Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM2743

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
16/710369-08 [P]
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BW7096, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte onder meer schuldig aan doodslag in Utrecht, poging tot beroving in een woning in Eindhoven en een beroving in Breda. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710369-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 april 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1988] te [woonplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in Penitentiare Inrichtingen te Alphen aan den Rijn,

raadsman mr. C.M.P. Jongsma, advocaat te Rotterdam 1. Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 16 juli 2008, 1 oktober 2008, 8 december 2008, 9 februari 2009, 16 april 2009, 7 juli 2009, 1 oktober 2009, 6 oktober 2009 en 13 oktober 2009, 11 november 2009, 10 december 2009, 12 januari 2010, 6 april 2010, 8 april 2010 en 14 april 2010, waarbij de officier van justitie, mr. A.M.F. van Veghel, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting van 16 april 2009 is overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering beslist de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd te behandelen.

2. De tenlastelegging

De tenlasteleggingen zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: Samen met een ander of anderen [slachtoffer 1] - al dan niet met voorbedachten rade en al dan niet in verband met de diefstal van cocaïne - heeft gedood;

Feit 2: een pistool en munitie, beide van categorie III, heeft overgedragen dan wel voorhanden heeft gehad;

Feit 3: een pistool van categorie II of III en munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;

Feit 4: samen met een ander geprobeerd heeft om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met geweld goederen afhandig te maken dan wel hen heeft afgeperst;

Feit5: samen met een ander [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] met geweld goederen afhandig heeft gemaakt.

Feit 6: met geweld, onder bedreiging van een vuurwapen goederen heeft gestolen dan wel afgedreigd van [slachtoffer 6], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8].

3. De beoordeling van het bewijs

TWIST

Feit 1, de dood van [slachtoffer 1].

3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het navolgende:

a. er dient bewijsuitsluiting te volgen van alle opgenomen vertrouwelijke communicatie en de vruchten die daarvan geplukt zijn, omdat er geen schriftelijk bevel ex artikel 126l Sv is afgegeven;

b. de verklaringen van de getuigen afgelegd bij de rechter-commissaris zijn niet betrouwbaar;

c. Er is geen DNA-materiaal van verdachte in de vluchtauto aangetroffen;

De verdediging heeft verder als bewijsverweren aangevoerd:

- verdachte kan op geen enkele manier in verband worden gebracht met de plaats delict;

- verdachte kan op geen enkele manier in verband gebracht worden met de Volkswagen Golf waarmee de daders vermoedelijk van de plaats delict zijn gevlucht;

- verdachte kan op geen enkele manier in verband gebracht worden met het onder 2 in de zaak met parketnummer 16/711030-08 genoemde wapen;

3.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte zal in het navolgende worden aangeduid met [verdachte], zijn medeverdachte [medeverdachte] met [medeverdachte] en het slachtoffer [slachtoffer 1] met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 1].

3.3.1. de dood van [slachtoffer 1]

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van het bewijs het volgende voorop. De raadsman heeft op een aantal onderdelen betoogd dat alternatieve scenario’s mogelijk zijn. Verdachte zelf heeft geen alternatief scenario geschetst, maar heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. Dit staat hem vrij en de rechtbank zal hieraan ook geen bewijs ontlenen. De rechtbank is in deze omstandigheden echter niet gehouden om alternatieve scenario’s te onderzoeken die theoretisch denkbaar zijn, maar waarvoor zich geen aanknopingspunten in het dossier bevinden.

3.3.2.Het slachtoffer

Op 13 januari 2008 omstreeks 20.00 uur krijgt de politie melding van een vechtpartij op de Dickenslaan te Utrecht. De politie gaat ter plaatse en treft daar een op dat moment nog onbekende, gewonde man liggend op de grond aan . Het slachtoffer wordt per ambulance vervoerd naar het Utrechts Medisch Centrum, waar hij diezelfde avond is overleden . Het slachtoffer werd nadien geïdentificeerd als [slachtoffer 1] .

Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is een pathologisch onderzoek uitgevoerd naar de oorzaak van de dood van [slachtoffer 1].

Geconcludeerd wordt dat hij is overleden aan een niet natuurlijke oorzaak. Er is een doorschot door de borstkas geconstateerd met een inschot links op de rug door de onderkwab van de long links en een uitschot rechts zijwaarts onder de oksel . De dood is ingetreden ten gevolge van verbloeding en daardoor opgetreden weefselschade, ontstaan door de genoemde schotverwonding . Het NFI heeft geconstateerd dat er sprake is van een zogenaamd opzetschot en dat dit schot het overlijden van het slachtoffer verklaart .

3.3.3. De gebeurtenissen direct voorafgaande aan de schietpartij

De getuige [getuige 1] heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij op 13 januari 2008 in Utrecht bij theehuis [naam theehuis] aan de Vleutenseweg, omstreeks 19.00 uur, samen met [slachtoffer 1], in een auto is gestapt met daarin twee Antilliaanse mannen. De auto had vier deuren, de bekleding van de auto was van stof met witte strepen in het midden. De beide Antillianen zaten voorin. De bestuurder was langer dan de tengere bijrijder. De mannen vertelden dat ze uit Den Bosch kwamen. [slachtoffer 1] stapte in achter de bestuurder en de getuige stapte in achter de bijrijder. De auto reed weg naar de straat waar [slachtoffer 1] woonde. [slachtoffer 1] stapte uit, verdween in een portiek en bleef even weg. [slachtoffer 1] kwam na enige tijd terug en stapte weer achterin in. De auto reed vervolgens een stukje, ging de bocht om en werd geparkeerd ter hoogte van [adres]. [slachtoffer 1] liet toen een handvol wit spul in een zakje zien. De bestuurder pakte het witte spul aan en zei: “Laat dit hier en ga de andere halen, dan betaal ik jou alles.” [slachtoffer 1] wilde dat niet, hij wilde eerst geld en dan zou hij de rest halen. De bestuurder deed moeilijk en gaf het zakje weer terug aan [slachtoffer 1]. [getuige 1] zag aan het gezicht van de bestuurder dat hij boos was en hoorde dat de bestuurder tegen [slachtoffer 1] zei: “Ik neem het. Ik heb geld genoeg.” Toen de bestuurder dat gezegd had, maakte hij zijn gordel los en boog voorover. De bestuurder pakte iets van onder zijn stoel vandaan. [getuige 1] zag dat het een vuurwapen was. De bovenkant was zilver van kleur. De bestuurder zei dat als er iemand wegrende hij hem zou schieten. [getuige 1] stapte toch uit de auto en rende weg .

3.3.4. De schietpartij

Getuigenverklaringen

De getuige [getuige 2] heeft tegenover de rechter-commissaris -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard .

De getuige was aan het tennissen toen hij hoorde dat er mannen ruzie aan het maken waren. Nadat hij de ruzie hoorde is hij eerst verder gegaan met tennissen. Toen hoorde hij dat de discussie uit de hand liep en opeens hoorde hij een harde knal. Hij hoorde toen roepen “nee nee, niet doen”. De getuige hoorde ook roepen “ik ben geraakt”. Daarna hoorde hij weer een knal. Vervolgens zag de getuige twee mensen rennen. Ze stapten in een auto en reden met gierende banden weg.

De verklaring van de getuige [getuige 2] wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 3] die -zakelijk weergegeven- tegenover de politie heeft verklaard dat hij een man op de grond zag liggen, dat er twee personen bij deze liggende man stonden, persoon I stond ter hoogte van zijn middel en persoon II ter hoogte van de rechterschouder. Persoon I hield een voorwerp in zijn rechterhand dat er uitzag als een pistool. Persoon I hield zijn rechterarm gestrekt richting het lichaam ter hoogte van borst of hoofd van het slachtoffer De getuige kan geen nadere details over beide personen vertellen . In aanvulling hierop heeft deze getuige tegenover de rechter-commissaris verklaard dat persoon I ook met het pistool heeft geschoten en dat hij ook knallen heeft gehoord .

De getuige [getuige 4] heeft eveneens de vechtpartij gezien. Zij verklaart eveneens dat het slachtoffer op de grond lag en dat er een man ter hoogte van het hoofd van het slachtoffer stond en een andere man ter hoogte van het middel van het slachtoffer. Eén van de mannen boog zich voorover over het bovenlichaam van het op de grond liggende slachtoffer. Daarna hoorde de getuige een soort plof of plop of tok geluid en diezelfde man pakte iets weg wat in zijn hand paste. Zij stelt dat de huidskleur van de man die ter hoogte van het middel van het slachtoffer stond in ieder geval lichter was dan de huidskleur van de man die bij het hoofd stond. Voorts stelt zij dat deze persoon een tenger postuur had en in ieder geval slanker was dan de man die ter hoogte van het hoofd stond .

De verklaring van de getuige [getuige 2] wordt voorts ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 5]. Zij heeft tegenover de politie –zakelijk weergegeven- als volgt verklaard .

De getuige zag een paar jongens die ruzie aan het maken waren. Het waren vier mannen. Eén rende al snel weg. Op dat moment waren ze met z’n drieën. De getuige zag dat twee van de mannen de derde man schopten. Deze derde persoon lag op de grond. Terwijl ze hem schopten, hoorde de getuige een paar keer letterlijk het woord “sleutel”. De getuige zag dat er iets werd afgepakt of afgegeven voordat de mannen weggingen.

De getuige [getuige 6] tot slot, heeft tegenover de politie verklaard dat de daders wegreden in een Volkswagen Golf.

3.3.5.De vluchtauto

Op enig moment in het onderzoek meldt zich getuige [getuige 7] bij de politie die, zakelijk weergegeven, het volgende heeft verklaard.

[getuige 7] zat op 10 januari 2008 in [naam theehuis] (theehuis aan de Vleutenseweg) aan tafel bij [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] was in het gezelschap van twee Antillianen .

Op 11 januari 2008 zat [getuige 7] samen met [getuige 8] in een auto bij Groot Winkelcentrum Kanaleneiland. Er werd op zijn raam getikt en hij zag één van de Antillianen staan die hij de dag ervoor met [slachtoffer 1] in [naam theehuis] had gezien. De Antilliaan vroeg hem waar de “staman“ was, in het Antilliaans is dit “de man” of “de kerel”. [getuige 7] ging ervan uit dat hij [slachtoffer 1] bedoelde. [getuige 8] had de Antilliaan in een blauwe VW Golf type 5 zien stappen . Getuige [getuige 8] heeft bevestigd dat hij met [getuige 7] op 11 januari 2009 bij Groot Winkelcentrum Kanaleneiland is geweest en dat [getuige 7] werd aangesproken door een Antilliaan .

Naar aanleiding van de verklaringen van getuigen [getuige 7] en [getuige 8] voornoemd hebben verbalisanten camerabeelden van het Winkelcentrum Kanaleneiland van vrijdag 11 januari 2008 bekeken. De door [getuige 7] genoemde blauwe VW Golf wordt op de camerabeelden gezien. Beide inzittenden van de Golf staan op de camerabeelden . Door verbalisant wordt een deel van een kenteken met de volgende cijfer- en lettercombinatie [kenteken] gezien. Met behulp van dit partiële kenteken, het merk, type en kleur van de Golf is door de politie nader onderzoek gedaan en komen uiteindelijk 13 kentekens in aanmerking voor nader onderzoek . Het Korps Landelijke Politiediensten is vervolgens verzocht uit te zoeken welke van deze 13 kentekens voorzien zijn van vier deuren. Dit omdat getuige [getuige 1] (zie noot 6) verklaard heeft dat de auto waar hij in had gezeten vier deuren had. Negen kentekens blijven over . Het Korps Landelijke Politiediensten wordt opdracht gegeven uit te zoeken wat voor soort bekleding de overgebleven 13 kentekens hadden. Hieruit blijkt dat de Volkswagen Golf met een productiejaar rond 2005 mogelijk een lichte streep in de bekleding heeft. De code van deze bekleding is HA. De Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] heeft kleurcode HA . Van de negen overgebleven kentekenhouders worden de bestuurders gehoord. Deze verklaren niet in Utrecht te zijn geweest . Na onderzoek en horen van getuigen blijft één auto over, een VW Golf met kenteken [kenteken]. In verband met telfouten in de processen-verbaal is een relaas proces-verbaal opgemaakt .

Deze VW Golf met kenteken [kenteken] bleek op naam te zijn gesteld van [autoverhuurbedrijf] [woonplaats] . De auto is vervolgens op 1 februari 2008 bij het verhuurbedrijf in beslag genomen en onderzocht op forensische sporen. In de auto werden bloedsporen aangetroffen en bemonsterd . Van de bloedsporen die aangetroffen werden op de linkerzijkant van de bestuurdersstoel en op de bestuurdersstoel is een DNA-mengprofiel herleid . Het DNA-profiel van [slachtoffer 1] past in deze beide mengprofielen . Van het spoor op de bestuurdersstoel is ook een DNA-hoofdprofiel afgeleid dat matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer 1], waarbij de frequentie kleiner is dan 1 op 1 miljard .

De VW Golf blijkt in de periode van 8 januari 2008 tot en met 17 januari 2008 door [autoverhuurbedrijf] in [woonplaats] te zijn verhuurd aan [getuige 12] . Toen [getuige 12] de auto op 8 januari 2008 ophaalde en op 17 januari 2008 terug bracht bij [autoverhuurbedrijf], was zij in gezelschap van een man. Tegen [getuige 12] is toen gezegd dat zij de VW Golf eerst moest gaan aftanken bij het Shell station, gelegen tegenover het verhuurbedrijf .

[getuige 12] is gehoord en heeft verklaard meerdere keren bij [autoverhuurbedrijf] te [woonplaats] auto’s gehuurd te hebben voor [verdachte]. Dit heeft [verdachte] ter terechtzitting van 6 april 2010 bevestigd. [getuige 12] heeft onder meer een VW Golf voor [verdachte] gehuurd. Direct na het huren heeft zij de VW Golf en de sleutel aan [verdachte] gegeven. In de daarop volgende week heeft [verdachte] de auto in gebruik gehad. De auto is teruggebracht door haar en [verdachte]. [getuige 12] verklaarde dat de auto nog moest worden afgetankt toen zij de auto weer inleverden. Dit hebben zij gedaan bij het Shell station, vlakbij het verhuurbedrijf , alles aldus volgens [getuige 12].

Het slachtoffer heeft de auto nimmer zelf gehuurd .

3.3.6.Het vuurwapen

Op 2 april 2008 wordt in het kader van een onderzoek tegen [X] in een kelderbox van zijn woning een vuurwapen, zijnde een pistool van het merk (Crvena) Zastava, model 70, met twee kogelpatronen aangetroffen . Dit pistool is een vuurwapen Categorie III, van artikel 1, onder 3, jo artikel 2, lid 1, van de Wet wapens en munitie . De kogelpatronen zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4, jo artikel 2, lid, categorie III van de Wet wapens en munitie .

Met het onder [X] in beslag genomen wapen heeft de politie proefschoten uitgevoerd. Hieruit bleek dat er overeenkomsten zijn met de hulzen aangetroffen op 13 januari 2008 . Het NFI heeft geconcludeerd dat de twee hulzen die op 13 januari 2008 op de plaats delict te Utrecht zijn aangetroffen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met het onder [X] in beslag genomen vuurwapen .

Op de loop van het wapen zat een bloedspoor waarvan een onvolledig mengprofiel is verkregen. Het DNA-profiel van [slachtoffer 1] matcht met het onvolledige DNA-profiel en kan één van de donoren zijn, aldus het NFI .

[X] heeft over dit wapen, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij het wapen, naar hij zich herinnert een Crevena van Joegoslavische makelij , had gekocht van [getuige 9] . [getuige 9] is vervolgens verhoord en hij heeft, zakelijk weergegeven, verklaard:

- dat een man genaamd [verdachte] hem een vuurwapen heeft aangeboden ;

- dat de moeder van [verdachte][slachtoffer 7] heet, en dat;

- dat [verdachte] op de [adres] in [woonplaats] woont ;

- dat hij het wapen aan een zekere [X] heeft geleverd . [X] is [X] .

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier gegevens bevinden waaruit blijkt dat de moeder van [verdachte][slachtoffer 7] heet en aan de [adres] te [woonplaats] woont .[verdachte] heeft voorts verklaard dat hij ingeschreven staat op het adres [adres] te [woonplaats] . De rechtbank concludeert hieruit dat de [verdachte] waarover [getuige 9] heeft verklaard dezelfde persoon is als [verdachte].

De overdracht van het wapen heeft plaats in een auto met daarin [verdachte], [betrokkene] en een derde jongen. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 9] verklaard dat de derde man in de auto - niet zijnde [verdachte] en [betrokkene]- aangesproken werd met [medeverdachte] en “kleine”. Deze [medeverdachte] had het wapen in een washandje bij zich . Toen [getuige 9] aan [verdachte] vroeg waar het vuurwapen was, antwoordde [verdachte] dat hij dat moest regelen met de onbekende man achterin de auto. Deze onbekende man zei tegen [getuige 9] dat hij € 900,-- voor het wapen moest hebben .

3.3.7.Technisch onderzoek

Op de plaats delict zijn twee hulzen aangetroffen . Deze hulzen zijn zeer waarschijnlijk afkomstig uit één en hetzelfde vuurwapen . Het NFI concludeert na onderzoek van de jas van het slachtoffer dat er sprake is geweest van een opgezet schot via de binnenzijde van de jas (ter hoogte van de buik) en een opgezet schot ter hoogte van het linkerschouderblad .

3.3.8. Eigen waarneming ter zitting

De rechtbank heeft ter zitting van 6 april 2010 waargenomen dat [medeverdachte] tengerder is dan [verdachte] en een donkerder huidskleur heeft.

3.3.9. Telecom

Naast een onderzoek naar de vluchtauto en het wapen heeft de politie onderzoek gedaan naar gegevens van mobiele telefonie en zijn er vertrouwelijke gesprekken afgeluisterd.

Vastgesteld is dat de telefoonnummers [nummer], in gebruik bij [medeverdachte] en [nummer] in gebruik bij [verdachte] , zich op 13 januari 2008 van Utrecht naar Rotterdam en weer terug naar Utrecht verplaatsen. De rond 19.30 uur laatst aangestraalde basisstations bevinden zich beiden in de omgeving van de Vleutenseweg te Utrecht .

3.3.10. Afgeluisterde gesprekken

Door de politie is een gesprek opgenomen tussen [verdachte] en zijn vriendin [Y], afgeluisterd op 10 juni 2008. [verdachte] zegt hierin, voor zover van belang, het volgende:

“serieus, ik heb niet op die man geschoten broeder, kijk ik ben gegaan .. we waren daar … [betrokkene] zei dat hij naar huis wilde gaan … zus, zus en zo .. ik ben hem en nog iemand hem in Rotterdam af gaan zetten en daarna zijn wij terug gekomen… we zijn naar de man toegegaan, daarna puntje bij paaltje is die man een spel aan het spelen snap je? De man wil ons verkloten, we wilden de man droppen, eindstand: één van de mannen is uitgestapt en weggerend, de Marokkaanse man…groot…hij heeft het schietding in de andere hand genomen, hij hield het schietding vast…zus en zo, eindstand; we zijn uitgest.. ik wilde op hem schieten, snap je? Want hij had het schietding genomen, ik had zoiets van misschien pakt hij wel het schietding en gaat hij op de bro schieten. We zijn uit de auto gestapt, die man…weet je wat deze man gedaan heeft, broeder? De man is via achterin gesprongen en heeft de autosleutel gepakt, die man heeft de autosleutel gepakt en is uit de auto gestapt.. en die man is heel groot, broeder.. ik heb die man gewurgd, ik heb hem met de kolf van het pistool geslagen, die man wilde de sleutel niet loslaten. Weet je wat die man wilde doen? Die man wil de sleutel in de put gooien. Die man wil de sleutel in de put gooien….Eindstand: we willen vechten, die man wil de sleutel niet loslaten broeder… puntje bij paaltje.. de bro ehhh Heb je het begrepen?

(…)

Maar weet je waarom de mensen bij mij komen? Door de auto, snap je. Ik bestuurde de auto en de persoon die het gedaan heeft, komt helemaal niet in beeld, snap je (…)

Ik ga gewoon zitten, ik praat niet en ik zit de straf uit, eindstand: als de persoon die het eigenlijk gedaan heeft niet voor me zorgt, schiet ik zelf zijn kop eraf als ik vrijkom broeder.

Ik maak me geen zorgen en kijk, de mensen hebben geen bewijs, snap je? (…) ja, kijk, zelfs de gozer die in de auto zat herkent mij niet(…) niemand kan zeggen dat ik op de plaats delict was (…) mijn kenteken had ook een 20 (…) maar geen X (…) als ik praat krijgt [medeverdachte] TBS broeder, want de man heeft pas zes jaar gezeten” .

Een gesprek tussen [verdachte] en zijn vriendin [J] en zus [A], afgeluisterd op 19 juni 2008.

[verdachte] verklaart hierin, voor zover van belang, het volgende:

“Hé jij weet niet hè wat ik in vier maanden met die mannetje ehhh heb meegemaakt. [medeverdachte] hij is echte real ruman. (…) Dus waarom zal ik gaan zeggen ja hij heb gedaan, gaan ze hem pakken sluiten ze hem op sluiten ze mij op. Gaan ze tegen mij zeggen je wist ervan begrijp je. Tuurlijk niet, laat hem lekker op tropisch eiland zitten zo lang het kan”

Een gesprek tussen [verdachte] en [J] en [A], afgeluisterd op 15 juli 2008.

[verdachte] verklaart hierin, voor zover van belang, het volgende:

[verdachte]: “ die andere man is ook gepak. Op Curaçao”

[J]: “Hij is toch al opgepakt. Zeg gewoon van je hebt het gedaan, klaar”.

[verdachte]: “ als hun geen bewijs hebben” .

(…)

[verdachte]: Als ik ga zeggen, ja hmm, hij heeft het gedaan, kan hij misschien twaalf jaar krijgen en ik misschien drie, vier jaar, begrijp je ?

(…)

[verdachte]: (…) [medeverdachte] is ook opgepakt. [medeverdachte] is ook opgepakt laatst. (…)

[J]: Weet je wat jullie zijn. Jij en [medeverdachte]. Jullie zijn echt lomp he.

(…)

[J]: Jullie gaan dat ding gaan verkopen. Hoe kon je dat ding gaan verkopen (…).

(…)

[verdachte]: Nee maar kijk. Weet je wat het is. Wij zijn gewoon dom! Wij zijn geen goed georganiseerde jongens. Kijk [medeverdachte] (…) die komt vast te zitten. Hij moest contact opnemen. Had ik hem kunnen zeggen dat die jongen “dat en dat” praat. Had hij met die jongen contact op moeten nemen. Iets met die jongen moeten doen zodat die jongen niet praat of wat er moet gebeuren gebeurd. Begrijp je? (…) Als die gewoon had gezegd: “ja ik heb het van iemand gekocht” of “ik heb het gevonden” had er niks kunnen gebeuren want ze kunnen hem nooit bij de plaats delict zetten

(…)

[verdachte]: Ze hebben [medeverdachte] opgepakt hè?

[J]: (lacht)

[verdachte]: Sukkel

[A]: Wat?

[verdachte]: Waar hebben ze hem opgepakt?

[A]: Curaçao

(…)

[A]: “zwaar man, je denkt dat je met vakantie gaat naar jouw land en ze komen je daar oppakken gewoon”.

[verdachte]: ”Helemaal daar he. Interpol jongen. Ik ging hem hier ook bellen, toch?”

[A]: “ja?, maar je hebt zijn naam nooit genoemd, toch?”

[verdachte]: “ja [medeverdachte], ik zei [medeverdachte].(…) Ik zei tegen jou: ja de kleine matie van mij met die ketting” .

Een gesprek tussen [verdachte] en B. el Arkoubi, afgeluisterd op 1 juli 2008.

[verdachte] verklaart hierin, voor zover van belang, het volgende:

[verdachte]: “voor moord. Ja man. Maar ja, ik heb het niet gedaan, ik was er ook bij, maar ja je weet toch, ik ga niet praten, hun verdenken mij, maar kijk, weet je, hun hadden mij kunnen laten gaan, maar ze hadden toch die boy met die pipa gepakt? Kijk, plaats als hij gewoon had zegt, ik heb hem van iemand gekocht, gaat hij zeggen dat hij die van mij had gekocht (…) maar ik heb hem niet gekocht, ik was er wel bij .

3.3.11 Identiteit van de man die “[medeverdachte]”, “[medeverdachte]” en “kleine” wordt genoemd

[verdachte] heeft in het hierboven onder 3.3.10 weergegeven gesprek van 10 juni 2008 verklaard dat [medeverdachte] pas zes jaar heeft gezeten (noot 55).

[verdachte] heeft in het hierboven onder 3.3.10 weergegeven gesprek van 19 juni 2010, verklaard dat [medeverdachte] lekker op een tropisch eiland moet zitten zolang hij dat kan.

[verdachte] heeft in het hierboven onder 3.3.10 weergegeven gesprek van 15 juli 2008, verklaard dat [medeverdachte] is opgepakt en dat hij hem in telefoongesprekken [medeverdachte] heeft genoemd en de kleine matie.

[getuige 9] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de man die het vuurwapen - genoemd onder 3.3.6 heeft verkocht werd aangesproken met [medeverdachte] en de “kleine” (noot 47).

[J] heeft verklaard dat in het gesprek van 15 juli 2008, hierboven weergegeven onder 3.3.10, met [medeverdachte] bedoeld wordt [medeverdachte] en dat [medeverdachte] “kleine” noemt .

Uit informatie van de officier van justitie komt naar voren dat [medeverdachte] op 2 januari 2008 is vrij gekomen na een gevangenisstraf van 6 jaar uitgezeten te hebben.

[medeverdachte] verbleef van 25 maart 2008 tot aan zijn overbrenging naar Nederland op 13 juli 2008 op Curaçao .

3.4. Bewijsoverwegingen en bespreking van verweren

3.4.1. Gebruik van de OVC-gesprekken voor het bewijs.

Ad 3.2.a: De raadsman heeft betoogd dat de zogenoemde OVC-gesprekken, waarbij vertrouwelijke communicatie tussen [verdachte] en derden is opgenomen, niet gebezigd mogen worden voor het bewijs. Hij legt daaraan ten grondslag dat daarvoor voorafgaande aan de inzet van het opsporingsmiddel door de officier van justitie geen schriftelijk bevel als bedoeld in artikel 126l van het Wetboek van Strafvordering is gegeven.

De rechtbank stelt met de officier van justitie en de verdediging vast dat er sprake is van een vormverzuim nu een schriftelijk bevel als bedoeld in artikel 126l Sv ontbreekt. De rechtbank stelt vast dat alle betrokkenen hebben gehandeld zonder dit schriftelijk bevel.

Bij het bepalen van de rechtsgevolgen die dit verzuim moet hebben, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.

De rechtbank stelt allereerst vast dat naar aanleiding van een daartoe door de officier van justitie gedaan verzoek door de rechter-commissaris aan de officier van justitie een schriftelijke machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 126 l lid 4 Sv om de vertrouwelijke communicatie waaraan [verdachte] deelneemt op te nemen. Voorts staat vast dat het College van Procureurs-Generaal de officer van Justitie toestemming heeft verleend om dit opsporingsmiddel in te zetten. Hieruit volgt dat de officier van justitie het schriftelijke bevel in beginsel kon geven.

De rechtbank stelt voorts vast dat uit het verhoor van de toenmalige zaaksofficier van justitie mr. F.M. van Lenthe bij de rechter-commissaris op 23 maart 2010 en het door haar opgemaakte proces-verbaal bevindingen d.d. 30 september 2009 blijkt dat zij het schriftelijk bevel ook heeft willen geven en, in de veronderstelling verkerende dat het schriftelijk bevel inmiddels ook reeds was gegeven door een piketofficier van justitie, de politie mondeling heeft medegedeeld dat begonnen kon worden met het opnemen van de vertrouwelijke communicatie. De betreffende verbalisant heeft vervolgens de machtiging van de rechter-commissaris verzonden aan de DSRT die de opname vertrouwelijke communicatie daadwerkelijk zou gaan verzorgen. Nadat later duidelijk was geworden dat het schriftelijk bevel ex artikel 126l Sv ontbrak is dit vervolgens alsnog opgemaakt.

De rechtbank concludeert dat de toenmalige officier van justitie weliswaar onzorgvuldig heeft gehandeld, maar dat [verdachte] daardoor in de gegeven omstandigheden op geen enkele wijze in zijn belangen is geschaad. De officier van justitie was gerechtigd om het schriftelijke bevel af te geven en heeft dat ook daadwerkelijk willen doen. Uit haar handelen blijkt ook dat zij nadrukkelijk de inzet van het onderhavige OVC gewild heeft. De politie heeft vervolgens gehandeld op basis van de door de rechter-commissaris aan de officier van justitie verstrekte machtiging. De informatie die ingevolge artikel 126l Sv moet blijken uit het schriftelijk bevel van de officier van justitie, blijkt ook uit de door de rechter-commissaris verstrekte machtiging.

De rechtbank acht het gelet op het bovenstaande niet noodzakelijk op dit punt nader getuigen te horen, zoals door de verdediging (voorwaardelijk) is verzocht.

Nu [verdachte] niet in zijn belangen is geschaad zal de rechtbank volstaan met de enkele constatering dat er sprake is van een vormverzuim.

3.4.2 DNA-materiaal

Ad 3.2.b: De raadsman heeft betoogd dat er geen DNA-materiaal van verdachte in de eerder genoemde VW Golf is aangetroffen, en dat dit, indien verdachte in de auto was geweest wel voor de hand had gelegen. De rechtbank merkt in dit kader op dat uit het forensisch dossier blijkt dat alleen de in de VW Golf aangetroffen bloedsporen zijn bemonsterd. Er is geen onderzoek gedaan naar andere (biologische) sporen. Aangezien op geen enkele manier aannemelijk is geworden dat behalve [slachtoffer 1] ook zijn belagers gewond zijn geraakt, is het daarom verklaarbaar dat in de genomen monsters alleen DNA-materiaal van het slachtoffer en niet tevens van verdachte is aangetroffen

3.4.3 Betrouwbaarheid getuigen

Ad 3.2.c:De raadsman heeft gesteld dat de getuigen die aanvankelijk bij de politie ontlastend verklaard hebben, tijdens hun verhoor bij de rechter-commissaris onder druk zijn gezet en als gevolg daarvan andersluidende verklaringen hebben afgelegd. De verklaringen van deze getuigen zouden daarom niet langer betrouwbaar zijn en niet gebruikt mogen worden voor het bewijs. De raadsman wijst daarbij met name op de verklaring van [J], afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris op 29 maart 2010.

De rechtbank gebruikt de getuigenverklaringen waar de raadsman op doelt niet voor het bewijs en kan reeds daarom dit verweer onbesproken laten. Niettemin hecht de rechtbank er waarde aan op te merken dat de rechtbank van oordeel is dat op geen enkele wijze blijkt van ongeoorloofd uitgeoefende druk op de getuigen. Het enkele feit dat getuigen, ook als ze ontlastend verklaren, door de rechter-commissaris beëdigd worden, kan niet worden aangemerkt als het uitoefenen van ongeoorloofde druk. In deze heeft de rechter-commissaris geen proces-verbaal bevindingen laten opmaken waarin ze melding maakt van ongeoorloofd uitgeoefende druk en werd [J] bijgestaan door een raadsvrouwe die daar ook geen melding van heeft gemaakt.

3.4.4. Conclusies met betrekking tot het bewijs

Uit de hiervoor weergeven feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank het navolgende.

De dagen direct voor 13 januari 2008 had [slachtoffer 1] telefonisch contact met twee (Antilliaanse) mannen over de verkoop van drugs. Op 10 januari 2008 ontmoetten zij elkaar ook in Utrecht. Voor 13 januari 2008, omstreeks 19.00 uur, had [slachtoffer 1] met deze mannen een afspraak gemaakt voor een nadere ontmoeting in Utrecht. De mannen arriveerden met de auto en [slachtoffer 1] stapte vervolgens met zijn vriend [getuige 1] in. [slachtoffer 1] toonde vervolgens een hoeveelheid verdovende middelen. Vervolgens bleken de mannen niet te willen betalen en trok de man die op de bestuurdersplaats zat een -deels zilverkleurig- pistool. [getuige 1] ontvluchtte daarop de auto. [slachtoffer 1] werd in de auto mishandeld door een of beide van de mannen. Op een gegeven moment wist ook [slachtoffer 1] de auto te ontvluchten. Hij nam daarop de autosleutels mee. De twee mannen uit de auto achtervolgden hem en sloegen en schopten hem. [slachtoffer 1] kwam daarbij op de grond terecht. Nadat [slachtoffer 1] nog steeds de sleutels niet wilde afgeven werd er van zeer dichtbij tweemaal op [slachtoffer 1] geschoten. Een van deze kogels raakte [slachtoffer 1] in het bovenlichaam. Op de plaats delict zijn ook twee patroonhulzen aangetroffen. Aan het door het schot ontstane letsel is [slachtoffer 1] nog diezelfde dag overleden. De twee mannen hebben, nadat ze [slachtoffer 1] hadden verwond, de sleutel en/of de verdovende middelen van hem afgepakt en zijn weggereden met hun auto. Deze auto is door getuigen herkend als een Volkswagen Golf. Op basis van de onder 3.3.5 weergeven getuigenverklaringen en de uitkomsten van het aldaar weergeven politieonderzoek concludeert de rechtbank dat deze Volkswagen Golf voorzien was van het kenteken [kenteken].

De rechtbank leidt uit de hiervoor onder 3.3.5 genoemde bewijsmiddelen verder af dat [verdachte] in de periode van 8 januari 2008 tot en met 17 januari 2008 de gebruiker was van de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken]. Nadat deze auto bij de verhuurder was inbeslaggenomen, zijn in deze auto bloedsporen aangetroffen. Deze bloedsporen bevatten DNA-materiaal dat volgens NFI-rapportage ,met de door het NFI gehanteerde hoogste graad van waarschijnlijkheid, overeenkomt met dat van het slachtoffer [slachtoffer 1]. De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende vast is komen te staan dat deze Volkswagen Golf de auto is waarin op 13 januari 2008 [slachtoffer 1] werd mishandeld, en waarin de daders na de schietpartij zijn gevlucht.

Voorts blijkt uit de hiervoor onder 3.3.6 weergegeven bewijsmiddelen dat er op 2 april 2008 bij een man genaamd [X] een pistool is aangetroffen. Uit deze bewijsmiddelen blijkt tevens dat het NFI concludeert dat de op de plaats waar [slachtoffer 1] is gedood aangetroffen twee hulzen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid (de hoogste door het NFI bij dit type onderzoek gehanteerde graad van zekerheid) zijn verschoten met dit pistool. Tevens is er op de loop van dit wapen een bloedspoor aangetroffen waarin DNA is aangetroffen dat matcht met dat van [slachtoffer 1]. De rechtbank concludeert hieruit dat dit het pistool is geweest waarmee de kogel is afgevuurd waardoor [slachtoffer 1] op 13 januari 2008 is gedood.

Op basis van de hiervoor eveneens onder 3.3.6 weergeven bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat ditzelfde pistool in februari 2008 door [verdachte] via [getuige 9] aan genoemde [X] is verkocht. Bij gelegenheid van de overdracht van dit wapen was naast [verdachte] en [getuige 9] ook nog een man aanwezig, die “[medeverdachte]” en “[medeverdachte]” werd genoemd. Deze man had het wapen in een washandje bij zich en heeft met [getuige 9] gesproken over de prijs van het wapen.

Uit het hiervoor onder 3.3.10 weergeven op 10 juni 2008 opgenomen gesprek van [verdachte] blijkt dat hij over gedetailleerde informatie beschikt over de gebeurtenissen van 13 januari 2008. Hij plaatst zich daarbij zelf op de plaats delict, verklaart dat hij die dag naar Rotterdam is gereden en weer terug, praat over de wijze waarop [slachtoffer 1] reageerde en over de rol van een tweede daarbij betrokken man. Ook verklaart hij over het slaan door hem met de kolf van een wapen tegen het hoofd van [slachtoffer 1]. Dit laatste wordt bevestigd door het naar aanleiding van deze verklaring nader uitgevoerde NFI-onderzoek waarbij onder meer werd vastgesteld dat het geconstateerde hoofdletsel zeer wel kan passen bij letsel als gevolg van het slaan met een pistool.

Uit het hierna onder 3 bewezenverklaarde feit blijkt voorts dat [verdachte] in ieder geval op 16 april 2008 beschikte over een deels zilverkleurig pistool. Een zelfde soort pistool is door de getuige [getuige 1] gezien in de hand van de bestuurder van de auto.

De verdediging heeft gesteld, dat hetgeen [verdachte] tijdens voornoemd gesprek naar voren brengt moet worden gezien als een onderdeel van een verhaal van [verdachte] dat hij vertelt naar aanleiding van tot hem gekomen informatie. De rechtbank acht deze verklaring echter niet aannemelijk, reeds omdat [verdachte] in dit opgenomen gesprek bij voortduring spreekt over “ik” en “wij”, en er in de inhoud van het gesprek geen enkele aanwijzing te vinden is, dat het hier zou gaan om informatie uit de tweede of derde hand. De beschrijving van de gebeurtenissen is voorts dusdanig gedetailleerd en specifiek, dat deze slechts kan worden aangeduid als daderwetenschap. De rechtbank wijst hiervoor naar passages uit dit gesprek zoals: “de man wilde ons verkloten, we wilden de man droppen” en “ik wilde op hem schieten snap je, want hij had het schietding genomen.” Een deel van de door [verdachte] gestelde feiten, zoals die met betrekking tot het slaan met de kolf op het hoofd, was ten tijde van het gesprek ook nog niet anderszins bekend.

In de gesprekken van [verdachte] zoals hiervoor onder 3.3.10 weergegeven spreekt [verdachte] ook over de rol van een tweede bij de gebeurtenissen betrokken man. Deze wordt door hem aangeduid met “[medeverdachte]”, “[medeverdachte]” of “[medeverdachte]”. Ook de man die het vuurwapen waarmee het dodelijke schot op [slachtoffer 1] is afgevuurd overhandigde, werd “[medeverdachte]” en “[medeverdachte]” genoemd. Gezien de inhoud van de hiervoor onder 3.3.11 genoemde bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat het buiten redelijke twijfel is dat met “[medeverdachte]”, “[medeverdachte]” en “[medeverdachte]” telkenmale (mede)verdachte [medeverdachte] wordt bedoeld.

Uit de hiervoor onder 3.3.9 genoemde telecomgegevens blijkt voorts dat [verdachte] en [medeverdachte] zich op 13 januari 2008 eerst van Utrecht naar [woonplaats] verplaatsten en daarna weer terug naar Utrecht. Rond 19.30 uur bevonden zij zich ook in de onmiddellijke omgeving van de plaats in Utrecht waar [slachtoffer 1] en [getuige 1] werden opgehaald.

Op basis van voorgaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] de twee mannen zijn geweest die tezamen en in vereniging [slachtoffer 1] hebben gepoogd te beroven, hem vervolgens hebben mishandeld en toen hij de door hem meegenomen autosleutels niet aan hen wilde teruggeven, hebben doodgeschoten.

3.4.5 Kwalificatie als medeplegen van gekwalificeerde doodslag

Hoewel er diverse aanwijzingen zijn dat het de verdachte [medeverdachte] is geweest die het dodelijke schot gelost heeft, kan dit - in het bijzonder gezien de terzake niet eenduidige getuigenverklaringen - naar het oordeel van de rechtbank niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld. De rechtbank stelt hierbij echter tevens vast, dat beide verdachten hebben gehandeld in het kader van een vooraf samen bedacht plan om het slachtoffer van een hoeveelheid verdovende middelen te beroven en dat zij beiden het slachtoffer met een vuurwapen hebben bedreigd en hebben mishandeld. Verdachte en zijn medeverdachte wisten ook van elkaar dat zij in het bezit waren van een vuurwapen.

Verdachte haalde dit wapen immers in de auto te voorschijn en [medeverdachte] droeg in die periode altijd een vuurwapen bij zich. Voorts wisten zij van elkaar dat zij eerder waren veroordeeld voor gewelddadige overvallen. De medeverdachte van verdachte heeft daarbij al eerder van een vuurwapen gebruik gemaakt, bij welke gelegenheid een slachtoffer zeer ernstig werd verwond.

Toen [slachtoffer 1] zich verzette en vervolgens de auto met medeneming van de contactsleutel ontvluchtte hebben verdachte en zijn medeverdachte hem achtervolgd. Daarbij hebben zij [slachtoffer 1] opnieuw mishandeld, naar mag worden aangenomen om hem te bewegen de autosleutel af te geven. [slachtoffer 1] gaf daar echter geen gevolg aan en probeerde de sleutel in een put te gooien. Daarna is van zeer dichtbij op [slachtoffer 1] geschoten, naar de rechtbank aanneemt met als doel dat verdachte en zijn medeverdachte de sleutel weer zouden terugkrijgen en vervolgens met hun auto te vluchten en zo aan aanhouding zouden kunnen ontkomen.

Mede gezien hetgeen daaromtrent in het onder 3.3.10 weergeven OVC gesprek wordt gezegd, acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat het door [slachtoffer 1] meenemen van de autosleutel voor verdachte en zijn medeverdachte onverwacht kwam. Verdachte heeft er echter vervolgens voor gekozen om ook daarna het geweld tegen [slachtoffer 1] door te zetten en de daaraan verbonden kans op de koop toe genomen dat hijzelf en/of zijn mededader daarbij ook een vuurwapen zouden gebruiken. Dit laatste blijkt ook uit de in het hiervoor onder 3.3.10 weergegeven bewoordingen uit het opgenomen gesprek, namelijk:“de man wilde ons verkloten, we wilden de man droppen” en “ik wilde op hem schieten snap je, want hij had het schietding genomen.”

Daarenboven heeft de rechtbank bij zijn beoordeling betrokken dat verdachte zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd van het handelen van zijn mededader of heeft getracht deze te weerhouden van het verdere gebruik van geweld. Integendeel, verdachte heeft voortdurend en actief steun geboden aan het handelen van zijn mededader.

Aldus heeft de verdachte zich –ook na de vlucht van [slachtoffer 1] uit de auto- op zijn minst willens en wetens blootgesteld aan de naar ervaringsregelen aanmerkelijk te achten kans - en deze ook aanvaard – dat het in het geval van (verder) verzet van [slachtoffer 1] niet zou blijven bij gebruik van het vuurwapen als dreig- of dwangmiddel, maar dat daarmee ook zou worden geschoten.

De rechtbank is daarbij echter niet gebleken dat er een vooropgezet plan van verdachten was om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de voorliggende bewijsmiddelen evenmin met voldoende zekerheid worden afgeleid dat er direct voorafgaand aan het afvuren van de schoten op [slachtoffer 1] bij de schutter sprake is geweest van een moment van kalm beraad of rustig overleg. Nu de rechtbank voorbedachten rade bij de doodslag op [slachtoffer 1] niet bewezen acht, dient verdachte van het hem onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen van moord te worden vrijgesproken.

Wel acht de rechtbank op basis van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van doodslag welke is voorafgegaan door (een poging tot) diefstal met geweld en bedreiging. Deze doodslag diende kennelijk om zich (weer) te verzekeren van de sleutel van de auto waarmee verdachte en zijn medeverdachte de plaats van het misdrijf wilden verlaten teneinde aanhouding door de politie te voorkomen. Aldus diende deze doodslag om aan verdachten na ontdekking op heterdaad van hun (poging tot) beroving de straffeloosheid te verzekeren

De rechtbank acht op basis van deze feiten en omstandigheden bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1 subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht. Op dit feit is dezelfde maximumstraf gesteld als op moord, namelijk levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste 30 jaren.

4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht gelet op voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat:

hij op 13 januari 2008 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk, met een vuurwapen op/door het (boven-)lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening wegnemen van een hoeveelheid

(van een materiaal bevattende, althans gelijkende op) cocaïne, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan anderen dan aan hem, verdachte, en zijn mededader en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad , aan zichzelf en aan de andere deelnemer straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

5. De beoordeling van het bewijs

Feit 2, het overdragen van een vuurwapen

5.1 Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

5.2 het standpunt van de verdediging

De verdediging is van oordeel dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

5.3 het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen.

- de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1, voorzover opgenomen onder de kop 3.3.6. “Het vuurwapen”;

- de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1, voorzover opgenomen onder 3.3.11 het kopje “Identiteit van de man die “[medeverdachte]”, “[medeverdachte]” en “kleine” wordt genoemd”;

- een proces-verbaal van politie waaruit blijkt dat er sprake is van een vuurwapen Zastava 70 en munitie van categorie III ;

- een verklaring van de getuige [getuige 9], afgelegd op 4 juni 2009 ten overstaan van de rechter-commissaris, waaruit blijkt dat het wapen in Rotterdam is overgedragen (p.2) en dat dit plaats vond op 21 maart 2008 (p. 4) .

- Een verklaring van [X] waarin hij heeft verklaard dat er bij de aflevering van de Zastava twee patronen waren bijgeleverd

6. De bewezenverklaring

De rechtbank acht gelet op voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 2 ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat:

hij op 21 maart 2008 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een (vuur)wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Zastava,

model 70), en munitie van categorie III, te weten kogelpatro(o)n(en), heeft overgedragen aan [getuige 9].

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

7. De beoordeling van het bewijs

Feit 3, het bezit van een vuurwapen

7.1. het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

7.2. het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangegeven zich in deze te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

7.3 het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 6 april 2010 verklaard, zakelijk weergegeven, dat er bij zijn aanhouding een Beretta in zijn jaszak is aangetroffen.

De rechtbank ziet dit als een aanvulling op zijn bekennende verklaring van 17 april 2008 . De bekennende verklaring van verdachte wordt ondersteund door de volgende bewijsmiddelen:

- een proces-verbaal van doorzoeking van de woning waar verdachte verbleef en waar een vuurwapen met patroonhouder en patronen werden aangetroffen en in beslag genomen ;

- een proces-verbaal van de technische recherche waarin geconstateerd wordt dat het in beslag genomen wapen een vuurwapen is van het merk Beretta als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie en de bij het wapen aangetroffen patronen munitie betreft als bedoeld in artikel 2, tweede lid, Categorie III van de Wet wapens en munitie .

8. De bewezenverklaring

De rechtbank acht, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 3 ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat:

hij op 16 april 2008 te Hoogvliet, gemeente Rotterdam, een wapen

van categorie III, te weten een pistool (merk Beretta) en

munitie van categorie III, te weten patronen voorhanden heeft gehad;

9. De beoordeling van het bewijs

9.1. Feit 4, de poging gewapende overval op de [adres] te [woonplaats]

9.2. Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem onder 4 primair ten laste gelegde heeft begaan.

9.3. Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij –kort en zakelijk weergegeven- op het volgende.

a. de officier van justitie dient niet ontvankelijk verklaard te worden in zijn vervolging, omdat er door Antilliaanse politieambtenaren meineed is gepleegd;

b. er dient bewijsuitsluiting te volgen van alle opgenomen vertrouwelijke communicatie en de vruchten die daarvan geplukt zijn, omdat er geen schriftelijk bevel ex artikel 126l Sv is afgegeven;

c. de verklaringen, betrekking hebbende op de herkenningen van verdachten, zoals opgenomen in het dossier zijn onbetrouwbaar en kunnen daarom niet gebruikt worden voor de bewijsvoering;

d. de verklaring die [getuige 10] heeft afgelegd bij de politie mag niet gebruikt worden voor de bewezenverklaring, omdat de verdediging deze getuige, die door de rechtbank op verzoek van de verdediging was toegewezen, niet heeft kunnen horen;

e. het ter terechtzitting getoonde beeldmateriaal is niet betrouwbaar, omdat de verschillende opnames niet synchroon lopen in tijd;

f. de rechtbank kan niet komen tot een bewezenverklaring van een strafbare poging van diefstal met geweld, omdat er geen sprake is van een begin van uitvoering dan wel er sprake is van een vrijwillige terugtred van verdachte

9.4 Het oordeel van de rechtbank.

In de maanden januari en februari 2008 vinden er in Eindhoven enkele (pogingen tot) gewapende berovingen in woningen plaats . Bij twee van deze berovingen zijn dure horloges buit gemaakt. De berovingen of pogingen daartoe werden uitgevoerd door 2 Antilliaanse dan wel negroïde personen. Een van deze berovingen werd op 31 januari 2008 uitgevoerd in Eindhoven in de woning van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]. Daarbij werden zes kostbare horloges buit gemaakt . [slachtoffer 5] verklaart in dat kader dat hij zeker weet dat de - in [woonplaats] woonachtige - [E]n mensen naar zijn huis heeft gestuurd om hem en zijn gezinsleden te overvallen . Uit een verklaring van een andere aangever, [E], blijkt dat de personen die getroffen zijn door de (pogingen tot) gewapende overvallen in Eindhoven en omgeving elkaar allemaal kenden uit een café waar zij op vrijdagen bijeen kwamen .

Op 18 februari 2008 meldt genoemde [slachtoffer 5] zich bij de politie en overhandigt daarbij een CD-rom. [slachtoffer 5] verklaart daarbij dat hij de CD-rom van een kennis heeft gekregen en dat twee daders kennelijk geprobeerd hadden die kennis te overvallen .

Op deze CD-rom is beeldmateriaal opgeslagen, welk beeldmateriaal ook ter terechtzitting is getoond. De rechtbank heeft ter terechtzitting als eigen waarneming gezien dat op de beelden een auto komt aanrijden en vervolgens in een straat met woningen stopt. Uit deze auto stappen vervolgens twee donker gekleurde mannen. Zij steken de straat over en lopen in de richting van de plek waar de camera’s zich bevinden. Een van de mannen, gekleed in een lichte jas met 2 horizontale strepen op borsthoogte en donkere vlakken op de schouders, loopt vervolgens voor de andere man uit. Al lopende zet deze voorste man zijn capuchon op. Ook verricht de man ter hoogte van zijn middenlichaam handelingen met een zeer sterk op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Daarna loopt hij met het wapen in zijn rechterhand door. Op andere beelden vanaf deze zelfde CD-rom heeft de rechtbank als eigen waarneming gezien dat een donkergekleurde man, met een capuchon over zijn hoofd bij de voordeur van een woning staat. Hij is gekleed in een lichtgekleurde jas met horizontale strepen op borsthoogte (zeer waarschijnlijk ritsen van zakken) en zwarte vlakken op de schouders. Zichtbaar is dat hij ter hoogte van het midden van de voordeur en tevens ter hoogte van de bel met zijn handen enige handelingen verricht, mogelijk kloppen. Op een zeker moment kijkt deze man nagenoeg recht in een van de beveiligingscamera’s. De rechtbank heeft als eigen waarneming gezien dat deze man zeer grote uiterlijke overeenkomsten vertoont met de verdachte [medeverdachte]. Nadat de deur niet wordt geopend vertrekt de man bij de deur. Daarna lopen de beide mannen terug naar dezelfde auto als waarmee zij eerder waren aan- gekomen en rijden zij weg.

Bij nader onderzoek blijkt dat genoemde beelden opgenomen zijn door beveiligingscamera’s aan de woning van de [adres] te [woonplaats] . De bewoners van deze woning, [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2], willen onder meer uit angst voor represailles geen aangifte doen.

Bewoner [slachtoffer 2] heeft echter ten overstaan van de politie op 26 maart 2008 wel een verklaring afgelegd. Hij heeft daarbij verklaard dat hij op 6 februari 2008 om 22.30 uur thuis was en dat er toen werd aangebeld. Omdat hij niemand verwachtte, keek hij op de monitor van zijn beide bewakingscamera’s. Hij zag toen een hem onbekende man met Surinaams uiterlijk die zijn hoofd bedekt had met de capuchon van zijn jas. Hij heeft niet open gedaan omdat hij deze persoon niet kende en het niet vertrouwde. Toen hij de beelden van de beveiligingscamera’s terugkeek, zag hij dat een auto aan kwam rijden en daar twee personen uitstapten. Hij zag dat de man die aan zijn deur had gestaan een vuurwapen had doorgeladen en achter zijn broeksband stak en daarna bij de woning aanbelde . Gezien deze verklaring en de overeenkomsten tussen hetgeen [slachtoffer 2] verklaart en hetgeen zichtbaar is op de beelden staat het voor de rechtbank buiten redelijke twijfel dat het hiervoor beschreven beeldmateriaal betrekking heeft op de door [slachtoffer 2] beschreven gebeurtenissen van 6 februari 2008, omstreeks 22.30 uur.

De beelden die op de CD-rom staan, zijn op 6 april 2008 ook getoond in het televisieprogramma Opsporing Verzocht in het kader van een verzoek om publiekshulp bij het oplossen van een serie van 5 gewapende overvallen in en rond Eindhoven .

Verdachte [verdachte] is op 27 mei 2008 aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de moord c.q. doodslag op [slachtoffer 1] en is daarna in voorlopige hechtenis genomen. In het kader van het onderzoek in deze zaak zijn diverse gesprekken die [verdachte] in de penitentiaire inrichting met bezoekers voerde opgenomen met inzet van het opsporingsmiddel Opnemen Vertrouwelijke Communicatie (OVC). Uit deze opnamen blijkt dat in een aantal van deze gesprekken wordt gerefereerd aan hetgeen te zien was in genoemde uitzending van Opsporing Verzocht. Op deze beelden zou een persoon genaamd [medeverdachte] te zien zijn.

In dit kader acht de rechtbank de volgende passages uit het op 10 juni 2008 in de PI Demersluis opgenomen gesprek tussen [verdachte] en de met hem bevriende [Y], voor de bewijsvoering relevant:

[Y]: (…) jullie hebben zes overvallen gepleegd..op een kamp..ze hebben [medeverdachte] op camera..het horloge…(…) jij en ik hebben die dag naar Opsporing verzocht zitten kijken en je hebt mij niets gezegd.

[verdachte]: je hebt die horloges toch gezien? (…) Daarom moet hij mij nog zestigduizend geven… hij heeft [medeverdachte] en mij twintig gegeven, dat moesten we door tweeën delen (…).

[Y]: maar ze hebben [medeverdachte] gezien, jou hebben ze niet gezien(..)

Op 19 juni 2008 voert [verdachte] in de PI Demersluis een gesprek met een andere vriendin, genaamd [J], en zijn zus [A]. Ook dit gesprek is opgenomen . De rechtbank acht de navolgende passages uit dit gesprek voor de bewijsvoering relevant:

[verdachte]: je weet toch laatst was toch Opsporing verzocht(…).

[A]: Shine heeft tegen iedereen gezegd dat hij [medeverdachte] gezien heeft, maar dat je jou niet kan zien, doordat jij lang bent.

[A]: maar ze hebben het van de televisie gehaald. Als ze het van de televisie hebben gehaald dan betekent het dat ze de dader hebben.

[verdachte]: de dader hebben, of ze weten het

[A]: het is een lul. Hij stond met zijn hoofd in die ding.

[verdachte]: ja en die mannetje hij moet mij nog 30 doezoe geven (…) die mannetje van [woonplaats], daarom .

(….)

Op 8 juli 2008 krijgt [verdachte] in de PI Demersluis bezoek van de reeds genoemde [Y]. Uit het (opgenomen ) gesprek dat [verdachte] en [Y] vervolgens voerden, acht de rechtbank de navolgende passages van belang.

[verdachte]: (…) [medeverdachte] zegt steeds: “”rustig broeder, ik kom, rustig, ik zal je niet teleurstellen/voor je opkomen. Ik zei tegen hem: niets rustig, snap je broeder, handel het eens een keer af, het duurt te lang. Ik weet het ook niet hoor. Maar deze kut…. het kan ook zijn dat hij via Schiphol komt en dat ze hem gewoon aanhouden op het andere ding van televisie (…) .

Bij de beoordeling van voorgaande gesprekken heeft de rechtbank tevens betrokken dat verdachte [medeverdachte] vanaf 25 maart 2008 tot 13 juli 2008, het moment waarop hij na zijn aanhouding aldaar is overgebracht naar Nederland, op Curaçao, verbleef.

Uit het dossier blijkt voorts dat politieambtenaar [B] verklaard heeft dat hij de persoon die op de beelden bij de voordeur in de camera kijkt, herkent als de hen ambtshalve bekende[medeverdachte]. Daarnaast blijkt dat diverse personen uit de directe omgeving van [medeverdachte], te weten [getuige 10] , [getuige 11] en [C] , de vrouw met wie hij in de betreffende periode een relatie had, hebben verklaard dat zij de persoon die op de beelden staat en die bij de voordeur in de camera kijkt, herkennen als de verdachte [medeverdachte].

De rechtbank is op basis van voorgaande feiten en omstandigheden van oordeel dat het buiten redelijke twijfel is dat de man die op de CD-rom beelden bij de voordeur van de woning zichtbaar is de verdachte [medeverdachte] is. De rechtbank merkt hierbij op dat [medeverdachte] zelf stelselmatig heeft geweigerd op vragen ter zake te antwoorden. Ook anderszins heeft hij geen enkele verklaring gegeven, of toelichting verschaft, welke deze conclusie, of de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden, zou kunnen ontzenuwen.

[C] heeft voorts verklaard dat haar toenmalige vriend [medeverdachte], met wie zij zonder twijfel [medeverdachte] bedoelt , in januari/februari 2008 elke keer als hij bij haar thuis was, en dit was in die periode dagelijks, een - naar haar mening echt - zwart pistool bij zich droeg . Hij droeg het tussen lichaam en broeksband .

Op basis van deze verklaringen van [C], bezien in combinatie met hetgeen door de rechtbank als eigen waarneming is gezien op het beeldmateriaal, concludeert de rechtbank dat [medeverdachte] toen hij op 6 februari naar de woning toeliep een pistool in zijn hand(en) had en dit doorlaadde. Deze conclusie komt ook overeen met de waarnemingen van de politieambtenaar [D] en die van de bewoner [slachtoffer 2] .

Aangaande de betrokkenheid van medeverdachte [verdachte] overweegt de rechtbank dat de getuige [getuige 11] zowel ten overstaan van de politie als ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard, dat hij naast [medeverdachte] ook [verdachte] op de beelden herkent, en wel als de daarop als tweede zichtbare man . [getuige 11] verklaart zeker te zijn van zijn herkenning en verklaart [verdachte] onder meer te herkennen aan zijn loopje. Hij verklaart daarover “Niemand loopt zoals [verdachte].”

De politieambtenaren [D] en [B] verklaren dat de tweede man op de beelden een zeer sterke gelijkenis vertoont met [verdachte], en onder meer ook zijn zeer specifieke manier van lopen heeft. De getuige [getuige 10] verklaart dat de lange man die op de beelden is te zien [verdachte] moet zijn geweest: “Dit gezien zijn lengte, mager postuur en manier van lopen. Hij zet zijn voeten namelijk naar buiten tijdens het lopen” .

De rechtbank overweegt hierbij tevens dat zij als eigen waarneming heeft gezien dat verdachte [verdachte] aanmerkelijk langer is dan verdachte [medeverdachte].

Uit telecomgegevens blijkt voorts dat de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] op 6 februari 2008 en in de 4 weken daaraan voorafgaand (zeer) veelvuldig telefooncontact met elkaar hebben .

Van in ieder geval een aantal gesprekken dat [verdachte] en [medeverdachte] op 6 februari 2008 via bij hen in gebruik zijnde telefoonnummers voeren zijn de bijbehorende paallokaties bekend. Dit betreft het nummer [nummer] voor [verdachte] en [nummer] voor [medeverdachte]. Uit deze paallocaties blijkt dat de telefoons die bij de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] in gebruik zijn zich beide op 6 februari 2008 onafhankelijk van elkaar aan het begin van de avond van Rotterdam naar Eindhoven bewegen. [medeverdachte] bevindt zich om 19:53 uur in de onmiddellijke nabijheid van Eindhoven en [verdachte] om 19:40 uur in de omgeving van Moergestel, dat is gelegen tussen Tilburg en Eindhoven.

Voorts blijkt uit voormelde paal- c.q. tapgegevens dat [verdachte] zich in ieder geval op 6 februari 2008 om 23.31 uur, ongeveer 60-70 minuten nadat bij de woning aan de [adres] is aangebeld (22.30 uur), in Eindhoven bevindt. [verdachte] vraagt dan aan [E] “of hij met ontbijt heeft gedaan”, waarop [E] zegt: “met ontbijt tussen zeven uur en half elf” . Even later, om 23.40 uur, belt [verdachte] vervolgens met [medeverdachte]. Ook tijdens dat gesprek bevindt [verdachte] zich in Eindhoven. [verdachte] vraagt [medeverdachte] in dat gesprek of hij een tosti moet bestellen, waarop hoorbaar is dat [verdachte] bij een mevrouw 2 tosti’s bestelt en [medeverdachte] zegt dat hij eraan komt. . De rechtbank concludeert hieruit dat [medeverdachte] en [verdachte] zich op dat moment zeer dicht bij elkaar in Eindhoven bevonden, zeer waarschijnlijk in een hotel dat voor hen door [E] is geregeld.

Voorts is gebleken dat een vriendin van [verdachte], [getuige 12], op 6 februari 2008 om 16.45 uur een auto, een grijze Peugeot 307 heeft gehuurd . Zij heeft voorts verklaard deze auto aan [verdachte] te hebben gegeven . [verdachte] heeft ter terechtzitting bevestigd dat [getuige 12] inderdaad regelmatig auto’s voor hem huurde. Op de CR-rom beelden is zichtbaar dat de beide mannen op de beelden uit een auto stappen (en daar ook later weer mee vertrekken), welke naar de waarneming van de rechtbank grote overeenkomsten vertoont met een Peugeot 307.

De rechtbank zal deze laatste waarneming echter niet laten meewegen in de bewijsvoering nu deze waarneming niet wordt ondersteund door een wettig bewijsmiddel. Ook niet nu het uiterlijk van een Peugeot 307 met de huidige mogelijkheden van zoekmachines op de computer wellicht als een feit van algemene bekendheid kan worden verondersteld. De rechtbank merkt echter op dat uit het voorgaande volgt, dat aan het beeldmateriaal, in het bijzonder aan de daarop zichtbare auto ook geen ontlastend bewijs ten aanzien van verdachte en zijn medeverdachte kan worden ontleend.

Uit onder meer de hiervoor genoemde OVC-gesprekken d.d. 10 en 19 juni 2008, alsook uit de bewezenverklaring ter zake van het medeplegen van de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1], kan voorts worden afgeleid dat [verdachte] zich kennelijk, in ieder geval deels ook samen met [medeverdachte], –ook in de hier betreffende periode- heeft beziggehouden met het plegen van berovingen, in welk verband [verdachte] meent nog aanzienlijke geldbedragen tegoed te hebben van een man uit [woonplaats]. Deze indruk wordt nog versterkt door een aantal SMS’jes die [verdachte] op 15 april 2008 heeft gezonden aan (een nummer in gebruik bij) de in [woonplaats] woonachtige [E], met als inhoud onder meer: “we gaan allemaal branden voor die horlosens en jij bent tipgever en heb ons tewijnig gege”. ) Daarna spreken [verdachte] en [E] erover dat een en ander geregeld moet worden.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het buiten redelijke twijfel is, dat [verdachte] de tweede op de beelden zichtbare man is. De rechtbank merkt hierbij op dat [verdachte] stelselmatig heeft geweigerd op vragen ter zake te antwoorden en ook anderszins geen enkele verklaring heeft gegeven, of toelichting heeft verschaft, welke deze conclusie, of de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden, zou kunnen ontzenuwen.

9.5. Nadere overweging betreffende de ontvankelijkheid van de officier van Justitie

Het hieronder te bespreken verweer is niet expliciet voorgedragen door de raadsman van verdachte. De rechtbank zal het echter beschouwen als voorgedragen door de raadsman nu de raadslieden gedurende de gehele procedure zich over en weer bij elkaars pleidooien hebben aangesloten en de rechtbank hiervoor toestemming hebben gevraagd.

Door de verdediging is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de officier van justitie in de zaak betreffende de [adres] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien een drietal Antilliaanse politieambtenaren meineed zouden hebben gepleegd. Zij zouden dit hebben gedaan door onder ede in strijd met de waarheid te verklaren omtrent de gang van zaken rond de herkenning van [medeverdachte]. In het bijzonder zouden zij hebben gelogen over de wijze waarop zij hun processen-verbaal ter zake van die herkenning hebben opgemaakt. Aan de verdediging kan worden toegegeven, dat er in de verklaringen bij de rechter-commissaris van bedoelde drie Antilliaanse politieambtenaren sprake is van onderlinge ongerijmdheden c.q. inconsistenties.

Uit het voorgaande kan echter naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat sprake is geweest van (welbewust) onwaarheid spreken. Evenmin is aannemelijk geworden dat sprake is geweest van handelen waardoor een ernstige inbreuk zou zijn gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling tekort is gedaan. Het verweer van de verdediging, inhoudende niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie wordt dan ook verworpen.

In de gesignaleerde onderlinge ongerijmdheden en inconsistenties ziet de rechtbank echter wel aanleiding om de verklaringen van de opsporingsambtenaren [F], [G], [H], voorzover inhoudende dat zij [medeverdachte] (van beeld- c.q. fotomateriaal) herkenden, thans niet voor het bewijs te bezigen.

9.6 Bewijsoverwegingen en bespreking verweren

9.6.1 Toelaatbaarheid met behulp van OVC opgenomen gesprekken.

De rechtbank acht de met behulp van een OVC in een penitentiaire inrichting opgenomen gesprekken waarbij [verdachte] betrokken was ook in het kader van de bewijsvoering ter zake van het onderhavige telastegelegde feit toelaatbaar. Hierbij verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor dienaangaande is overwogen onder 3.3.10 in de zaak Twist hetwelk -voorzover nodig- hier als woordelijk herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

9.6.2 Betrouwbaarheid herkenningen

Door de verdediging is aangevoerd dat de zich in het dossier bevindende verklaringen die een herkenning op de CD-rombeelden van verdachte [medeverdachte] inhouden onbetrouwbaar zijn en daardoor niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. De verdediging verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt daarbij onder meer naar een rapport van de deskundige prof. dr. P.J. van Koppen. Deze deskundige concludeert dat alle herkenningen van [medeverdachte] als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt omdat sprake zou zijn van het zogenaamde ’verwachtingseffect”. De rechtbank constateert echter dat de deskundige in zijn rapportage ten aanzien van een aantal getuigen in zijn rapport onder meer aangeeft dat hij de betrouwbaarheid van hun verklaringen niet goed kan beoordelen, omdat hij niet weet in hoeverre deze getuigen wisten dat zij verdachte [medeverdachte] te zien zouden krijgen. In dit licht acht de rechtbank het opmerkelijk dat de deskundige zich vervolgens in de conclusies van zijn rapport wel in staat acht tot het geven van een -zelfs zeer uitgesproken- oordeel omtrent de betrouwbaarheid van ook deze getuigenverklaringen. Zulks klemt te meer nu blijkt dat de deskundige daarbij kennelijk aanneemt dat de getuigen telkenmale vooraf wisten dat zij [medeverdachte] te zien zouden krijgen. De rechtbank constateert dat deze aanname in ieder geval niet gedragen wordt door de inhoud van de verklaringen die diverse van deze getuigen, waaronder [getuige 11] en [getuige 10], betreffende de herkenning hebben afgelegd en dat daar veeleer het tegendeel uit kan worden afgeleid .

Gezien deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de –stellige- conclusies van de deskundige onvoldoende gedragen worden door de feiten. Om deze reden kan aan die conclusies ook niet die waarde worden toegekend welke door de verdediging wordt voorgestaan. De rechtbank ziet verder geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de herkenningen van [medeverdachte] door de hiervoor genoemde getuigen.

9.6.3.Toelaatbaarheid getuigenverklaring [getuige 10]

De verdediging heeft –zakelijk weergeven- aangevoerd dat de verklaring van [getuige 10] niet tot het bewijs mag meewerken, nu de verdediging deze getuige niet heeft kunnen ondervragen. Het desondanks tot het bewijs bezigen van de verklaring van deze getuige zou in de visie van de verdediging strijdig zijn met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank miskent de verdediging hierbij dat uit de rechtspraak inzake artikel 6 EVRM van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens geenszins de algemene regel kan worden afgeleid dat de verklaring van een getuige slechts tot het bewijs kan worden gebezigd als de verdediging deze getuige heeft kunnen ondervragen. Integendeel, uit deze rechtspraak blijkt dat alleen indien een veroordeling in overwegende mate (“to a decisive extent”) gebaseerd zou zijn op de verklaring van een bepaalde getuige, het recht op een eerlijk proces vergt dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld deze getuige te kunnen ondervragen, alvorens de verklaring van deze getuige voor het bewijs wordt gebruikt. Zoals uit het voorgaande blijkt, staat de verklaring van [getuige 10] echter geenszins op zichzelf, nu deze onder meer wordt ondersteund door beeldmateriaal, meerdere verklaringen van anderen en door opgenomen gesprekken waaraan [verdachte] zelf deelneemt. Mitsdien is er geen sprake van dat het bewijs omtrent de betrokkenheid van verdachte bij dit hem telastegelegde feit in overwegende mate zou zijn gebaseerd op de verklaring van [getuige 10]. Geen rechtsregel verzet zich dan ook tegen het gebruik van de verklaring van [getuige 10] voor het bewijs tegen verdachten. De rechtbank verwerpt dan ook het andersluidende verweer van de verdediging.

9.6.4. Betrouwbaarheid beeldmateriaal

Door de verdediging is verder –zakelijk weergegeven- aangevoerd, dat het beeldmateriaal op basis waarvan diverse personen zeggen verdachte [medeverdachte] te hebben herkend onbetrouwbaar is, aangezien de verschillende opnamen qua tijdsduur niet synchroon lopen en het ene fragment aanmerkelijk langer blijkt te zijn dan het andere. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 13 april 2010 blijkt dat [slachtoffer 2] ten overstaan van de politie heeft verklaard dat de bewakingscamera’s geplaatst aan de woning aan de [adres] te [woonplaats] waren voorzien van een sensor. De recorder werd geactiveerd op het moment dat door de sensoren beweging werd waargenomen binnen het bereik van die sensoren. Naar het oordeel van de rechtbank verklaart deze wijze van opname afdoende het geconstateerde verschil in duur van de opnamen. De rechtbank acht het derhalve ook niet noodzakelijk dat ter zake nog nader getuigen worden gehoord, en een nader onderzoek wordt ingesteld naar de camera’s, zoals door de verdediging (voorwaardelijk) is verzocht. De rechtbank wijst het daartoe strekkende verzoek dan ook af.

9.6.5.Geen strafbare poging tot diefstal met geweld

Door de verdediging is voorts aangevoerd, dat hetgeen op de beelden zichtbaar is en anderszins blijkt met betrekking tot dit tenlastegelegde feit, niet kan leiden tot de conclusie dat er sprake is van een strafbare poging tot diefstal met geweld. Zulks omdat geen sprake zou zijn van een begin van uitvoering dan wel van een vrijwillig terugtreden door betrokkene.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit het voorgaande blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] op 6 februari 2008 om half elf ‘s avonds met een auto zijn aangekomen in de [adres] in [woonplaats]. Beiden stappen daarop uit en lopen in de richting van de woning aldaar van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. [verdachte] en [medeverdachte] hebben geen afspraak met hen en zijn niet persoonlijk met hen bekend. Het laatste stuk naar de voordeur van de woning loopt [medeverdachte] vooruit. [medeverdachte] trekt daarbij een donkere capuchon over zijn hoofd. Al lopende naar de woning neemt hij een pistool ter hand en laadt hij dit door. Daarna belt hij bij de woning aan . Zoals hiervoor reeds is gesteld, is bovendien gebleken dat [verdachte] en [medeverdachte] zich in dezelfde periode bezighielden met het gezamenlijk plegen van gewapende berovingen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit voorgaande feiten en omstandigheden redelijkerwijs niet anders worden afgeleid dan dat –kennelijk in het kader van een daartoe vooraf met [verdachte] en mogelijk nog met anderen gemaakte afspraak- [medeverdachte] bij de woning aanbelde met het voornemen de bewoners met geweld of bedreiging met geweld geld en/of goederen afhandig te maken. In genoemde handelingen, zeker in onderlinge samenhang bezien, ligt naar het oordeel van de rechtbank tevens besloten dat sprake is van een begin van uitvoering van een poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld . De rechtbank heeft bij dit oordeel mede betrokken dat [medeverdachte] en [verdachte] geen enkele verklaring of toelichting hebben kunnen of willen geven welke deze conclusie, of de redengevendheid van de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden, zou kunnen ontzenuwen.

De rechtbank constateert voorts dat de uitvoering van het voornemen van verdachten om de bewoners van de woning aan de [adres] te overvallen slechts is verhinderd doordat de bewoners, gewaarschuwd door hetgeen zij op de beveiligingscamera’s zagen, ook na aanbellen de deur niet openden. Dit is een van de wil van verdachten onafhankelijke omstandigheid. Reeds om die reden is de rechtbank van oordeel dat een vrijwillig terugtreden door de verdachten [medeverdachte] en/of [verdachte] niet aannemelijk is geworden. Het daartoe strekkende verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

10. De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

4.

Primair

hij op of omstreeks 06 februari 2008 te Eindhoven, tezamen en in

vereniging met een ander , ter uitvoering van het

door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of goederen van hun

gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en / of

te doen vergezellen en / of te doen volgen van geweld en / of bedreiging met

geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], te plegen met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en / of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk zich en (een) ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te

dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen van zijn/hun gading, , geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3],

als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader

- met een auto naar de woning van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (gelegen aan de

[adres]) gereden en

- vervolgens uit die auto gestapt en in de richting van die woning

gelopen en

- (al lopende) een capuchon over zijn hoofd getrokken en

- een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) ter hand genomen en

- vervolgens dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) doorgeladen en

- met dat vuurwapen aangebeld bij die woning

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

11. De beoordeling van het bewijs

Feit 5, poging gewapende overval in de woning aan de [adres] te [woonplaats]

11.1 Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie en de verdediging achten niet bewezen dat verdachte het hem onder 5 ten laste gelegde heeft begaan.

11.2. Het oordeel van de rechtbank:

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

12. De beoordeling van het bewijs

BREDA

Feit 6, Diefstal met geweld op 13 februari 2008 te Breda

12.1 het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 6 ten laste gelegde heeft begaan.

12.2 het standpunt van de verdediging

De verdediging is van oordeel dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft daartoe aangevoerd dat de aangevers c.q. getuigen niet eenduidig zijn in hun verklaringen over de gebeurtenissen die plaats hebben gevonden in de auto.

12.3 het oordeel van de rechtbank

Op 13 februari 2008 heeft [slachtoffer 6] (aangever) aangifte gedaan van een gewelddadige beroving gepleegd op 13 februari 2008, omstreeks 16.50 uur, op de [adres] in [woonplaats] . Aangever heeft verklaard dat hij die dag samen met zijn vrienden [slachtoffer 8] en [slachtoffer 8] met de auto naar Breda is gereden. Aangever is die dag naar Breda gegaan, omdat hij daar mobiele telefoons wilde kopen van een - hem onbekende - man. Hij had daartoe vooraf met die man telefonisch een afspraak gemaakt

Aangever heeft voorts verklaard dat de man in Breda bij hem en zijn vrienden in de auto is gestapt. Vervolgens heeft hij de man € 200,- betaald in ruil waarvoor hij mobiele telefoons van het merk Nokia zou krijgen. Na de betaling haalde de man echter een vuurwapen uit zijn rechter jaszak en laadde dit wapen door . De man hield het wapen gericht op aangever en heeft hem en zijn vrienden gezegd dat zij hun handen achter hun hoofd in de nek moesten leggen. Vervolgens heeft de man volgens aangever de mobiele telefoon van aangever gepakt en zijn gouden ketting van zijn nek gerukt. De man heeft vervolgens de auto van aangever verlaten, is achter in dezelfde auto gestapt als waar hij zelf mee gekomen was en is weggereden. De auto waarin de man vetrok was een grijze Ford. [slachtoffer 7] noteerde het kenteken van deze auto: [kenteken] .

Deze aangifte van [slachtoffer 6] wordt ondersteund door de verklaringen van [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] . [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] hebben onder meer verklaard dat:

- zij op 13 februari 2008 samen met [slachtoffer 6] naar Breda zijn gereden;

- [slachtoffer 6] een afspraak met een man had gemaakt om een telefoon te kopen;

- de man in een auto aankwam met daarin nog twee donkergekleurde personen;

- er een man in de auto stapte die € 200,- betaald is in ruil voor mobiele telefoons;

- die man een Antilliaans uiterlijk had, ongeveer 1.90m lang was en ongeveer 27 jaar oud;

- de man een vuurwapen uit zijn rechterjaszak pakte en dit doorlaadde;

- de man het vuurwapen op [slachtoffer 6] gericht hield;

- iedereen van hem de handen in de nek moest doen;

- de man de ketting van [slachtoffer 6] van zijn nek trok;

- zij hun mobiele telefoons aan de man hebben moeten afgeven.

- [slachtoffer 8] heeft voorts nog verklaard dat de man daarbij zei: “geef met 1 hand je telefoon aan in een rustige beweging want anders krijg je die kogel” .

De auto met het kenteken [kenteken] waarin de dader van de overval is vertrokken, blijkt na raadpleging van de RDW een Ford Focus huurauto te zijn . Deze auto was op naam gesteld van [autoverhuurbedrijf] en was op 13 februari 2008 verhuurd aan [getuige 12] . Deze [getuige 12] heeft verklaard meerdere keren bij [autoverhuurbedrijf] auto’s te hebben gehuurd voor [verdachte]. [verdachte] heeft dit ook ter terechtzitting bevestigd. Meer in het bijzonder heeft [getuige 12] verklaard dat zij in die periode ook een Ford Focus voor [verdachte] heeft gehuurd. Zij verklaart verder dat zij nadat zij deze Ford Focus had ontvangen van de verhuurder, deze auto direct al bij de verhuurder aan [verdachte] heeft gegeven. Vervolgens zag zij pas een week later de auto weer terug .

Dat [verdachte] degene was die deze auto, al dan niet alleen, ook ten tijde van de overval gebruikte, blijkt allereerst uit het feit dat aangever [slachtoffer 6] tijdens een zogenaamde fotoconfrontatie verdachte [verdachte] voor 100% herkent als de dader van de betreffende gewapende beroving .

Voorts heeft een politieobservatieteam waargenomen dat de Ford Focus [kenteken], met daarin drie donkergekleurde mannen, zich op 13 februari 2008 omstreeks 16.44 uur bevond op de Backer en Ruebweg te Breda en reed in de richting van Rotterdam . De Backer en Ruebweg bevindt zich ongeveer 800 meter van de Willemstraat. Het observatieteam zag even later, om 17.34 uur, dat verdachte [verdachte] deze auto bestuurde .

Ook anderszins kan [verdachte] op 13 februari 2008 in Breda en bij aangever [slachtoffer 6] worden geplaatst. [slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij op 13 februari 2008 na 16.00 uur gebeld heeft naar “de onbekende man” om hem te vragen waar hij bleef. De onbekende man vertelde hem toen dat hij ter hoogte van het NAC stadion reed . Uit tapgegevens betreffende de telefoon van [verdachte] blijkt dat hij op 12 en 13 februari 2008 telefonisch contact had met een mobiele telefoon met telefoonnummer [nummer]. Dit telefoonnummer is van aangever [slachtoffer 6] . [verdachte] heeft in een gesprek op 13 februari 2008 om 16.24 uur verteld dat hij bij het NAC stadion was .

Voorts bevindt zich in het dossier een door de politie door inzet van het bijzondere opsporingsmiddel ”Opnemen vertrouwelijke communicatie” (OVC) opgenomen gesprek tussen [verdachte] en een vriend van verdachte - [I] – van 1 juli 2008. [verdachte] zegt hierin, voor zover van belang, het volgende:

“niet alleen voor die moord, maar nog andere zaken, ’n mannetje…hun zeggen, hun zeggen, ik ging een mannetje in Breda rippen…Maar hij zegt ik heb zijn telefoon en ketting gepakt, maar zo is het niet gegaan… Ik ging troep bij hem kopen, halve kilo, toen had ik hem gehakt, begrijp je, hij heeft geen telefoon(…).

Ik denk misschien mischien een jaartje of zo voor die gozer die zegt dat ik ketting en horloge heb gepakt begrijp je, maar als ik, maar als ik tegen de politie ga zeggen wat (…)

Als ik ga zeggen dat ik drugs van hem ging afpakken, snap je dat, snap je, Ik weet niet wat er gaat gebeuren”.

Op basis van voorgaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan de hem in de dagvaarding onder 6 telastegelegde diefstal met geweld en bedreiging met geweld. De rechtbank merkt hierbij op dat verdachte stelselmatig heeft geweigerd op vragen ter zake te antwoorden en ook anderszins geen enkele verklaring heeft gegeven, of toelichting heeft verschaft, welke deze conclusie, of de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden, zou kunnen ontzenuwen.

12.4 Bewijsoverwegingen en bespreking verweren

12.4.1.Toelaatbaarheid met behulp van OVC opgenomen gesprekken.

De rechtbank acht de met behulp van een OVC in een penitentiaire inrichting opgenomen gesprekken waarbij [verdachte] betrokken was ook in het kader van de bewijsvoering ter zake van het onderhavige telastegelegde feit toelaatbaar. Hierbij verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor dienaangaande is overwogen onder 3.4.1. betreffende de zaak TWIST, hetwelk –voorzover nodig- hier als woordelijk herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

12.4.2. Weggenomen geld en/of goederen

Uit het voorgaande blijkt dat aangever en twee getuigen spreken van het wegnemen van geld, drie telefoons en een halsketting. Verdachte zelf lijkt in het hierboven deels weergegeven OVC gesprek er op te doelen dat hij aangever [slachtoffer 6] en de getuigen niet de door hen genoemde goederen heeft weggenomen, maar een halve kilo verdovende middelen. De verdediging heeft aangegeven dat de verklaring van aangevers daarom ongeloofwaardig is en derhalve vrijspraak moet volgen. De rechtbank verwerpt dit verweer, omdat uit voorgaande bewijsmiddelen blijkt dat verdachte [verdachte] in ieder geval enig goed van aangever [slachtoffer 6] heeft weggenomen.

13. De bewezenverklaring.

hij op 13 februari 2008 te Breda,met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

heeft weggenomen enig goed toebehorende aan

[slachtoffer 6] , welke diefstal

werd vergezeld van geweld en bedreiging

met geweld tegen [slachtoffer 6] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal

gemakkelijk te maken

welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte

- terwijl hij, verdachte samen met die [slachtoffer 6]

en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] in een auto zat

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ter hand

heeft genomen en- dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft

doorgeladen en

- (vervolgens) dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

op die [slachtoffer 6] heeft gericht en gericht gehouden en- (daarbij) tegen die [slachtoffer 6] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] heeft/

gezegd: "handen achter je hoofd of in je nek" en/of "geef je telefoon aan

in een rustige beweging want anders krijg je die kogel", althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking

14. De strafbaarheid 14.1 De strafbaarheid van de feiten Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1, subsidiair: Doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 31, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

Feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Feit 4 (primair):

Poging tot diefstal voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken of het bezit van het gestolene te verzekeren

en/of afpersing.

Feit 6:

Diefstal vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken

14.2 De strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

15. De strafoplegging De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van wat hij bewezen acht, gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien jaren. Daarbij heeft de officier van justitie ondermeer gewezen op de zeer ernstige en onherstelbare gevolgen voor de nabestaanden van [slachtoffer 1], de omstandigheid dat verdachte kort na de levensberoving van [slachtoffer 1] zich opnieuw, met gebruikmaking van een vuurwapen, schuldig heeft gemaakt aan (pogingen tot) berovingen en dat verdachte door zijn proceshouding daarvoor geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen. Voorts heeft de officier van justitie er op gewezen dat verdachte in verband met gepleegde berovingen eerder veroordeeld is tot onvoorwaardelijke jeugddetentie.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, behoudens ten aanzien van het feit dat hij op16 april 2008 een vuurwapen voorhanden heeft gehad (feit 3 van de dagvaarding) geconcludeerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal zeer ernstige feiten. Hij heeft zonder mededogen op 13 januari 2008, samen met de medeverdachte [medeverdachte], op de openbare weg [slachtoffer 1] met een vuurwapen om het leven gebracht. Daarmee heeft verdachte, zoals kan worden geconcludeerd uit de verklaringen van de getuigen die van nabij hebben gezien dat dit feit werd gepleegd, de rechtsorde ernstig geschokt. Voorts blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring hoe verdachte daarmee onherstelbaar leed heeft toegebracht aan de echtgenote en de zeer jonge kinderen van het slachtoffer [slachtoffer 1], alsmede aan zijn andere familieleden. Zij zullen verder moeten zonder hun man, vader, zoon of broer.

Het gebruikte vuurwapen heeft verdachte later verkocht.

Tijdens zijn aanhouding op 16 april 2008 in Hoogvliet is er bij verdachte in de woning een vuurwapen aangetroffen.

Voorts heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank op 6 februari 2008 in Eindhoven, samen met [medeverdachte] met wie hij ook feit 1 heeft gepleegd, schuldig gemaakt aan een poging tot beroving - met gebruikmaking van een doorgeladen vuurwapen - van in een woning verblijvende personen.

Op 13 februari 2008 heeft verdachte zich in Breda schuldig gemaakt aan diefstal van een goed of goederen. Bij deze diefstal heeft verdachte geweld gebruikt en dat versterkt door gebruik te maken van een doorgeladen vuurwapen.

Bij de beoordeling van deze zaak heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie meerdere keren is veroordeeld, waaronder op 20 december 2005 door de Rechtbank te Rotterdam tot 7 maanden jeugddetentie wegens diefstal met geweld en op 28 december 2006 door het Gerechtshof te Den Haag wegens soortgelijke feiten tot jeugddetentie voor de duur van 9 maanden.

Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte, zowel bij de politie als tijdens het onderzoek voorafgaande aan de zitting en ter terechtzitting, zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Ook aan een onderzoek naar zijn persoonlijkheid heeft verdachte niet mee willen werken. Verdachte is in het Pieter Baan Centrum geobserveerd. Daarbij zijn door de gedragsdeskundigen geen aanwijzingen gevonden voor psychotische symptomen, zodat volgens hen van een weigering om mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek op pathologische gronden niet kan worden gesproken. Op grond van de beperkte onderzoekgegevens werd door de deskundigen onvoldoende informatie verkregen over verdachte als persoon en was het niet mogelijk op grond daarvan een stoornis vast te stellen.

Op zich is het niet meewerken aan het onderzoek in de meest brede zin van het woord een goed recht van verdachte. Het gevolg daarvan is echter dat de rechtbank op geen enkele manier inzicht heeft kunnen krijgen in de motieven en geestesgesteldheid van verdachte. Nu aanknopingspunten die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden geheel ontbreken moet de rechtbank er tevens van uit gaan dat de bewezen verklaarde feiten geheel aan verdachte kunnen worden toegerekend .

Uit het dossier komt echter het beeld naar voren van verdachte als een man die al op jonge leeftijd heeft gekozen voor criminele activiteiten om in zijn inkomen te voorzien, waarbij hij vuurwapengeweld op geen enkele manier schuwt en de gevolgen daarvan als een kennelijk acceptabel bedrijfsrisico beschouwt. Als gevolg daarvan moet de rechtbank er van uit gaan dat de bewezen verklaarde feiten geheel aan verdachte kunnen worden toegerekend nu aanknopingspunten die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden geheel ontbreken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vanuit een oogpunt van vergelding en beveiliging van de samenleving een langdurige gevangenisstraf van na te melden duur op zijn plaats is. In het kader van de beveiliging van de samenleving overweegt de rechtbank dat te zijner tijd bij een voorwaardelijke invrijheidstelling er recidivebeperkende voorwaarden aan die invrijheidstelling kunnen worden gesteld.

De rechtbank heeft bij de strafbepaling geen rekening gehouden met het ad informandum gevoegde feiten nu verdachte ontkend heeft dit feit gepleegd te hebben

16. De benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer 9] vordert een schadevergoeding van € 16.023,91 voor feit 1 in de zaak met parketnummer 16/711030-08.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 6.023,91 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Verder heeft de benadeelde partij immateriële schade gevorderd, kennelijk strekkende tot het toekennen van een vergoeding voor zogenaamde shockschade. De jurisprudentie inzake de (mate van) toewijsbaarheid van een dergelijke vordering bij de burgerlijke rechter is thans sterk in beweging en is bepaald niet eenduidig. De meervoudige strafkamer is daarom van oordeel dat deze vordering niet zo eenvoudig van aard is, dat zij zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De rechtbank acht de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk in dit deel van haar vordering. Voor dit deel kan de benadeelde partij desgewenst haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De benadeelde partijen [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] vorderen een schadevergoeding van respectievelijk € 38.412, - en € 115.047,50 voor feit 2 in de zaak met parketnummer 16/600905-08.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering.

17. De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 288, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 18. De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het op de dagvaarding onder 1 primair en het onder 5 tenlastegelegde; Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4, 6, 8, 10 en 13 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: Feit 1, subsidiair: Doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 31, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

Feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Feit 4 (primair):

Poging tot diefstal voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken of het bezit van het gestolene te verzekeren

en/of afpersing.

Feit 6:

Diefstal vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken

- verklaart verdachte strafbaar; - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 jaren (zegge: zestien jaren);

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 9] een bedrag van € 6.023,91, ter zake van materiële schade;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

-legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9], € 6.023,91 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 66 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. A. Kuijer en mr. L. Bakker-Splinter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 april 2010.