Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM2387

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-04-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
16/600878-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte schuldig aan poging tot moord door met haar auto twee maal in te rijden op het slachtoffer. Het slachtoffer liep hierbij letsel aan knieën en benen op. Dat het slachtoffer geen dodelijk letsel heeft opgelopen, is een gelukkige omstandigheid, die niet aan de verdachte te danken is. De man had een paar dagen eerder een zeer ongepaste seksuele opmerking over de zesjarige dochter van de vrouw gemaakt. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaar en ontzegging van de bevoegheid om motorrijtuigen te besturen voor vijf jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 289
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 175
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2010/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600878-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 april 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1978] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Utrecht, P.I.V. HvB Nieuwersluis te Nieuwersluis,

raadsman mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 april 2010, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is op de terechtzitting van 18 november 2009 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte met voorbedachten rade heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven door met haar auto met (relatief) hoge snelheid tweemaal, althans eenmaal, op voornoemde [slachtoffer] in te rijden. Subsidiair is dit tenlastegelegd als een poging tot doodslag en meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade.

3 De voorvragen

3.1 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.1.1 Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vervolging. De raadsman heeft hiertoe een drietal redenen aangevoerd.

Allereerst heeft de raadsman aangevoerd dat de conceptverklaring van de getuige [getuige 1] valselijk is uitgewerkt, omdat de uitgewerkte verklaring, welke door de getuige niet is ondertekend, op een aantal essentiële punten afwijkt van de conceptverklaring en er feiten en conclusies aan zijn toegevoegd.

Ten tweede heeft de raadsman aangevoerd – met verwijzing naar de Salduz- en Panovits-jurisprudentie en het arrest van het gerechtshof Arnhem van 26 oktober 2009, LJN BK1200– dat verdachte voorafgaande aan haar verhoor in de gelegenheid gesteld had moeten worden om zich van rechtskundige bijstand te voorzien van de door haar gekozen voorkeursadvocaat, mr. N.R. Nijdam (een voormalig kantoorgenoot van de raadsman). De omstandigheid dat verdachte reeds door een piketadvocaat was bezocht, doet daar niet aan af. Voorts is mr. Nijdam bewust niet geïnformeerd over de verplaatsing van verdachte naar een ander politiebureau.

Tenslotte heeft de raadsman aangevoerd dat hij bij het uitluisteren van de bandopname heeft geconstateerd dat in het verhoor van 9 augustus 2009 wordt gerefereerd aan een achterbankgesprek, maar dat hieraan, kennelijk bewust, niet is gerefereerd in het proces-verbaal van voornoemd verhoor. Evenmin is een proces-verbaal van dat achterbankgesprek in het dossier opgenomen.

Voornoemde punten zijn onherstelbare vormfouten waardoor de strafvorderlijke belangen van verdachte doelbewust en op grove wijze door het Openbaar Ministerie zijn geschonden, aldus de raadsman. Om die reden moet het Openbaar Ministerie dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vervolging.

3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is zijn vervolging.

Ten aanzien van de beweerdelijk valselijk opgemaakte uitwerking van de conceptverklaring van getuige [getuige 1] heeft de officier van justitie aangegeven dat uit de conceptverklaring blijkt dat [slachtoffer] zich in de onmiddellijke nabijheid van zijn auto bevond, dat de getuige kennelijk [slachtoffer] en diens auto als één zag, dat de op pagina één gemaakte aantekeningen erg klein zijn, dat het verhaal klopt met de overige bewijsmiddelen en dat de door de raadsman bedoelde punten uit het uitgewerkte proces-verbaal slechts een nadere omschrijving betreffen.

Met betrekking tot het gevoerde verweer omtrent de rechtsbijstand door een voorkeursadvocaat heeft de officier van justitie aangevoerd – met verwijzing naar een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 maart 2010, LJN BL9897 – dat er weliswaar sprake is van een schending, maar dat de gevolgen daarvan dermate gering zijn dat er geen gevolg aan moet worden verbonden.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het verweer dat ziet op het achterbankgesprek aangegeven dat daarover een aanvullend proces-verbaal is opgemaakt.

3.1.3 Het standpunt van de rechtbank

Valselijk opgemaakt proces-verbaal?

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de conceptverklaring van de getuige [getuige 1] zoveel mogelijk in de bewoordingen van de getuige uitgewerkt had dienen te worden, is zij in het onderhavige geval van oordeel dat de uitgewerkte verklaring niet zodanig afwijkt van hetgeen de getuige heeft verklaard dat daaraan de conclusie moet worden verbonden dat het proces-verbaal valselijk is opgemaakt. Van enige intentie bij de betreffende verbalisanten om te rechtbank te misleiden omtrent de inhoud van de door de getuige afgelegde verklaring is de rechtbank niet gebleken. Daarbij heeft de rechtbank tevens overwogen dat de conceptverklaring bij het dossier is gevoegd.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank geen ander rechtsgevolg verbinden aan de omstandigheid dat de uitgewerkte verklaring van de getuige [getuige 1] op enkele punten enigszins afwijkt van zijn conceptverklaring dan de loutere constatering daarvan.

Rechtsbijstand

De rechtbank stelt vast dat verdachte bij haar inverzekeringstelling heeft aangegeven dat zij gebruik wenste te maken van een advocaat. Na haar inverzekeringstelling is verdachte bezocht door een piketadvocaat, waarna met haar eerste verhoor is aangevangen. Eerst bij dat eerste verhoor op 8 augustus 2009 heeft verdachte te kennen gegeven dat zij van een voorkeursadvocaat (de rechtbank begrijpt: mr. N.R. Nijdam) gebruik wenste te maken. Het verhoor van verdachte is niettemin voortgezet.

Hoewel het verzoek om bijstand van een voorkeursadvocaat zeer laattijdig is gedaan, is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op de ernst van de verdenking, het in de rede had gelegen dat verdachte in de gelegenheid was gesteld om voorafgaande aan (de voortzetting van) haar eerste verhoor met de advocaat van haar voorkeur te spreken. Nu dat niet is gebeurd is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een schending van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Aangezien verdachte evenwel voorafgaande aan haar verhoor op 8 augustus 2009 door een piketadvocaat is bezocht, zij later die dag alsnog door haar voorkeursadvocaat is bezocht en, gelet op de inhoud van de door haar toen afgelegde verklaring, de gevolgen van de bedoelde schending in het onderhavige geval gering zijn, kan evenwel worden volstaan met de constatering dat sprake is geweest van een onherstelbaar verzuim.

Voor enige andere sanctie, laat staan een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie, ziet de rechtbank in het onderhavige geval geen reden.

In dit verband merkt de rechtbank nog op dat het dossier haar volstrekt geen aanknopingspunten biedt die de stelling van de raadsman staven dat de voorkeursadvocaat bewust niet is geïnformeerd over de verplaatsing van verdachte naar een ander politiebureau.

Het achterbankgesprek

Voor de stelling dat in het proces-verbaal van verhoor verdachte van 9 augustus 2009 bewust niet is gerefereerd aan een achterbankgesprek ziet de rechtbank evenmin aanknopingspunten in het dossier. Hierbij overweegt de rechtbank in het bijzonder dat daaromtrent, naar aanleiding van een op de zitting van 15 februari 2010 door mr. Nijdam gedaan verzoek, een nader proces-verbaal is opgemaakt waarin over de feitelijke gang van zaken en de inhoud van dat achterbankgesprek is gerelateerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is het OM – ook overigens – ontvankelijk in zijn vervolging.

3.2 De overige voorvragen

De rechtbank stelt voorts vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de tenlastegelegde poging tot moord en poging tot doodslag omdat niet bewezen kan worden dat het opzet van verdachte, ook niet in voorwaardelijke zin, gericht is geweest op het van het leven beroven van [slachtoffer]. Dit vanwege de relatief geringe snelheid waarmee verdachte met haar auto op [slachtoffer] is ingereden, alsmede vanwege het feit dat onvoldoende duidelijk is of het hoofd van [slachtoffer] zich tijdens het incident in een kwetsbare positie bevond. Voorts bestaat volgens de officier van justitie onvoldoende duidelijkheid of ten gevolge van de aanrijdingen zodanig zwaar letsel had kunnen ontstaan dat dit tot de dood van [slachtoffer] geleid zou kunnen hebben.

Wel acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, waarbij het opzet bestond in voorwaardelijke zin.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit en heeft hiertoe het navolgende aangevoerd.

Allereerst heeft de raadsman bepleit dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’.

Ten tweede heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van een relatief ondeugdelijke poging om [slachtoffer] van het leven te beroven dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, omdat de afstand tussen het voertuig van verdachte en die van [slachtoffer] hooguit drie meter bedroeg en verdachte met een lage snelheid op het voertuig van [slachtoffer] is ingereden.

Tenslotte heeft de raadsman bepleit dat verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet had om [slachtoffer] van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte verkeerde ten tijde van de aanrijding volgens de verdediging in een dissociatieve toestand als gevolg waarvan zij geen bewuste grip had op haar gedrag. De herinnering aan haar eigen seksueel misbruik, de slapeloosheid en het gebruik van energiedrank en slaapmedicatie hebben verdachte in een schemertoestand gebracht, aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De feiten

Op grond van de zich in het dossier bevindende aangifte en nadere verklaringen van

[slachtoffer], de getuigenverklaringen van zijn buren en het proces-verbaal van bevindingen, alles in onderlinge samenhang bezien, heeft de rechtbank de volgende feiten vastgesteld.

In de late zomeravond van woensdag 5 augustus 2009 zaten enkele buurtbewoners van de [adres] en de [adres] te Utrecht, onder wie verdachte en het latere slachtoffer [slachtoffer] te praten voor de woning van buurvrouw [getuige 2]. Op een gegeven moment kwam het onderwerp van het gesprek daarbij op seks.

De heer [slachtoffer], die onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol verkeerde, heeft toen een zeer ongepaste seksueel getinte opmerking gemaakt over [dochter], de zesjarige dochter van verdachte, die de strekking had dat hij [dochter] wel lekker vond en wel met haar wilde slapen. Verdachte schrok erg van deze opmerking en werd boos. Verdachte is vervolgens direct samen met [dochter] naar haar eigen huis gegaan.

De volgende dag, donderdag 6 augustus 2009, heeft verdachte aan haar buurvrouw [getuige 2] laten blijken dat zij nog steeds boos was op de heer [slachtoffer]. Zij noemde hem daarbij een pedofiel en deelde [getuige 2] mee dat [slachtoffer] er nog wel achter zou komen. [getuige 2] begreep van verdachte verder dat haar partner, die op dat moment in Marokko verbleef, direct met het vliegtuig naar huis wilde komen nadat hij van het incident van woensdag had gehoord.

Diezelfde donderdag heeft verdachte [dochter] naar haar (verdachtes) moeder gebracht. Verdachte heeft zich daarbij laten vergezellen door haar buurvrouw mevrouw [getuige 3]. [getuige 3] heeft verklaard dat het de moeder van verdachte niet uitkwam dat [dochter] bij haar werd gebracht, maar dat verdachte toch wilde dat [dochter] bij haar oma bleef.

De daarop volgende dag, vrijdag 7 augustus 2009, omstreeks 10.50 uur is verdachte naar het politiebureau aan de Kaap Hoorndreef gegaan. Daar heeft zij melding gedaan van de opmerking die [slachtoffer] over haar dochter had gemaakt en de ongerustheid die dit bij haar teweeg had gebracht. Verdachte heeft daarbij tevens verklaard dat zij op dat moment dacht: “Zal ik naar binnen gaan om een mes te pakken en hem dood te maken?”

Op de avond van diezelfde 7 augustus 2009 is mevrouw [getuige 2] samen met twee andere buurvrouwen, mevrouw [getuige 4] en een buurvrouw genaamd [naam] bij de heer [slachtoffer] op bezoek geweest. [getuige 2] heeft verklaard dat zij de heer [slachtoffer] bij die gelegenheid wilde waarschuwen omdat zij bang was dat verdachte of verdachtes partner iets zou ondernemen tegen de heer [slachtoffer]. Ook mevrouw [getuige 4] heeft over dit bezoek verklaard. Zij heeft verklaard dat zij bezorgd was omdat de vriend van verdachte vanuit Marokko onderweg zou zijn en dat zij bang was dat de situatie mogelijk zou escaleren.

Op zaterdagochtend 8 augustus 2009 heeft verdachte voor haar woning gesproken met mevrouw [getuige 4]. [getuige 4] heeft toen aan verdachte gevraagd wanneer [dochter] weer thuis zou komen. Verdachte heeft daarop geantwoord dat [dochter] weer thuis zou komen als alles achter de rug was. Ook mevrouw [getuige 3] heeft verklaard dat zij die ochtend op straat met verdachte heeft gesproken. Op haar vraag hoe het met haar ging heeft verdachte geantwoord dat het goed ging, dat het klaar was zo en dat het goed zou komen.

Op zaterdagmiddag 8 augustus 2009 omstreeks 13.30 uur is de heer [slachtoffer] met zijn auto weggereden naar zijn vriendin die in Zeist woont. Hij heeft daarbij opgemerkt dat verdachte met haar auto vanaf de [adres] achter hem aan is gaan rijden en hem gedurende een bepaalde periode is blijven achtervolgen. De heer [slachtoffer] heeft om die reden besloten terug te keren naar huis, waarbij hij nog steeds werd gevolgd door verdachte. In de [adres] aangekomen heeft [slachtoffer] zijn auto aan de rechterkant van de weg geparkeerd met de twee rechterwielen op het trottoir. Vervolgens is hij uitgestapt en heeft hij het linkerachterportier aan de straatzijde geopend om zijn hond uit de auto te laten. Verdachte heeft haar auto aan de linkerzijde schuin ingeparkeerd en wel zodanig dat de voorzijde van haar auto gericht was op de auto van de heer [slachtoffer]. Op het moment dat de heer [slachtoffer] zijn hond uit de auto wilde laten is verdachte op hem ingereden. De heer [slachtoffer] kwam daardoor klem te zitten tussen de beide auto’s, ter hoogte van zijn knieën. Ten gevolge hiervan is de heer [slachtoffer] op de grond terecht gekomen. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat de heer [slachtoffer] na de aanrijding door zijn knieën zakte. Verdachte is vervolgens met haar auto enkele meters achteruit gereden, waarna zij wederom op de heer [slachtoffer] is ingereden. De heer [slachtoffer] heeft verklaard dat hij echter op tijd overeind is gekrabbeld en langs de linkerzijde van zijn auto naar de voorzijde daarvan is gelopen en dat hij omdat hij op tijd weg was bij de tweede aanrijding slechts licht werd aangeraakt. Hij heeft tevens verklaard dat hij zou zijn overreden als hij op straat was blijven liggen. [slachtoffer] is door het voorval gewond geraakt aan zijn knieën en benen. Verdachte is na de tweede aanrijding weggereden en is later op de dag door de politie aangehouden.

Opzettelijke levensberoving?

Gegeven de door de officier van justitie geformuleerde volgordelijkheid in de tenlastelegging dient eerst te worden onderzocht of verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven. Door en namens verdachte is aangevoerd dat zij die bedoeling niet heeft gehad.

De rechtbank acht op grond van hetgeen hierboven is weergegeven wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met haar auto tot tweemaal toe opzettelijk op [slachtoffer] is ingereden. De rechtbank overweegt daartoe verder het volgende.

De verklaring van [slachtoffer] dat verdachte op hem is ingereden en dat hij daardoor werd ‘gesandwiched’ tussen zijn auto en die van verdachte, waardoor hij door zijn knieën zakte, waarna verdachte enkele meters is achteruit gereden en vervolgens nogmaals op [slachtoffer] is ingereden, vindt steun in de verklaring van getuige [getuige 3] respectievelijk die van getuige [getuige 2]. Tevens bevestigen de voornoemde getuigen de verklaring van aangever dat hij daarbij wederom is geraakt.

De rechtbank heeft voorts gelet op het proces-verbaal van verkeersongevalanalyse waarin als conclusie is opgenomen dat uit het vergelijkende onderzoek is gebleken dat het goed mogelijk is dat het incident heeft plaatsgevonden op de wijze zoals door [slachtoffer] is omschreven , zodat de rechtbank, ook gelet daarop, geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [slachtoffer].

Met betrekking tot de snelheid waarmee verdachte op [slachtoffer] is ingereden, wordt in het proces-verbaal van verkeersongevalanalyse vermeld dat de botssnelheid tijdens de eerste botsing vermoedelijk tussen de 10 en 20 km/uur lag. Ten aanzien van de tweede botsing wordt vermeld dat deze niet hoog is geweest. De rechtbank sluit wat betreft deze conclusies aan bij voormeld proces-verbaal. Gelet op de korte afstand tussen de auto van verdachte en de plaats waar [slachtoffer] zich bevond, is de rechtbank van oordeel dat verdachte onder deze omstandigheden met relatief hoge snelheid op [slachtoffer] is ingereden.

De heer [slachtoffer] was toen al uitgestapt en dient dus als voetganger aan te worden gemerkt, die zich in vergelijking tot de automobilist die verdachte op dat moment was in een uiterst kwetsbare positie bevond. Die kwetsbaarheid wordt nog versterkt door het feit dat de heer [slachtoffer] ten gevolge van de eerste aanrijding door zijn knieën is gezakt en op het wegdek is terechtgekomen. Verdachte is vervolgens wederom op de heer [slachtoffer] ingereden. Een dergelijk handelen houdt alleen al naar zijn uiterlijke verschijningsvorm de aanmerkelijke kans in zich dat het slachtoffer als gevolg van dat (hernieuwde) inrijden dodelijk zou worden getroffen. Dat het opzet van verdachte ook daadwerkelijk daarop gericht is geweest, leidt de rechtbank mede af uit de gebeurtenissen die aan de aanrijdingen vooraf zijn gegaan, waaruit het motief van verdachte, hoewel zij daarover zelf niets wenst te verklaren, zich nadrukkelijk opdringt.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte zich ten tijde van de aanrijding in een dissociatieve toestand bevond. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet aannemelijk geworden. Daarbij overweegt de rechtbank dat nu verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan de onderzoeken van de psychiater, respectievelijk de psycholoog en de reclassering, de rechtbank zich geen oordeel heeft kunnen vormen over de gemoedstoestand van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting herhaaldelijk verklaard dat zij psychisch gezond was en zij louter door detentie in verwarring is geraakt.

Verder overweegt de rechtbank nog dat als het al zo was dat verdachte de gevolgen van haar handelen niet heeft kunnen overzien, zij zichzelf in die toestand heeft gebracht door, zoals zij verklaard heeft, overmatig gebruik van energiedrank en slaapmedicatie.

Voorbedachten rade?

Vervolgens is het de vraag of verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte is – zoals reeds hierboven is besproken – met haar auto tot tweemaal toe op [slachtoffer] ingereden. Dit na [slachtoffer] eerst gedurende drie kwartier te hebben gevolgd, zoals uit de aangifte blijkt.

De rechtbank acht tevens van belang dat verdachte op de vraag van de getuige [getuige 2], de buurvrouw van verdachte, wanneer haar dochter [dochter] weer thuis kwam, heeft geantwoord: “Als alles voorbij is.” Getuige [getuige 4], eveneens een wijkbewoner, heeft eveneens verklaard dat verdachte tegen haar zei dat [dochter] weer thuis kwam als alles achter de rug was.

Voorts is uit onderzoek in het Bedrijfs Processen Systeem gebleken dat verdachte op

7 augustus 2009 bij de politie melding had gemaakt van de ongepaste, seksueel getinte opmerking van [slachtoffer], zij hierdoor erg boos was en zij twijfelde of ze een mes uit haar huis zou pakken om hem neer te steken .

De voorgaande omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte voldoende momenten heeft gehad om zich te beraden over de consequenties van haar gedragingen. Bij dit oordeel speelt een rol dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte op dat moment zodanig psychische problemen had dat zij niet in staat was om zich rekenschap te geven van haar handelen.

Poging?

Op basis van de hierboven vermelde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het feit dat het incident niet daadwerkelijk tot de dood van [slachtoffer] heeft geleid, geenszins te danken is aan verdachte, maar uitsluitend aan het reactievermogen van [slachtoffer]. De rechtbank verwerpt, gelet op het voorgaande, dan ook het verweer dat sprake is van een ondeugdelijke poging.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft gepoogd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op 08 augustus 2009 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg tweemaal met haar auto (merk Volkswagen, type Polo, kenteken [kenteken]) met relatief hoge snelheid op genoemde [slachtoffer] is ingereden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

poging tot moord.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

5.2.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu zij uit psychische en fysieke overmacht heeft gehandeld. Ter ondersteuning van dit verweer heeft de raadsman het navolgende aangevoerd; de door [slachtoffer] geuite pedoseksuele lustgevoelens, de herinnering van verdachte aan haar eigen seksueel misbruik, de politie die naar aanleiding van de melding van verdachte (over het gedrag van [slachtoffer]) niets leek te kunnen doen, de beperkte mogelijkheid om haar dochter in veiligheid te brengen, omdat [slachtoffer] tegenover de school van haar dochter werkt, de angstgevoelens die de voorgaande omstandigheden met zich meebrachten en de daardoor veroorzaakte slapeloosheid en tot slot het gebruik van energiedrank en slaapmedicatie.

5.2.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer, omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een acute, onweerstaanbare drang waaraan verdachte geen weerstand kon bieden. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte niet in een situatie verkeerde dat zij handelde onder een wezenlijke en buitennormale (met name psychische) druk waardoor onvoldoende sprake was van de vereiste wilsvrijheid. Daarnaast was de keuze om daadwerkelijk een strafbaar feit te plegen in de gegeven conflictsituatie (het opkomen voor haar dochter versus het niet plegen van een strafbaar feit) niet acuut en onontkoombaar, aldus de officier van justitie. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat het ten tijde van het ten laste gelegde feit goed met haar ging en haar psychische gesteldheid pas door de detentie is verslechterd.

5.2.3 Het oordeel van de rechtbank

Mede gelet op hetgeen hierboven onder 4.3 is overwogen met betrekking tot de dissociatieve toestand is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat bij verdachte een zodanige drang is ontstaan waaraan zij geen weerstand kon en redelijkerwijs ook niet behoefde te bieden dat zij daarom niet anders kon handelen. Derhalve kan het beroep op psychische en fysieke overmacht niet slagen.

Ook overigens is niet gebleken van een omstandigheid de die strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is aldus strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de duur van vijf jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Meest subsidiair (primair: niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, subsidiair: vrijspraak van het tenlastegelegde en meer subsidiair: ontslag van alle rechtsvervolging) heeft de raadsman verzocht om oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan oordeelt de rechtbank als volgt. Verdachte is, nadat zij [slachtoffer] eerst drie kwartier gevolgd heeft, met haar auto op [slachtoffer] ingereden, die zich bij zijn auto bevond. Door het handelen van verdachte is [slachtoffer] klem komen te zitten tussen de beide auto’s. Nadat verdachte voor de eerste maal op [slachtoffer] was ingereden, zakte hij door zijn knieën, hetgeen hem weerloos maakte. Verdachte is vervolgens met haar auto enkele meters achteruit gereden en is toen andermaal op [slachtoffer] ingereden.

De rechtbank is van oordeel dat het hier een ernstig feit betreft, waarmee verdachte geen enkel respect heeft getoond voor het leven en welzijn van [slachtoffer]. Dat hij geen dodelijk letsel heeft opgelopen, is een gelukkige omstandigheid, die echter geenszins aan verdachte te danken is. De ervaring leert dat een slachtoffer van een dergelijk feit nog lange tijd de psychische en emotionele gevolgen daarvan kan ondervinden.

Hoewel er in het dossier aanknopingspunten zijn dat verdachte zich in verminderde mate bewust is geweest van het ongepaste van haar handelen alsmede dat zij het laakbare van de consequenties van haar handelen niet ten volle heeft kunnen overzien, zal de rechtbank – bij gebrek aan medewerking van verdachte aan het psychiatrisch respectievelijk het psychologisch onderzoek – met die omstandigheid geen rekening houden.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank voorts gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d.

22 februari 2010 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank geen andere straf passend dan een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar. Gelet op het door verdachte gehanteerde middel, te weten haar auto, is de rechtbank eveneens van oordeel dat een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijf jaar passend en geboden is.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] toe te wijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat de letselschadeadviseur de schade via de verzekering van verdachte vergoed probeert te krijgen en de kans bij toewijzing van de vordering bestaat dat verdachte de schade tweemaal dient te vergoeden.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De vordering is ingediend door mr. B. Weggemans, letselschadeadviseur te Utrecht. Uit de vordering volgt dat hij door de benadeelde partij [slachtoffer] tot het indienen van deze vordering bepaaldelijk is gevolmachtigd.

Namens de benadeelde [slachtoffer] wordt een schadevergoeding gevorderd van

€ 4.289,25, waarvan € 3.289,25 ter zake van materiële schade en € 1.000,00 ter zake van immateriële schade, voor de ten gevolge van het bewezen verklaarde feit veroorzaakte schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 2.873,05 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 1.873,05 ter zake van materiële schade, zijnde het totaal van de kostenposten autoschade, expertisekosten, taxatiekosten, kledingschade en de medische kosten alsmede 15% over het totaal daarvan als vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten, en € 1.000,00 ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Vanzelfsprekend hoeft verdachte de schade niet dubbel te vergoeden. Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De meer gevorderde materiële schade, zijnde de meer gevorderde buitengerechtelijke kosten, is naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarom voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot moord;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 5 jaar;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van

€ 2.873,05, waarvan € 1.873,05 ter zake van materiële schade en € 1.000,00 ter zake van immateriële schade;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer], € 2.873,05 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 38 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. Z.J. Oosting en mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van der Landen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 april 2010.