Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM2510

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
283517 / KG ZA 10-210
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eisers – buren van gedaagde - vorderen gedaagde te verbieden om zich gedurende twee jaar te bevinden in een gebied waar de eigen woning van gedaagde ligt. Gedaagde heeft een verbod om zich op het terrein van eisers te begeven overtreden. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de gevorderde maatregel, die er feitelijk op neer komt dat gedaagde voor langere tijd geen, dan wel een uiterst beperkte, toegang heeft tot zijn eigen woning, niet alleen een vergaande inbreuk op de grondrechten en bewegingsvrijheid van gedaagde maakt maar ook op diens eigendomsrechten. Voor het toewijzen van dergelijke ingrijpende maatregelen moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden waaruit de noodzaak van de op te leggen maatregel volgt. De voorzieningenrechter wijst de vordering af, maar verhoogt wel de dwangsom van het eerder opgelegde perceelverbod, tot (eenmalig) 300.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 283517 / KG ZA 10-210

Vonnis in kort geding van 28 april 2010

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. B.E.J.M. Tomlow,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. drs. D.G. Schouwman.

Partijen zullen hierna [eisers] c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met drie producties

- elf producties van [gedaagde]

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eisers] c.s.

- de pleitnota van [gedaagde]

- het proces-verbaal van de zitting van 1 april 2010

- de brief van mr. B.E.J.M. Tomlow van 20 april 2010 waarin vonnis wordt gevraagd.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers] c.s. hebben in september 2000 de eigendom verkregen van de woning en het perceel aan de [adres] te [woonplaats]. [gedaagde], thans 74 jaar oud, is sinds 1981 eigenaar van de naastgelegen woning en het perceel aan de [adres] te [woonplaats].

2.2. Van meet af aan hebben zich tussen partijen verschillende incidenten voorgedaan.

In verband daarmee hebben [eisers] c.s. in de periode van december 2003 tot juli 2004 tijdelijk elders een woning gehuurd. Vanaf januari 2006 hebben zij hun woning opnieuw voor enige tijd verlaten en zullen daar, nadat een verbouwing heeft plaatsgevonden, eind april 2010 weer terugkeren.

2.3. Ondertussen hebben partijen een aantal procedures voor deze rechtbank gevoerd.

?De rechtbank heeft bij vonnis van 23 februari 2005 [eisers] c.s. -sterk verkort weergege-ven- veroordeeld om de ten behoeve van [gedaagde] op hun perceel gevestigde erfdienst-baarheid te respecteren.

?Bij vonnis van 26 augustus 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in conventie [gedaagde] onder meer verboden om het perceel van [eisers] c.s. te betreden op straffe van een dwangsom van EUR 10.000,-- per overtreding en heeft in reconventie [eisers] c.s. op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,-- veroordeeld om [gedaagde] in staat te stellen onbelemmerd gebruik te maken van zijn recht op overpad zoals omschreven in de erfdienstbaarheidsclausule.

?Bij vonnis van 14 oktober 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [eisers] c.s. op straffe van een dwangsom van EUR 2.000,-- geboden om de door hen geplaatste camera’s zo te plaatsen en te richten dat zij geen beelden kunnen maken van het huis en het erf van [gedaagde].

?Bij vonnis van 5 februari 2010 heeft de voorzieningenrechter zich uitgelaten over de executie van dwangsommen.

2.4. Het Hof Amsterdam heeft in zijn arrest van 29 januari 2007 [gedaagde] wegens mishandeling en belaging van eiseres sub 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en tot een geldboete van EUR 1.000,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

2.5. De Politierechter van deze rechtbank heeft bij vonnis van 4 december 2008 [gedaagde] wegens belaging, wederrechtelijk binnendringen in de woning van [eisers] c.s. en vernieling, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, alsmede een werkstraf voor de duur van 40 uur subsidiair 20 dagen hechtenis. [gedaagde] heeft hoger beroep van dat vonnis ingesteld.

2.6. Partijen doen ondertussen over en weer aangiftes van vermeend strafbaar handelen van elkaar. Door derden zijn inmiddels meerdere bemiddelingspogingen ondernomen. Geen van deze heeft tot een oplossing in het conflict geleid.

2.7. Op 7 maart 2010 heeft [gedaagde] zich toegang verschaft tot de, op dat moment verlaten, woning van [eiser]. Hij is daar op heterdaad betrapt en aangehouden door de politie. [gedaagde] heeft vervolgens twee weken in voorlopige hechtenis doorgebracht en dient op last van de rechter-commissaris een psychologisch onderzoek te ondergaan. [gedaagde] heeft inmiddels uit hoofde van de overtreding van het vonnis van 26 augustus 2009 een dwangsom van EUR 10.000,-- aan [eisers] c.s. betaald.

3. Het geschil

3.1. [eisers] c.s. vorderen samengevat - [gedaagde] te verbieden om zich gedurende twee jaar te bevinden in het gebied dat ongeveer wordt omsloten door de [nummer 1], de [nummer 2] en de [adres Y], respectievelijk de [adres X] te [woonplaats], behoudens vooraf verleende toestemming door [eisers] c.s. voor het noodzakelijke bezoek van [gedaagde] aan diens -in dat gebied gelegen- woning van maximaal 60 minuten en met een maximum van één bezoek per maand. Een en ander op straffe van een dwangsom van EUR 100.000,-- per overtreding. Althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren. Alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit kort geding.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de gevorderde maatregel, die er feitelijk

op neer komt dat [gedaagde] voor langere tijd geen, dan wel een uiterst beperkte, toegang heeft tot zijn eigen woning, niet alleen een vergaande inbreuk op de grondrechten en bewegingsvrijheid van [gedaagde] maakt maar ook op diens eigendomsrechten. Voor het toewijzen van dergelijke ingrijpende maatregelen moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden waaruit de noodzaak van de op te leggen maatregel volgt.

Bij de beoordeling of een dergelijke noodzaak aanwezig is, is onder meer van belang:

- de aard en ernst van het verwachte onrechtmatig handelen bij het ontbreken van de maatregel,

- de vraag of de maatregel noodzakelijk is voor het beperken van de schadelijke gevolgen van de gepleegde inbreuk,

- de effectiviteit van die maatregel en de vraag of andere, minder verstrekkende, beschermende maatregelen beschikbaar zijn.

4.2. Vast staat dat er sprake is van een burengeschil dat ernstig is geëscaleerd en

waarbij het woongenot van beide partijen door de aanwezigheid van de andere partij aanzienlijk is geschaad. Vast staat ook dat [gedaagde] de grenzen van het toelaatbare ernstig heeft overtreden.

4.3. [gedaagde] treft een ernstig verwijt door de woning van [eisers] c.s. binnen te dringen. Daaraan doet niet af dat die woning nog niet door [eisers] c.s. werd bewoond. Dit handelen is des te zorgwekkender nu [gedaagde] in een eerder vonnis van de voorzieningenrechter op straffe van een dwangsom is verboden zich zelfs maar op het perceel van [eisers] c.s. te bevinden. Ook indien in aanmerking wordt genomen het gegeven dat een burengeschil veelal door beide partijen wordt gevoed, heeft [gedaagde] door zijn handelen blijk gegeven niet de noodzakelijke basis van terughoudendheid te kunnen bewaken

Desalniettemin is de gevraagde voorziening in zijn vérstrekkende vorm niet geïndiceerd. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

4.4. [eisers] c.s. hebben in de kern aan hun vordering ten grondslag gelegd dat zij recht hebben op rustig en ongestoord woongenot, dat er voortdurend sprake is van vernielingen aan of bij hun woning die zij toeschrijven aan [gedaagde], dat [gedaagde] al eerder bijna op heterdaad is betrapt en met een felle lamp bij hen naar binnen heeft geschenen. Zij wijzen er op dat [gedaagde] in het verleden strafrechtelijk is veroordeeld wegens mishandeling en belaging. Nu [gedaagde] bovendien eerder is veroordeeld in kort geding, is in de visie van [eisers] c.s. de conclusie gerechtvaardigd dat [gedaagde] door niets is tegen te houden en dat hun recht op veilig en onbelemmerd wonen alleen nog maar met de gevraagde maatregel kan worden bewerkstelligd.

4.5. Hoewel dit aan [gedaagde] verweten handelen niet altijd is komen vast te staan, heeft hij zich jegens [eisers] c.s. meermaals ontoelaatbaar opgesteld. Dat handelen, dat nimmer is goed te keuren, kan echter in het kader van de beoordeling van de door [eisers] c.s. ingestelde vordering niet los worden gezien van het tussen partijen ernstig geëscaleerde burengeschil. Dat [gedaagde] los daarvan bekend staat als iemand met een ziekelijke behoefte om zijn medemens of naburen het leven zuur te maken, is gesteld noch gebleken. In een dergelijke situatie, waarin partijen naar het zich laat aanzien als buren naast elkaar blijven leven en dus met elkaar te maken zullen hebben, lijkt het meer in het belang van partijen om gezamenlijk deskundige begeleiding te zoeken, bijvoorbeeld van een gedragspsycholoog. Dat partijen die benadering afwijzen is gesteld noch gebleken.

4.6. Een maatregel als door [eisers] c.s. gevorderd kan desalniettemin geïndiceerd zijn, indien er een absolute noodzaak is om [gedaagde] enige tijd uit de omgeving te verwijderen. In de rechtspraak is aangenomen dat daarvan bijvoorbeeld sprake kan zijn ingeval van onrechtmatig handelen van de betrokkene dat heeft geleid tot zodanig ernstig psychisch letsel bij de benadeelde dat het herstel daarvan slechts mogelijk is indien gedurende enige tijd ieder contact met de dader wordt vermeden. Dat die situatie zich in deze voordoet is evenwel niet gesteld en dit is evenmin gebleken.

4.7. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat het opleggen van de gevorderde maatregel naar verwachting weinig aan de oplossing van het conflict als zodanig zal bijdragen. Veeleer moet worden verwacht dat het conflict in volle omvang zal herleven op het moment dat een dergelijke maatregel eindigt en alsdan meer voeding zal geven aan gevoelens van rancune.

4.8. Ten slotte is van belang dat [gedaagde] zich kennelijk weinig van het in het vonnis van 26 augustus 2009 opgelegde verbod aantrekt. Dit vraagt om een passende sanctie op de overtreding ervan, waarvan mag worden aangenomen dat dit wel voldoende afschrikkende werking heeft. Het vervangen van het verbod om op het terrein van [eisers] c.s. te komen door een ruimer verbod om op dat terrein en de omgeving ervan te komen, verandert in wezen niets.

4.9. De voorzieningenrechter acht onder de gegeven omstandigheden geïndiceerd de in het vonnis van 26 augustus 2009 genoemde dwangsom dusdanig te verhogen dat een overtreding van de in dat vonnis neergelegde verbod, na executie van de dwangsom, onomkeerbare gevolgen voor [gedaagde] zal hebben.

4.10. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding EUR 94,93

- vast recht 263,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.173,93

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verbindt aan de in het vonnis van de voorzieningenrechter te Utrecht van 26 augustus 2009 (zaaknr./rolnr. 270029 / KG ZA 09-679) onder 6.1. bedoelde verbod, met ingang van heden een eenmalige dwangsom van EUR 300.000,--- zodra [gedaagde] in strijd met dat verbod handelt,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] c.s. tot op heden begroot op EUR 1.173,93,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2010.