Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM1835

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
16-444172-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 4 voorwaardelijk voor het het plegen van oplichting (driemaal), valsheid in geschrifte en belediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/444172-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 februari 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], aan de [woonadres],

raadsvrouwe mr. C.J. Avis, advocaat te Haarlem.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 januari 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- feit 1, 2 en 3: oplichting heeft gepleegd;

- feit 4: valsheid in geschrifte heeft gepleegd;

- feit 5: iemand in het openbaar heeft beledigd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de 5 feiten heeft gepleegd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 1, 4 en 5. De verdediging is voorts van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 2 en 3.

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte met betrekking tot feit 2 heeft erkend dat hij € 11.000, - van [benadeelde 1] heeft ontvangen, maar dat hij dit bedrag ook aan [benadeelde 1] heeft teruggegeven. [benadeelde 1] heeft verklaard dat hij dit bedrag niet heeft terugontvangen. Deze verklaring wordt volgens de verdediging niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Daarom kan niet tot een bewezenverklaring van dit feit worden gekomen.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich ook op het standpunt gesteld dat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte ontkent ooit geld voor de aankoop van waterscooters te hebben ontvangen en dat de verklaring van [benadeelde 2], dat hij geld aan verdachte heeft gegeven voor de aankoop van waterscooters, niet door voldoende bewijs wordt ondersteund.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

[benadeelde 3], de moedermaatschappij van [bedrijf 1] en [bedrijf 2], is aangifte gedaan van oplichting. In de periode van 9 december 2008 tot en met 16 februari 2009 zijn bij [bedrijf 1] 15 bestellingen gedaan. Daarbij zijn onder meer 12 koffiezetapparaten besteld. De bestelde goederen zijn vervolgens afgehaald of bezorgd, zonder dat deze zijn betaald. Bij iedere bestelling heeft de betreffende besteller een klantnummer opgemaakt waarbij naam en adresgegevens zijn opgegeven. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij in voornoemde periode op de hierboven omschreven wijze onder valse namen en op adressen van andere personen koffiezetapparaten heeft besteld bij de [bedrijf 1] en dat hij deze koffiezetapparaten vervolgens heeft afgehaald zonder er voor te betalen. Verdachte heeft de goederen afgehaald in verschillende plaatsen in Nederland.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij van het begin af aan de goederen samen met [benadeelde 2] bij [bedrijf 1] heeft besteld en vervolgens heeft afgehaald. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij [benadeelde 2] heeft leren kennen nadat zijn vriendin, [getuige], bij hem is komen schoonmaken.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de onder feit 1 genoemde oplichting samen met [benadeelde 2] heeft bedacht en van het begin af aan samen met [benadeelde 2] heeft gepleegd niet geloofwaardig. Verdachte heeft namelijk de eerste bestelling al op 9 december 2008 verricht , terwijl [benadeelde 2] en [getuige] hebben verklaard dat zij verdachte pas in februari 2009 hebben leren kennen. Ter ondersteuning van de verklaring van [benadeelde 2] en [getuige] is een uitdraai van de advertentie op [naam] waarmee [getuige] haar schoonmaakdiensten heeft aangeboden, gedateerd 31 januari 2009, en de daarop volgende emailwisseling tussen een zekere [verdachte] die gebruik maakt van het e-mailadres [e-mailadres] in het dossier opgenomen. Deze persoon reageert op 31 januari 2009 op de advertentie waarop [getuige] op 2 februari 2009 contact legt met die persoon om bij hem te gaan schoonmaken. Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij de betreffende e-mails heeft verstuurd. De rechtbank acht deze ontkenning echter ongeloofwaardig nu deze e-mail is verstuurd vanaf een adres waarover verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat deze bij hem in gebruik was, de persoon die de e-mail heeft gestuurd dezelfde voornaam gebruikt als verdachte en omdat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat het in de e-mail genoemde telefoonnummer bij hem in gebruik was. Voorts heeft verdachte bekend dat voornoemde [getuige] in de genoemde periode als schoonmaakster bij hem begonnen is.

Aangezien [benadeelde 2] iedere betrokkenheid bij de oplichting ontkent en er naast de ongeloofwaardige verklaring van verdachte geen bewijsmiddelen zijn die wijzen op de betrokkenheid van [benadeelde 2], stelt de rechtbank vast dat verdachte de oplichting alleen heeft verricht.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde zelfstandig heeft gepleegd.

Feit 2

De heer [benadeelde 1] heeft verklaard dat hij op 13 en 14 mei 2008 verdachte in totaal

€ 11.000, - heeft gegeven. Hij heeft dit geld aan verdachte gegeven als inleg voor de aankoop van een boot. Verdachte heeft aan het begin van de maand mei in 2008 in Veenendaal namelijk tegen [benadeelde 1] gezegd dat hij een boot had gekocht, die hij zou opknappen en vervolgens met veel winst zou doorverkopen. [benadeelde 1] zou kunnen delen in de winst indien hij ook een deel van het aankoopbedrag voor zijn rekening zou nemen. De boot zou binnen een week verkocht worden, waarna [benadeelde 1] direct zijn inleg en zijn aandeel in de winst zou krijgen. [benadeelde 1] heeft ten slotte verklaard dat hij ondanks herhaalde verzoeken zijn geld niet heeft terugontvangen. Verdachte heeft bevestigd dat hij € 11.000, - van [benadeelde 1] heeft ontvangen als inleg voor de aankoop van een boot en dat hij [benadeelde 1] beloofd heeft dat hij in de winst bij de verkoop van de boot zou delen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij € 11.000, - aan [benadeelde 1] heeft teruggegeven. Verdachte kon ter terechtzitting niet aangeven wanneer hij dit geld aan [benadeelde 1] zou hebben gegeven. Daarnaast heeft verdachte geen geloofwaardige en controleerbare verklaring gegeven over van wie hij de boot zou hebben gekocht en aan wie hij de boot heeft verkocht. In onderling verband en samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde feiten en zijn strafrechtelijk verleden komt de rechtbank tot conclusie dat oplichting voor verdachte kennelijk een gewoonte is. Gelet op het voorgaande en het feit dat verdachte ten aanzien van de betrokkenheid van [benadeelde 2] bij het eerste feit ook een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd komt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaring van verdachte dat hij [benadeelde 1] zijn geld heeft terugbetaald, kennelijk leugenachtig is.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte [benadeelde 1] bewogen heeft tot afgifte van € 11.000, - door middel van leugens en valse beloftes en dat verdachte dit geld aan [benadeelde 1] nooit heeft terugbetaald. De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

De heer [benadeelde 2] heeft verklaard dat verdachte hem op 23 februari 2009 te Veenendaal vertelde dat hij goedkoop waterscooters kon kopen die hij vervolgens met een grote winst zou kunnen doorverkopen. Verdachte stelde vervolgens aan [benadeelde 2] voor dat hij de waterscooters zou kopen en doorverkopen en [benadeelde 2] de behaalde winst zou gunnen, indien [benadeelde 2] € 4.000, - zou inleggen voor de aanschaf van de waterscooters. [benadeelde 2] heeft vervolgens op die dag € 4.000, - van zijn bankrekening met nummer 33.19.88.488 opgenomen en te Veenendaal aan verdachte gegeven. [benadeelde 2] heeft zijn inleg en de beloofde winst nooit ontvangen. Verdachte heeft [benadeelde 2] meerdere malen toegezegd dat hij het geld zou betalen. Verdachte heeft onder meer toegezegd het geld in een schuur te zullen leggen, waarvan [benadeelde 2] vervolgens de sleutel van zou krijgen, waarna [benadeelde 2] het geld vervolgens uit de schuur zou kunnen pakken. [benadeelde 2] heeft echter geen passende sleutel en geen geld ontvangen. In het dossier is een opnamebon van een geldautomaat opgenomen waaruit blijkt dat op 23 februari 2009 te Veenendaal € 4.000, - is opgenomen van een rekeningnummer eindigend op de cijfers: 8.488. In het geheugen van de bij verdachte in gebruik zijnde telefoon is een ontvangen sms-bericht van 2 maart 2009 aangetroffen met de tekst: “T geld van die waterscooters is nog niet binnen!” daarnaast zijn er meerdere berichten aangetroffen die op 1 en 2 maart 2009 zijn ontvangen, waarin wordt gevraagd om een sleutel. Voornoemde berichten zijn verzonden met het telefoonnummer: [telefoonnummer]. Dit is het nummer van [getuige], de vriendin van [benadeelde 2]. [getuige] ondersteunt de verklaring van [benadeelde 2] dat hij € 4.000, - aan verdachte heeft gegeven zodat hij waterscooters kon kopen, die hij met winst kon verkopen. Daarnaast heeft zij verklaard dat wanneer [benadeelde 2] om het geld vroeg, verdachte met allerlei verhalen kwam, maar het geld niet aan [benadeelde 2] gaf.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [benadeelde 2] op 23 februari 2009 € 4.000, - van zijn bankrekening heeft opgenomen om op 3 maart 2009 een aanbetaling te doen voor de gezamenlijke schuld van [benadeelde 2] en verdachte aan de [bedrijf 1]. De rechtbank heeft bij haar beoordeling van feit 1 vastgesteld dat verdachte de oplichting ten aanzien van [bedrijf 1] alleen en zonder hulp van [benadeelde 2] heeft verricht. De rechtbank stelt dan ook vast dat de schuld aan [bedrijf 1] een schuld was die alleen voor rekening kwam van verdachte en dus niet gedeeltelijk voor rekening van [benadeelde 2]. Aan het feit dat [benadeelde 2] een schuldbekentenis heeft ondertekend onder gelijktijdige betaling van € 2.000,-, hecht de rechtbank weinig betekenis, nu deze kennelijk het gevolg is van het feit dat [benadeelde 2] zich op dit punt heeft laten misleiden door verdachte.

Nu de aanbetaling pas een week na de geldopname plaats zou vinden en de hoogte van de aanbetaling was vastgesteld op € 2.000, -, acht de rechtbank het niet geloofwaardig dat [benadeelde 2], die heeft verklaard op dat moment al een paar jaar geldproblemen te hebben,

€ 4.000, - in contanten opneemt om vervolgens pas een week later een schuldbekentenis te tekenen en € 2.000,- te betalen van de schuld van verdachte aan [bedrijf 1].

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niets van een afspraak over waterscooters af weet en dat hij nooit iets met waterscooters te maken heeft gehad. Verdachte heeft voorts ter terechtzitting verklaard dat hij geen geld van [benadeelde 2] voor de aanschaf van waterscooters heeft ontvangen en dat hij daarom ook geen geld aan [benadeelde 2] verschuldigd is. Deze verklaring van verdachte is strijdig met de verklaringen van [benadeelde 2] en [getuige]. De verklaringen van [benadeelde 2] en [getuige] ondersteunen elkaar en worden daarnaast ondersteund door de sms-berichten afkomstig uit de bij verdachte in het bezit zijnde telefoon en de opnamebon van de geldautomaat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaring van verdachte dat hij niets met waterscooters te maken heeft gehad en nooit geld van [benadeelde 2] heeft ontvangen ongeloofwaardig en kennelijk leugenachtig is en dat deze verklaring is afgelegd om de waarheid te verhullen. De rechtbank laat voornoemde kennelijk leugenachtige verklaring meewerken tot het bewijs dat verdachte een afspraak heeft gemaakt met [benadeelde 2] omtrent de aankoop van waterscooters en daarvoor geld heeft ontvangen.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte [benadeelde 2] bewogen heeft tot afgifte van € 4.000, - door middel van leugens en valse beloftes. Niet aannemelijk is geworden dat het afgegeven geld aan [benadeelde 2] is terugbetaald. De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De verdediging heeft aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte zou hebben gezegd dat hij de verkoopopbrengst van de waterscooters met [benadeelde 2] zou delen. Volgens [benadeelde 2] zou verdachte hem de volledige winst hebben toegezegd. Dit strookt volgens de verdediging niet met de passage in de tenlastelegging dat verdachte [benadeelde 2] tot afgifte van het geld heeft bewogen door zich voor te doen alsof hij bereid was ‘de bij de verkoop van die waterscooters te maken winst met die [benadeelde 2] te delen’.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de verklaring van het woord ‘delen’ in het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal (14e druk, 2005). Deze verklaring luidt onder meer: ‘verdelen, elk zijn aandeel geven’. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [benadeelde 2] zo kan worden begrepen dat verdachte hem een aandeel van 100 % heeft toegezegd. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het volledig toezeggen van de winst aan [benadeelde 2] als een toezegging tot ‘delen’ van de winst (het toezeggen van een aandeel van 100% in de winst) kan worden begrepen.

Feit 4

De heer [betrokkene 1] heeft verklaard dat, zonder zijn toestemming, tweemaal goederen op naam van zijn bedrijf zijn besteld door een persoon genaamd [naam] en bezorgd op zijn voormalige woon- en kantooradres aan de [adres] te [woonplaats]. [betrokkene 1] heeft een eenmanszaak en geen personeel. Beide keren heeft iemand, zonder zijn toestemming, met zijn naam voor ontvangst getekend. De eerste keer betrof het een navigatiesysteem en de tweede maal een doos met suikerzakjes. Op de handtekeningenkaarten is te zien dat de goederen zijn afgeleverd op voornoemd adres op 9 januari 2009 en op 6 maart 2009 en dat beide keren is getekend onder de naam ‘[betrokkene 1]’. Verdachte heeft verklaard dat hij in die periode op voormeld adres woonde en dat hij de doos met suikerzakjes bij hem thuis heeft bewaard. De toenmalige vriendin van verdachte en medebewoonster van voornoemd adres, heeft verklaard dat zij niet voor de ontvangst van pakjes heeft getekend met de naam [betrokkene 1].

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het navigatiesysteem door [benadeelde 2] besteld is en dat [benadeelde 2] het pakket in ontvangst genomen heeft. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij de doos met suikerzakjes voor zijn huis heeft aangetroffen en deze vervolgens mee naar binnen heeft genomen.

De rechtbank heeft in haar beoordeling van feit 1 vastgesteld dat verdachte [benadeelde 2] pas ontmoet heeft in februari 2009 en dat verdachte gebruikmaakte van het e-mailadres [naam]. Gelet op het feit dat het navigatiesysteem in januari 2009 is bezorgd, is de rechtbank dan ook van oordeel dat de verklaring van verdachte dat [benadeelde 2] het navigatiesysteem in ontvangst genomen heeft, ongeloofwaardig en kennelijk leugenachtig is. De rechtbank laat voornoemde kennelijk leugenachtige verklaring meewerken tot het bewijs dat verdachte het navigatiesysteem zelf in ontvangst heeft genomen en daarvoor heeft getekend.

Gelet op de verklaring van de medebewoner van verdachte dat zij nooit met de naam [betrokkene 1] voor ontvangst van een pakket heeft getekend en het feit dat verdachte zelf voor ontvangst van het navigatiesysteem met de naam [betrokkene 1] voor het navigatiesysteem heeft getekend, acht de rechtbank de verklaring van verdachte, dat iemand anders onder de naam [betrokkene 1] voor ontvangst van de suikerzakjes moet hebben getekend en deze vervolgens voor het huis van verdachte heeft achtergelaten, niet aannemelijk. Aangezien verdachte de suikerzakjes in zijn huis had staan, concludeert de rechtbank dan ook dat verdachte zelf voor de ontvangst van de suikerzakjes moet hebben getekend.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 4 ten laste gelegde feit in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5

De heer [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij op 16 mei 2009 in de [adres] te Veenendaal tijdens zijn werkzaamheden als parkeerwachter is uitgemaakt voor onder meer “vieze kanker…” en “flikker”. [betrokkene 2] heeft met betrekking tot voormeld incident een klacht ingediend ter zake van belediging. Verdachte heeft bij de politie bekend dat hij

een parkeerwacht in de [adres] te Veenendaal heeft uitgescholden voor alles en nog wat en dat hij best ‘klootzak’ en ‘kankerjong’ gezegd kan hebben. Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij bij zijn verklaring bij de politie wenst te blijven.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 5 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 09 december 2008 tot en met 16 februari 2009 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en hoedanigheid, [benadeelde 3] ([bedrijf 1] en [bedrijf 2]) heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid goederen, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid zich voorgedaan als een klant, bereid en in staat om de bestelde en afgehaalde goederen te betalen, waardoor [benadeelde 3] ([bedrijf 1] en [bedrijf 2]) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

in de periode van 01 mei 2008 tot en met 20 juni 2008 te Veenendaal, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van een bedrag aan geld groot 11.000,-- euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid zich voorgedaan als zijnde bereid en in staat om een motorboot op te knappen en vervolgens de bij de verkoop van die boot te maken winst met [benadeelde 1] voornoemd te delen, waardoor die [benadeelde 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

3.

in de periode van 23 februari 2009 tot en met 23 maart 2009 te Veenendaal of elders in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van een bedrag aan geld groot 4.000,-- euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid voorgedaan als zijnde bereid en in staat tot de aankoop van waterscooters en de bij de verkoop van die waterscooters te maken winst met die [benadeelde 2] te delen, waardoor [benadeelde 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

4.

in de periode van 09 januari 2009 tot en met 06 maart 2009 te Veenendaal, meermalen telkens een handtekeningenkaart, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte toen daar telkens valselijk een handtekening/paraaf geplaatst als ware hij [betrokkene 1], zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

5.

op 16 mei 2009 te Veenendaal, opzettelijk een persoon genaamd [betrokkene 2], in het openbaar mondeling heeft beledigd, door die [betrokkene 2] toe te voegen de woorden: "klootzak en kankerjong en vieze kanker en flikker".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

oplichting, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2 en 3, telkens:

oplichting.

Ten aanzien van feit 4:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 5:

eenvoudige belediging.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte ter zitting openheid van zaken heeft gegegeven en dat hij inmiddels anders in het leven staat. Verdachte is een eigen (internet)bedrijf begonnen in de in- en verkoop van tweedehands brommers en onderdelen. Verdachte is via het UWV bezig om zijn vrachtwagenrijbewijs te behalen. Daarnaast is de partner van verdachte zwanger van een tweeling. Zij is uitgerekend op 21 april 2010. Het is van belang dat verdachte voor en na de bevalling thuis is om zijn partner te steunen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft twee postorderbedrijven opgelicht. Hiermee heeft hij deze twee bedrijven schade berokkend. Daarnaast zorgen dergelijke handelingen er in het algemeen voor dat postorderbedrijven het vertrouwen verliezen in de juistheid van de door klanten opgegeven gegevens. Zij zien zich daardoor genoodzaakt extra voorzorgsmaatregelen te nemen om oplichting te voorkomen. Dergelijke maatregelen belemmeren het economisch verkeer en werken daarnaast vaak kostprijsverhogend. Uiteindelijk krijgen consumenten de rekening gepresenteerd van het door verdachte vertoonde gedrag.

Met betrekking tot de feiten 2 en 3 heeft de rechtbank overwogen dat verdachte misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen van twee personen. Hij heeft de ene persoon al zijn geld afhandig gemaakt, terwijl hij wist dat deze persoon het niet breed had. De andere persoon heeft hij er toe aangezet om een lening af te sluiten en zich daarmee in de schulden te steken, puur voor zijn eigen gewin. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. Naast de financiële problemen die dit voor de beide personen heeft opgeleverd, is daarnaast op grove wijze misbruik gemaakt van hun vertrouwen in verdachte.

Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

De rechtbank deelt niet het standpunt van de verdediging dat verdachte ter terechtzitting volledige openheid van zaken heeft gegeven en zal dit dan ook niet ten voordele van verdachte meewegen. Ten aanzien van feit 1 heeft verdachte immers getracht één van zijn slachtoffers, de heer [benadeelde 2], tot mededader te bestempelen. Daarnaast heeft hij ten aanzien van de feiten 2 en 3 leugenachtige verklaringen afgelegd.

Ten slotte heeft de rechtbank in acht genomen dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie, op 28 november 2008 is vrijgekomen na een gevangenisstraf van vier maanden voor een ander vermogensdelict. Dit heeft kennelijk geen indruk op verdachte gemaakt omdat hij binnen twee weken na zijn detentie al weer de fout is ingegaan met het plegen van het eerste feit.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. Bovendien is verdachte reeds vele malen eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden passend en geboden is.

Nu de verdachte heeft aangegeven vader te worden en daarom zijn leven te willen beteren ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten vier maanden voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt bovendien beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7. De benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert een schadevergoeding van € 1.101,50 voor feit 1. De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

De verdediging heeft ten aanzien van deze vordering aangevoerd dat de in de aangifte onder de nummers 10, 11 en 12 aangeduide bestelde artikelen (drie koffiezetapparaten) niet te koppelen zijn aan verdachte en dat de vordering van de benadeelde partij voor dat gedeelte afgewezen dient te worden.

De door de verdediging bedoelde artikelen zijn alle drie besteld onder de naam [naam]. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de naam [naam] gebruikt zou kunnen hebben. Gelet op voornoemde verklaring van verdachte en het feit dat het gaat om dezelfde koffiezetapparaten, als de apparaten die aantoonbaar door verdachte – op dezelfde wijze - zijn besteld en afgehaald, stelt de rechtbank vast dat ook deze drie koffiezetapparaten door verdachte zijn besteld en afgehaald zonder te betalen. De vordering zal daarom volledig worden toegewezen.

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 13.776, - voor feit 2. De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 11.000, -, zijnde het bedrag dat [benadeelde 1] aan verdachte heeft afgegeven en nooit heeft terugontvangen, een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij de heer [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 4.000, - voor feit 3.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de bovenstaande toegekende vorderingen benadeelde partij zal de rechtbank de schademaatregel opleggen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57, 63, 225, 266 en 326 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5.1 genoemde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van € 1.101,50 ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 16 februari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 11.000, - ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 14 mei 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 4.000, - ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 23 februari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partijen tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [benadeelde 3], € 1.101,50, 21 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [benadeelde 1], € 11.000, -, 90 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [benadeelde 2], € 4.000, -, 50 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mr. A.G. van Doorn en mr. R.C. Hartendorp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Scharrenborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 februari 2010.