Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM2505

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
SBR 09-3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanspraak op een Wajong-uitkering blijvend buiten aanmerking. Beleidsregels buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid. Eisers situatie -verblijfsvergunning in het kader van de pardonregeling- is niet gelijk te stellen met de situatie dat hij als vluchteling in Nederland was toegelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 09/3

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder,

gemachtigde: mr. F.A.M. Delfgaauw, werkzaam bij het Uwv.

Inleiding

1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van verweerder van 25 november 2008 (hierna: het bestreden besluit), waarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van 28 april 2008 ongegrond is verklaard en de genomen beslissing is gehandhaafd. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder eisers aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) afgewezen, omdat eiser voor minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanspraak op een Wajong-uitkering blijvend buiten aanmerking gelaten op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wajong en artikel 3 van de Beleidsregels buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid (Besluit van 1 juni 2004, Stcrt 2004, 115, hierna: de Beleidsregels).

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 12 januari 2010, waar namens eiser is verschenen mr. Staal, voornoemd. Namens verweerder is verschenen mr. Delfgaauw, voornoemd. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Eiser, geboren [1988], heeft op 31 oktober 2007 een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend wegens een chronische nierinsufficiƫntie. Hij is samen met zijn moeder in september 2000 uit Iran naar Nederland gekomen en heeft op 26 september 2000 asiel aangevraagd. De asielaanvraag is afgewezen, maar eiser mocht op medische gronden voorlopig nog in Nederland verblijven. Aan eiser is in 2007 de mogelijkheid geboden gebruik te maken van de zogenaamde generaal pardonregeling. In mei 2008 is in dat kader een verblijfsvergunning voor een jaar verleend en in 2009 is die vergunning verlengd.

2.2 Artikel 10, eerste lid, onder a, van de Wajong bepaalt, voor zover hier van belang, dat het Uwv met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, gehele arbeidsongeschiktheid die bestond op de dag dat een persoon ingezetene werd, buiten aanmerking kan laten.

Artikel 10, derde lid, van de Wajong bepaalt dat het eerste lid buiten toepassing blijft ten aanzien van de jonggehandicapte, indien hij op de dag dat hij ingezetene werd jonger was dan 17 jaar en hij gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop hij 17 jaar wordt, ingezetene is geweest.

2.3 De aan verweerder in artikel 10 van de Wajong toegekende discretionaire bevoegdheid, is nader uitgewerkt in de Beleidsregels, waarbij bestaande arbeidsongeschiktheid ten tijde van de aanvang van het ingezetenschap onder bepaalde voorwaarden niet blijvend buiten aanmerking wordt gelaten.

In artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels is vermeld dat ten aanzien van de jonggehandicapte die niet gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop hij 17 jaar wordt ingezetene is geweest, arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a en b, van de Wajong blijvend buiten aanmerking wordt gelaten.

Het tweede lid bepaalt dat in afwijking van het eerste lid de in dat artikellid bedoelde arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking wordt gelaten voor de duur van zes jaar, te rekenen vanaf de vestiging in Nederland, indien de jonggehandicapte voorafgaand aan de dag waarop hij 17 jaar wordt:

a. zich in Nederland heeft gevestigd in het kader van gezinshereniging;

b. als vluchteling tot Nederland is toegelaten; of

c. naar Nederland is teruggekeerd nadat hij tijdelijk buiten Nederland heeft gewoond.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is verweerder met de Beleidsregels gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling (bijvoorbeeld CRvB 23 maart 2007, LJN BA1471, en CRvB 19 augustus 2009, LJN BJ5881).

2.4 Niet in geschil is dat eiser op het moment dat hij in 2000 in Nederland kwam al een chronische nierinsufficiƫntie had. Evenmin is in geschil dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat hij op de dag waarop hij 17 jaar is geworden ([2005]) al zes jaar ingezetene was. Verweerder was dan ook op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong bevoegd eisers aanvraag voor een Wajong-uitkering buiten aanmerking te laten.

2.5 Eiser is van mening dat de status die hij door middel van het generaal pardon heeft verkregen, gelijk gesteld dient te worden aan de status zoals genoemd in artikel 3, tweede lid, onder b van de Beleidsregels, waardoor hij wel zou voldoen aan de gestelde voorwaarde. Omdat de pardonregeling van latere datum is, kon in de Beleidsregels met het verkrijgen van een verblijfsregeling in het kader van de generaal pardonregeling nog geen rekening worden gehouden. Gelet op doel en strekking van de Beleidsregels zou de vergunning in het kader van de pardonregeling volgens hem gelijkgesteld moeten worden met het verkrijgen van de vluchtelingenstatus.

2.6 De rechtbank stelt vast dat eiser - anders dan hij stelt - niet voldoet aan de in artikel 3, tweede lid, onder b, van de Beleidsregels gestelde voorwaarde om alsnog na zes jaar ingezetenschap in aanmerking te kunnen komen voor een uitkering. Daarvoor had hij voorafgaand aan de dag waarop hij 17 jaar is geworden als vluchteling tot Nederland moeten zijn toegelaten. Dat is niet het geval. De Vreemdelingenwet 2000 kent de mogelijkheid een verblijfsvergunning toe te kennen op grond van een asielaanvraag of een reguliere aanvraag. Na afwijzing van zijn asielaanvraag mocht eiser uitsluitend vanwege zijn medische situatie, dat wil zeggen op reguliere gronden, voorlopig in Nederland blijven. Een verblijfsvergunning in het kader van de generaal pardonregeling is eveneens een vergunning op reguliere gronden. Eisers situatie is dus niet gelijk te stellen met de situatie dat hij al als vluchteling in Nederland was toegelaten.

2.7 In het geval eisers beroep in die zin moet worden opgevat dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn zogenoemde inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), overweegt de rechtbank dat verweerder, zoals hiervoor is vermeld, met de Beleidsregels is gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Eiser heeft niet voorafgaand aan zijn 17e jaar de vluchtelingenstatus verkregen en voldoet daardoor niet aan de in de Beleidsregels gestelde voorwaarden. Dat aan eiser nadien een verblijfsvergunning in het kader van de generaal pardonregeling is toegekend, is geen bijzondere omstandigheid die voor verweerder aanleiding had moeten zijn om voor eiser in gunstige zin van de Beleidsregels af te wijken, als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van relevante bijzondere omstandigheden.

2.8 Hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd kan, gelet op het voorgaande, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Binsbergen en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2010.

De griffier: De rechter:

mr. M.S.D. de Weerd mr. G.J. van Binsbergen

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.