomende beslissingen:

- heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. A. Kuijer en mr. R.C. Hartendorp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Scharrenborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 februari 2010.