Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM2388

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
16/601188-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een auto, waarna in de daaropvolgende achtervolging door een motoragent stenen vanuit de rijdende auto naar de agent zijn gegooid en meerdere keren met de auto op de agent is ingereden. Derhalve is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601188-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 april 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

gedetineerd te PI Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein,

raadsman mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 februari 2010 en 22 maart 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- feit 1 primair: een poging heeft gedaan om een politieambtenaar van het leven te beroven;

- feit 1 subsidiair: een poging heeft gedaan een politieambtenaar zwaar te mishandelen;

- feit 2 primair: een auto heeft gestolen;

- feit 2 subsidiair: een auto heeft geheeld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair heeft gepleegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van beide feiten niet tot een bewezenverklaring kan komen.

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat slechts de bestuurder van de auto verantwoordelijk kan worden gehouden voor het inrijden op de verbalisant. Niet bewezen kan worden dat verdachte de bestuurder van de auto was. Het enige bewijs daarvoor is de verklaring van de verbalisant dat de bestuurder een wit petje droeg en de verklaring van verdachte dat hij een wit petje droeg. Naar de mening van de verdediging is dit geen overtuigend bewijs omdat het voor verbalisant niet mogelijk is geweest om in de nachtelijke omstandigheden in het voorbij rijden met zekerheid vast te stellen dat de bestuurder van de auto een wit petje op had. De verbalisant heeft voor het overige ook geen signalement van de inzittenden kunnen geven. Het is goed mogelijk dat de verbalisant heeft bedacht dat de bestuurder een wit petje op had, omdat verdachte bij zijn aanhouding een wit petje droeg. De beelden van de reconstructies bevestigen dat het niet mogelijk is om waar te kunnen nemen of de bestuurder een wit petje op had. Ten onrechte is bij de reconstructie niet gebruik gemaakt van een oranje petje dat de raadsman had meegenomen, om aan te tonen dat een onderscheid tussen een wit en een ander lichtgekleurd petje niet zichtbaar was. Verdachte heeft in zijn tweede verklaring bij de politie verklaard dat de andere inzittenden van de auto donker gekleurde petjes op hadden. Hij heeft dit echter niet met zekerheid kunnen verklaren, zijn herinnering is onbetrouwbaar. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte dan ook verklaard dat hij niet meer weet of de andere inzittenden een donkere of witte pet op hadden. Alles aldus de raadsman.

Ten aanzien van het gooien van de stenen uit de auto is er naar de mening van de verdediging geen bewijs in het dossier aanwezig dat verdachte degene was die de stenen heeft gegooid. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat het onderzoek naar het stenen gooien beperkt is geweest. Medeplegen door verdachte van de poging tot zware mishandeling of doodslag kan volgens de verdediging dan ook niet bewezen worden, omdat er geen aanwijzingen zijn dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de bestuurder. Daarnaast had verdachte – aldus de raadsman - niet de mogelijkheid om zich van het delict te distantiëren, omdat hij zich in een rijdende auto bevond. Ten slotte heeft de verdediging met betrekking tot het eerste feit aangevoerd dat, gelet op de (geringe) snelheden waarmee de auto blijkens de eerste reconstructie op de verbalisant is afgereden, geen sprake kan zijn van een poging tot doodslag, maar hooguit van een poging tot zware mishandeling.

Ontlastend is volgens de raadsman dat de verdachte niet is weggerend, steeds heeft ontkend en dat hij geen rijbewijs heeft (dus: niet kan rijden).

Met betrekking tot het tweede ten laste gelegde feit heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijs is dat verdachte de auto heeft gestolen. Tussen de diefstal van de auto en het moment waarop verdachte in de auto is aangetroffen zit – aldus de raadsman - minimaal 11 uur. Daarnaast heeft verdachte verklaard niet te hebben gezien dat de auto gestolen was. De door de politie geconstateerde braaksporen zijn volgens de verdediging niet zo opvallend dat verdachte deze op hadden moeten vallen in de korte periode dat hij in het donker in de auto zat.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

Het bewijs:

[verbalisant] was op 6 november 2009 werkzaam als motoragent. Hij was gekleed in uniform en reed op een opvallende politiemotor. Rond 21.30 uur zag hij te Soest een auto op zich afkomen. De auto had een kapotte koplamp. Op het moment dat de auto [verbalisant] passeerde zag hij dat er drie of vier personen in de auto zaten en dat de bestuurder een wit petje op had. Vanwege de kapotte koplamp is [verbalisant] met zijn motor gekeerd en is hij achter de auto aangereden om ze een stopteken te geven. Nadat [verbalisant] het stopteken gegeven had ging de snelheid van de auto omhoog. [verbalisant] is de auto gaan volgen. Tijdens de achtervolging zag [verbalisant] dat de ramen van de auto werden open gedraaid en dat er goederen uit de auto werden gegooid in zijn richting. [verbalisant] reed op dat moment kort achter de auto met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur. Toen de auto bij een middengeleider op de Koningsweg aankwam werd er hard geremd met de bedoeling om de auto te keren en aan de andere kant van de middengeleider weer terug te rijden. Omdat de auto de bocht niet in een keer kon maken moest hij een keer extra steken. [verbalisant] is toen om de auto heen gereden en er voor gaan staan. De bestuurder van de auto was inmiddels vier a vijf meter achteruit gereden en reed vervolgens recht op [verbalisant] af. Door direct gas te geven en weg te rijden kon [verbalisant] een aanrijding voorkomen. De auto reed daarna via een rotonde een doodlopende weg in. [verbalisant] bleef in de buurt van de rotonde staan wachten tot de auto zou terugkeren. Toen de auto terug kwam rijden zag [verbalisant] dat de auto recht op hem af reed, terwijl hij op geen enkele manier de weg voor de auto blokkeerde. [verbalisant] moest opnieuw wegrijden om een aanrijding te voorkomen. [verbalisant] is vervolgens weer achter de auto aangereden en ziet hem even later stil staan. Hij ziet ook drie jongens een bedrijventerrein op rennen. Hij weet één van deze jongens aan te houden. Vervolgens treft hij op de weg waarop hij de auto heeft achtervolgd een tweetal stenen midden op de weg aan. Bij de reconstructie van de beide pogingen tot aanrijding van [verbalisant] is geconcludeerd dat de auto [verbalisant] bij het eerste incident ongeveer met een snelheid van 18 kilometer per uur zou hebben aangereden indien hij niet was uitgeweken en bij het tweede incident met een snelheid van ongeveer 34 kilometer per uur. Voorts is geconcludeerd dat het bij het eerste incident mogelijk is dat de bestuurder, door het ontbreken van stuurbekrachtiging en door het zeer hard en abrupt gas geven, per ongeluk op de motorrijder is ingereden en daarnaast is het mogelijk dat de bestuurder per ongeluk het in de auto gemonteerde tweede gaspedaal (links naast de rem) bediend heeft, terwijl hij de koppeling wilde bedienen. Ten aanzien van het tweede incident wordt met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geconcludeerd dat de bestuurder opzettelijk op [verbalisant] is ingereden, omdat het dynamisch rijgedrag van het voertuig tijdens de rijproeven zodanig was dat dit slechts kon duiden op een bewuste stuurbeweging in de richting van de parallelweg (de plaats waar [verbalisant] stond). Verdachte heeft verklaard dat hij op 6 november 2009 met drie andere jongens in de auto gereden heeft en dat hij de auto (vóór het verweten incident) bestuurd heeft. Verdachte heeft voorts verklaard dat de bestuurder van de auto tot tweemaal toe recht op de motoragent is afgereden. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat de andere inzittenden, toen de politieagent hen achtervolgde, stenen uit het raam van de auto gooiden. De andere drie jongens in de auto droegen volgens verdachte donker gekleurde petjes en hijzelf droeg een wit petje, dat hij is kwijtgeraakt.

In de auto werd door verbalisanten een stuk speksteen aangetroffen, soortgelijk aan de stenen waarmee naar [verbalisant] is gegooid.

Gelet op het voorgaande, de verklaring van verdachte dat hij een wit petje droeg en dat de overige inzittenden donkere petjes droegen in samenhang met de verklaring van [verbalisant] dat de bestuurder een wit petje droeg, en de verklaring van de verdachte dat ook hij tijdens de rit de auto heeft bestuurd stelt de rechtbank vast dat verdachte de bestuurder van de auto was ten tijde van de achtervolging en bij de twee pogingen om [verbalisant] aan te rijden.

Bewijsoverwegingen naar aanleiding van de verweren

Verdachte heeft ter terechtzitting van 3 februari 2010 verklaard dat hij in Amsterdam Noord is ingestapt in een auto met hem onbekende, inzittenden, dat hij direct is bedreigd met een vuurwapen en dat hij na een stukje rijden gedwongen is om de auto te besturen. Verdachte verklaart dat hij niet kan rijden, maar dat hij onder dwang toch is gereden naar de afrit Volendam en dat daar, voordat zij [verbalisant] tegen kwamen, een van de andere inzittenden de auto is gaan besturen.

De rechtbank hecht – behalve voor zover de verdachte verklaart dat (ook) hij de auto bestuurd heeft - geen waarde aan deze verklaring van verdachte, aangezien zij deze door verdachte geschetste gang van zaken ongeloofwaardig acht en deze verklaring op geen enkele wijze nader onderbouwd is.

Degene die - volgens de verdachte – zijn lezing zou kunnen bevestigen beroept zich, als getuige opgeroepen, op zijn zwijgrecht als (mede)verdachte .

Dat verdachte bij zijn aanhouding niet is weggevlucht en dat hij van meet af aan heeft ontkend doet aan de geloofwaardigheid niet af, maar draagt er ook niet aan bij.

Dat de verdachte geen rijbewijs heeft, betekent niet dat hij niet kán autorijden; uit het feit dat hij rijdt van Amsterdam Noord, over de A10 , naar de afslag Volendam wijst eerder op het tegendeel.

Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting van 3 februari 2010 verklaard dat hij - in tegenstelling tot zijn tweede verklaring bij de politie – niet weet welke kleur de petjes van de andere inzittenden van de auto hadden en dat hij bij de politie heeft verklaard dat de petjes donker van kleur waren, omdat ze ook donkere kleding aan hadden. Verdachte zou niet op de petjes van de andere inzittenden hebben gelet dan wel de andere inzittenden niet hebben kunnen zien omdat hij, toen hij naar de twee inzittenden achterin de auto keek, meteen werd gedwongen om voor zich te kijken. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte reeds ongeloofwaardig omdat de eerdere verklaring van verdachte over het signalement van de andere inzittenden bij de politie dermate gedetailleerd is, dat niet gesteld kan worden dat verdachte geen acht heeft geslagen op (de petjes van) de andere inzittenden dan wel hen niet heeft kunnen zien. Om deze reden is de vraag of (bij een reconstructie) onderscheid gezien kan worden tussen een wit en een ander lichtgekleurd petje niet relevant.

De verdediging heeft aangevoerd dat het voor verbalisant [verbalisant] niet mogelijk is geweest om met zekerheid waar te nemen dat de bestuurder van de auto een wit petje droeg. De rechtbank is, gelet op de ter terechtzitting van 22 maart 2010 vertoonde beelden van de tweede reconstructie, van oordeel dat het witte petje voor [verbalisant] goed zichtbaar is geweest. De rechtbank overweegt dat juist het witte petje in de overigens donkere omgeving goed te zien was. Daarnaast is [verbalisant] verschillende malen in de gelegenheid geweest om de bestuurder waar te nemen: hij is de auto eenmaal gepasseerd en de auto is tweemaal recht op hem afgereden. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat, zoals door de verdediging is gesteld, [verbalisant] achteraf zelf heeft ingevuld dat de bestuurder een wit petje droeg, omdat de verdachte bij zijn aanhouding een wit petje zou hebben gedragen. Bij zijn aanhouding door [verbalisant] had verdachte immers het petje niet op en voorts heeft [verbalisant] zijn verklaring dat de bestuurder een wit petje op had afgelegd, voordat verdachte zelf bij de politie heeft verklaard dat hij een wit petje had gedragen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat het gooien van de stenen naar [verbalisant] gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag. De inzittenden van de auto gooiden de stenen uit het raam van de auto met de bedoeling om [verbalisant] ten val te laten komen. Gelet op de snelheid waarmee [verbalisant] tijdens de achtervolging heeft gereden, hebben de inzittenden door het gooien van de stenen zich blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [verbalisant] ten val zou komen en als gevolg van die val zou komen te overlijden dan wel door die stenen getroffen kon worden. Nu vaststaat dat verdachte de bestuurder van de auto was is – los van de vraag of verdachte zelf ook stenen heeft gegooid - naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de overige inzittenden die de stenen hebben gegooid. Verdachte was immers de bestuurder van de auto en uit zijn verklaring volgt dat hij wist dat andere inzittenden stenen uit die auto gooiden. Als bestuurder bepaalde verdachte de snelheid van de auto en daarmee de snelheid van de achtervolgende [verbalisant]. De hoge snelheid was bepalend voor de aanmerkelijke kans dat een val dodelijk zou kunnen zijn. Daarnaast heeft verdachte zich niet gedistantieerd van het stenen gooien. Als bestuurder van de auto had hij zich kunnen distantiëren door de auto te stoppen en daarmee de achtervolging te beëindigen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte samen met anderen een poging tot doodslag heeft gepleegd door stenen uit een rijdende auto richting [verbalisant] te gooien.

De rechtbank kwalificeert het inrijden op [verbalisant], gelet op de snelheid van de auto op het moment dat [verbalisant] zou zijn aangereden, niet als een poging tot doodslag. Verdachte zal dan ook vrijgesproken worden van het gedeelte van het eerste primair ten laste gelegde feit met betrekking tot het inrijden op [verbalisant]. De rechtbank is echter wel van oordeel dat het inrijden op [verbalisant] door verdachte als bestuurder van de auto gekwalificeerd dient te worden als een poging tot zware mishandeling. De rechtbank is van oordeel dat indien [verbalisant] de auto niet had weten te ontwijken, hij bij beide incidenten door de aanrijding naar alle waarschijnlijkheid zwaar lichamelijk letsel op zou hebben gelopen.

Ten aanzien van het eerste incident is, gelet op de uitkomsten van de reconstructie, naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorwaardelijk opzet op de poging tot zware mishandeling. Het is niet vast te stellen of verdachte bewust of per ongeluk op de verbalisant inreed, maar door in de gegeven omstandigheden in een auto zonder stuurbekrachtiging zeer hard en abrupt gas te geven, heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij de motoragent zou raken en dat deze daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Ten aanzien van het tweede incident stelt de rechtbank vast dat, gelet op de uitkomsten van de reconstructie en de verklaring van [verbalisant], verdachte opzettelijk op [verbalisant] is ingereden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit met betrekking tot het gooien van de stenen heeft gepleegd en dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit met betrekking tot het inrijden op [verbalisant] heeft gepleegd.

Feit 2:

Tussen donderdag 5 november 2009, 17.00 uur en 6 november 2009, 10.00 uur is in Amsterdam de auto van [benadeelde], van het merk Fiat, type Uno Selecta U9, gestolen. De auto had het kenteken [kenteken]. Op 6 november 2009 rond 21.30 uur ziet verbalisant [verbalisant] te Soest een Fiat met het kenteken [kenteken] rijden. De auto heeft een kapotte koplamp. De bestuurder negeert een stopteken van [verbalisant]. Na een achtervolging wordt de auto stilgezet en ziet [verbalisant] drie personen wegrennen. [verbalisant] weet een van die drie personen aan te houden. Dit blijkt verdachte te zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij op 6 november 2009 in de auto heeft gereden. De auto is na de achtervolging met een lopende motor achtergelaten, terwijl er geen sleutel in het contact zat.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 3 februari 2010 verklaard dat hij door anderen verzocht is in de auto stappen en dat hij vervolgens onder bedreiging van een vuurwapen is gedwongen om de auto te besturen. De rechtbank heeft hiervoor bij feit 1 overwogen dat zij deze verklaring van verdachte niet betrouwbaar acht en dat verdachte de bestuurder van de auto is geweest. Gelet op het feit dat verdachte binnen (maximaal) 28,5 uren na de diefstal de beschikking over de auto had en hij daarvoor geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd, in samenhang met het feit dat hij met grote snelheid trachtte te ontkomen aan een agent die een stopteken gegeven had komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de auto gestolen heeft.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de onder 2 primair ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 6 november 2009 te Soest, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant] (politieambtenaar te Utrecht) van het leven te beroven, met dat opzet meerdere goederen (stenen) vanuit een rijdende auto in de richting van die [verbalisant] die op een motor reed heeft gegooid, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

en

op 6 november 2009 te Soest, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant] (politieambtenaar te Utrecht) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe

te brengen, met dat opzet meerdere keren met een auto met aanmerkelijke snelheid op die

[verbalisant] is ingereden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

Primair

in de periode van 5 november 2009 tot en met 6 november 2009 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto (Fiat Uno Selecta U9), toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte voornoemde auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak van het contactslot van die auto.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van poging tot doodslag;

en

poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

diefstal waarbij de schuldige zich het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen 18 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie met betrekking tot feit 1 gevorderd om verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor de duur van 2 jaren te ontzeggen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de door de officier van justitie geëiste straf buitenproportioneel is, omdat hooguit tot een bewezenverklaring van één poging tot zware mishandeling kan worden gekomen. In dat geval zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van de periode die verdachte tot nu toe in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht voldoende moeten zijn.

De verdediging heeft verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om in het geval de rechtbank mocht overwegen een gevangenisstraf op te leggen voor een langere duur dan de periode die verdachte inmiddels in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, de zaak aan te houden ten aanzien van de strafmaat. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat het gerechtshof Amsterdam op 14 april 2010 beoordeelt of aan verdachte een PIJ-maatregel opgelegd dient te worden. Voor de straftoemeting is het naar de mening van de verdediging van groot belang dat duidelijk is of aan verdachte een PIJ-maatregel wordt opgelegd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een auto gestolen. Toen hij met die gestolen auto rondreed heeft hij een stopteken gekregen van een motoragent. Verdachte heeft vervolgens geprobeerd om aan de agent te ontkomen door hard weg te rijden. In de daaropvolgende achtervolging heeft verdachte het leven van de achtervolgende agent op het spel gezet enkel en alleen om zelf aan aanhouding te ontkomen. Verdachte heeft met hoge snelheid gereden terwijl hij en/of zijn inzittenden stenen uit de auto naar de motoragent gooiden. Vervolgens is hij tweemaal op de motoragent ingereden. Dat de motoragent hieraan geen fysiek letsel heeft overgehouden is een omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken. Het is evident dat de betreffende agent tijdens de achtervolging bijzondere angstige momenten moet hebben doorgemaakt.

Daarnaast heeft de rechtbank in acht genomen dat verdachte blijkens een hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder is veroordeeld zowel voor een geweldsdelict als voor een vermogensdelict.

De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank heeft rekening gehouden met straffen die in gelijksoortige zaken worden opgelegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet aanleiding een deel daarvan, te weten 5 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De verdachte heeft in een verkeerssituatie het voertuig dat hij bestuurde misbruikt. Hij heeft immers geprobeerd hiermee de motoragent zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Hierin wordt aanleiding gezien om de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van een motorvoertuig voor de duur van twee jaar te ontzeggen.

De rechtbank ziet, gelet op het feit dat zij beide feiten wettig en overtuigend bewezen acht en gelet op de op te leggen straf, geen aanleiding om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen en zal daarom het verzoek van de verdediging daartoe afwijzen.

Ten slotte wijst de rechtbank het verzoek van de verdediging tot aanhouding van de behandeling van de zaak met betrekking tot de strafmaat, af. Gelet op de periode van onvoorwaardelijke gevangenisstraf die resteert nadat de door verdachte reeds in voorlopige hechtenis doorgebrachte periode daarvan is afgetrokken, is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde straf geen belemmering vormt voor enige oplegging van straf of maatregel door een andere rechter, waarbij deze – mocht deze tot een veroordeling komen – op grond van artikel 63 Wetboek van Strafrecht met deze veroordeling rekening kan houden.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [verbalisant] vordert een schadevergoeding van € 500, - voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 784, - voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 500, - ter zake van materiële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd. De totale vordering bestaat uit een bedrag ter grootte van € 155, - voor de reparatie van het contactslot van de auto en € 629, - voor het gereedschap dat voor de diefstal in de auto lag en bij het aantreffen van de auto na de aanhouding van verdachte uit de auto was verdwenen. Aangezien het gereedschap twee jaar oud was, heeft de rechtbank het bedrag van de daadwerkelijk geleden schade als gevolg van het verdwijnen van het gereedschap vastgesteld op € 345, -. Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 287, 302, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde gedeelte met betrekking tot het inrijden op [verbalisant];

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de onder 5.1 genoemde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten één grijs vest, één witte pet, één grijze pet, één zwarte sjaal, één witte speksteen en één lichtgrijze speksteen;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant] van € 500, -. ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 6 november 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 500, - ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 6 november 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partijen tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [verbalisant], € 500, -, 10 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [benadeelde], € 500, -, 10 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Bijkomende beslissingen:

- wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis;

- wijst af het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. P. Bender en mr. G. Perrick, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Scharrenborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 april 2010.