Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM1245

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
16-514086-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 92 dagen jeugddetentie en oplegging van een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (GBM) voor twee diefstallen met geweld en een verduistering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/514086-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 januari 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1992] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], aan de [woonadres],

thans gedetineerd in Justitiële jeugdinrichting de Heuvelrug, locatie Eikenstein, te Zeist,

raadsman mr. R.P. Adema, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 december 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- feit 1 en 3: samen met anderen een diefstal met (bedreiging met) geweld heeft gepleegd;

- feit 2: samen met een ander een telefoon heeft verduisterd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de drie feiten heeft gepleegd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het onder twee tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van het eerste feit heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het tenlastegelegde gebruik van geweld en de bedreiging met geweld. Met betrekking tot het geweld bevat het dossier volgens de verdediging tegenstrijdige verklaringen. Het is daardoor niet duidelijk of verdachte geduwd, geslagen of gestompt heeft. Ten aanzien van de bedreiging heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte al was weggelopen op het moment dat het slachtoffer bedreigd zou zijn.

Verdachte dient volgens de verdediging volledig vrijgesproken te worden van het onder 3 ten laste gelegde feit, omdat uit het dossier niet blijkt dat verdachte de telefoons heeft weggenomen van de slachtoffers. Zij hebben verklaard dat zij de telefoons - onder bedreiging - zelf aan verdachte hebben overhandigd. Dit is volgens de verdediging niet als diefstal te kwalificeren, hooguit als een ander strafbaar feit, maar dat is niet ten laste gelegd.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij op 5 juni 2009 op de [adres] in Amersfoort liep en dat hij daar een groep jongens en een meisje zag staan. Een jongen uit deze groep vroeg [aangever 1] of hij beltegoed had, waarna die jongen de telefoon van [aangever 1] uit diens broekzak pakte. Deze jongen gaf de telefoon vervolgens aan een andere jongen, waarna hij verschillende malen over en weer ging tussen deze beide jongens. [aangever 1] vroeg tweemaal tevergeefs zijn telefoon terug aan deze jongens. Vervolgens kwam de jongen die de telefoon had afgepakt op [aangever 1] af en gaf hem met open hand een klap in zijn gezicht, wat pijn deed bij [aangever 1]. Hij zag dat de jongen wegliep in de richting van de groep. Een andere jongen uit deze groep kwam daarna op [aangever 1] af en zei tegen hem: “Als jij er politie bij haalt dan slaan wij je in elkaar” of woorden van een dergelijke strekking. Hierdoor voelde [aangever 1] zich bedreigd. De telefoon van [aangever 1] was een zwarte Sony Ericsson. Getuige [getuige 1] heeft de jongen die de telefoon van [aangever 1] afpakte herkend als verdachte. Hij heeft verdachte in een groepje van drie à vier jongens op hem en [aangever 1] af zien lopen. [aangever 1] heeft tevens een van de andere jongens iets horen zeggen in de trant van: “beter dat jullie geen aangifte gaan doen of de politie erbij halen, anders krijgen jullie problemen”. Vervolgens zag hij de drie jongens weer terug lopen naar hun groep. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij gezien heeft dat verdachte de telefoon uit de broekzak van [aangever 1] heeft gehaald. Daarna hoorde hij [aangever 1] vragen of hij zijn telefoon terug mocht. Hij hoorde verdachte daarop “nee” zeggen en hij hoorde een klap. Vervolgens zag hij dat [aangever 1] met zijn hand naar zijn wang greep. [medeverdachte 1] maakte hieruit op dat [aangever 1] geslagen was door verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij de telefoon van [aangever 1] heeft afgenomen en dat hij [aangever 1] een duwtje in zijn gezicht heeft gegeven.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte de telefoon van [aangever 1] heeft gestolen en daarbij een klap heeft uitgedeeld. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verdachte dit in samenwerking met twee andere jongens heeft gedaan. De jongen met wie de verdachte de telefoon een paar keer over en weer heeft gegeven en de jongen die de bedreiging heeft geuit kwamen volgens de verklaringen van aangever en getuige [getuige 1] uit dezelfde groep.

De rechtbank leidt uit voorgaande bewijsmiddelen af dat deze jongens opzettelijk hebben samengewerkt. Verdachte en de tweede jongen probeerden [aangever 1] in verwarring te brengen door de telefoon een aantal malen over te geven, waarna zij beiden, tot tweemaal toe aangesproken door [aangever 1], ontkenden dat ze de telefoon hadden en terugliepen naar de groep waartoe zij behoorden. Uit diezelfde groep bedreigde vervolgens de derde jongen [aangever 1], kennelijk om te voorkomen dat hij aangifte zou doen tegen de eerste twee jongens. De handelingen van deze drie jongens dienden naar het oordeel van de rechtbank hetzelfde doel: de diefstal van de telefoon en het voorkomen van aangifte van die diefstal. Gelet op deze door de rechtbank geconstateerde samenwerking tussen de drie jongens, rekent de rechtbank de bedreiging van [aangever 1] door een van de drie jongens ook aan verdachte toe. De jongen die de bedreiging uitte kwam immers uit dezelfde groep als verdachte en verdachte liep op het moment dat de bedreiging werd geuit weliswaar weg van [aangever 1], maar verwijderde zich niet uit de directe omgeving. Bovendien volgde de bedreiging zeer kort op de handelingen van verdachte zelf.

Aangever heeft verklaard dat hij in zijn gezicht is geslagen. Verdachte heeft zelf ter terechtzitting verklaard dat hij aangever in zijn gezicht geduwd heeft. Getuige [medeverdachte 1] heeft een klap gehoord en aangever vervolgens naar zijn gezicht zien grijpen. De rechtbank is van oordeel dat hieruit kan worden afgeleid dat verdachte, [aangever 1] in zijn gezicht heeft geslagen. Verdachte duidt dit zelf weliswaar als een duw, maar [aangever 1] heeft het zelf als een klap omschreven en daarnaast heeft [medeverdachte 1] een klap gehoord.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2:

Aangever [aangever 2] heeft verklaard dat hij op 27 april 2009 op de [adres] te Amersfoort zijn zwarte telefoon van het merk LG aan een jongen heeft uitgeleend die ‘[verdachte]’ genaamd was. Deze [verdachte] had verzocht of hij met de telefoon van [aangever 2] mocht bellen. De telefoon werd vervolgens een aantal maal over en weer gegeven tussen [verdachte] en een andere jongen. [aangever 2] heeft op een gegeven moment de beide jongens verzocht om zijn telefoon terug te geven. De jongens zeiden beiden dat ze de telefoon niet hadden en renden toen weg. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de telefoon heeft weggenomen op de wijze zoals door [aangever 2] in zijn aangifte is verklaard.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3:

[aangever 3] en [aangever 4] hebben in hun eerste verklaring bij de politie aangegeven dat het hierna te omschrijven incident op het [adres] te Amersfoort zou hebben plaatsgevonden. Later verklaarden zij dat het incident in het [adres] te Amersfoort heeft plaatsgevonden.

[aangever 3] heeft verklaard dat hij op 23 juni 2009 samen met [aangever 4] in het [adres] te Amersfoort was. Daar werden zij benaderd door een jongen en een meisje. De jongen vroeg of hij mocht bellen. Toen [aangever 3] en [aangever 4] weigerden hun telefoon aan de jongen af te staan, zei de jongen een paar keer op een dreigende toon: “laat me bellen, ik stomp je”. Uit angst dat de jongen zou gaan slaan, gaf [aangever 3] hem zijn telefoon. De jongen deed een poging om te bellen, [aangever 3] vroeg vervolgens zijn telefoon terug, waarop de jongen zei: “Ga naar achteren anders haal ik dingen uit mijn binnenzak”. Terwijl hij dit zei ging de jongen met zijn hand naar zijn binnenzak. De jongen liep vervolgens weg. [aangever 4] heeft ook verklaard dat hij zijn telefoon aan de betreffende jongen heeft gegeven, nadat de jongen had gezegd: “geef hier anders sla ik je”. Vervolgens heeft [aangever 4] de jongen horen zeggen: “Ga naar achteren anders haal ik rare dingen uit mijn zak”. Toen de jongen in zijn zakken begon te wroeten, alsof hij een wapen had werd [aangever 4] bang. [aangever 3] wijst bij een fotoconfrontatie verdachte aan als de jongen die hen heeft bedreigd en hun telefoons heeft weggenomen. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat ze met verdachte in het [adres] is geweest en dat ze daar de telefoons van twee jongens hebben gebruikt. Ze merkte dat [verdachte] de telefoon niet wilde teruggeven. Verdachte zei toen tegen haar dat zij moest doorlopen. [getuige 3] liep weg en even later kwam verdachte bij haar lopen en liet haar twee telefoons zien. Hij zei tegen haar dat ze sneller moest gaan lopen omdat hij bang was dat de jongens achter hem aan zouden komen. [getuige 3] hoorde verdachte tegen haar zeggen dat hij de telefoons wilde verkopen.

De rechtbank heeft over het standpunt van de verdediging dat geen sprake is van diefstal omdat de beide slachtoffers hebben verklaard dat zij de telefoons aan verdachte hebben overhandigd, het volgende overwogen. In lijn met het arrest van de Hoge Raad van 28 april 1992 (LJN: AD1662) is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van diefstal.

De slachtoffers hebben verklaard dat zij de telefoon aan verdachte hebben overhandigd. Daarnaast hebben zij verklaard dat zij in eerste instantie hebben geweigerd de telefoon aan verdachte te geven. Slachtoffers hebben vervolgens de telefoons aan verdachte aangeboden omdat zij daartoe door de bedreiging van verdachte werden bewogen.

De rechtbank stelt vast dat deze gang van zaken als afpersing in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht kan worden gekwalificeerd. De rechtbank is echter daarnaast van oordeel dat tevens sprake is van diefstal met bedreiging van geweld. Het aannemen van de telefoons door verdachte, nadat slachtoffers deze na protest en onder bedreiging aan hem hebben aangeboden kan naar het oordeel van de rechtbank worden gekwalificeerd als het voor diefstal noodzakelijke bestanddeel ‘wegnemen’.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 05 juni 2009 te Amersfoort op de openbare weg, de [adres], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Sony Ericsson, kleur zwart) toebehorende aan [aangever 1], welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers van voormeld misdrijf het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte of één van zijn mededaders die [aangever 1] een klap in diens gezicht heeft gegeven, of tegen die [aangever 1] heeft gezegd: "Als jij er politie bijhaalt dan slaan wij je in elkaar", althans woorden met een dergelijk dreigend karakter;

2.

op 27 april 2009 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een mobiele telefoon (merk LG, kleur zwart) toebehorende aan [aangever 2], welk

goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten door die telefoon te lenen teneinde ermee te bellen, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

op 23 juni 2009 te Amersfoort met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee telefoons toebehorende aan [aangever 3] en [aangever 4], welke diefstal werd voorafgegaan en gevolgd van bedreiging met geweld tegen genoemde [aangever 3] en [aangever 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte tegen genoemde [aangever 3] heeft gezegd: 'laat me bellen, ik stomp je’ en tegen genoemde [aangever 4] heeft gezegd: 'geef hier, anders sla ik je' en tegen genoemde [aangever 3] en [aangever 4] heeft gezegd: 'Ga naar achteren anders haal ik rare dingen uit mijn binnenzak'.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

diefstal, gevolgd door geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van verduistering.

Ten aanzien van feit 3:

diefstal, voorafgegaan en gevolgd door bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen 92 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest en daarnaast een gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van één jaar, subsidiair één jaar vervangende jeugddetentie. Verdachte dient in het kader van de gedragsbeïnvloedende maatregel te voldoen aan de volgende voorwaarden:

- het opvolgen van aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering in het kader van een Maatregel Hulp en Steun, waarvan één jaar in de vorm ITB+;

- het volgen van een cognitieve gedragstherapie bij de Waag of een soortgelijke instelling;

- medewerking aan de therapie die aan het gezin van verdachte wordt gegeven in het kader van Wrap Around Care.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte graag weg wil uit Eikenstein en weer naar school wil. Voorts verzoekt de verdediging aan de rechtbank om bij haar oordeel in acht te nemen dat uit het psychologisch onderzoek naar de persoon van verdachte naar voren is gekomen dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar is.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich tot driemaal toe telefoons van een ander toegeëigend. Tweemaal heeft hij dit gedaan door middel van bedreiging, waarbij eenmaal tevens geweld is toegepast door verdachte, en eenmaal door misbruik te maken van het vertrouwen van het slachtoffer in een persoon waarmee hij die middag een partijtje basketbal had gespeeld. Deze feiten zijn voor de slachtoffers zeer ingrijpend geweest. Het op klaarlichte dag in het openbaar eigendommen van andere mensen afnemen is naar het oordeel van de rechtbank respectloos en zeer verwerpelijk. De rechtbank neemt het verdachte daarnaast bijzonder kwalijk dat hij deze feiten ter terechtzitting heeft betiteld als ‘kleine onnodige dingetjes’. Verdachte heeft kennelijk nog steeds niet stilgestaan bij de impact die zijn daden hebben op zijn slachtoffers.

De rechtbank heeft voorts in zijn beoordeling meegenomen dat verdachte al meerdere malen eerder is veroordeeld voor diefstal, voor het laatst op 4 februari 2009 door de kinderrechter Utrecht.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 december 2009. Hierin wordt de rechtbank geadviseerd om verdachte een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen voor de duur van één jaar. Deze maatregel dient te bestaan uit door verdachte te volgen cognitieve gedragstherapie bij De Waag, jeugdreclasseringsbegeleiding in het kader van een maatregel Hulp en Steun waarvan één jaar ITB+ en intensieve gezinstherapie door Menskracht in het kader van ‘wrap around care’. Het advies om een gedragsbeïnvloedende maatregel aan verdachte op te leggen wordt mede ondersteund door drs. E.T. Hansen, GZ psycholoog, in zijn rapport van 30 oktober 2009.

Ten slotte heeft de rechtbank in haar oordeel meegenomen dat verdachte heeft verklaard dat hij zijn levensstijl wil veranderen en dat hij aan de gedragsbeïnvloedende maatregel wenst mee te werken.

Gelet op de ernst van de door verdachte gepleegde feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, voor de duur van 92 dagen op zijn plaats. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van de gedragsbeïnvloedende maatregel onder de door de Raad voor de Kinderbescherming geschetste voorwaarden in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte en om de negatieve levensstijl van verdachte te kunnen doorbreken.

De rechtbank merkt hierbij op dat het voldoen aan de gestelde voorwaarde met betrekking tot gezinstherapie niet alleen afhankelijk is van de inzet van verdachte. Het is mogelijk dat de uitvoering van deze therapie door een gebrek aan inzet of de opstelling van de ouders van verdachte niet mogelijk blijkt te zijn. Indien het voorgaande niet door het gedrag van verdachte zelf veroorzaakt is, dienen de voorwaarden van de maatregel aangepast te worden, zodat deze voorwaarde vervangen kan worden door een andere voorwaarde met betrekking tot de thuissituatie van verdachte.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 2] vordert een schadevergoeding van € 163,99 voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is niet door de verdediging betwist. De kosten van de telefoon zijn door middel van de aankoopbon onderbouwd. Het beltegoed en de kosten voor het parkeergeld zijn niet nader onderbouwd. Gelet op de hoogte van deze vorderingen acht de rechtbank deze kosten echter voldoende aannemelijk. De rechtbank zal de vordering volledig toewijzen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, zijnde 27 april 2009.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77l, 77w, 77wc, 77gg, 310, 311, 312 en 321 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5.1 genoemde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 92 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

Maatregel

- legt op aan verdachte de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 1 jaar, bestaande uit:

- het opvolgen van de aanwijzingen gegeven door Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering in het kader van de Maatregel Hulp en Steun, waarvan één jaar in de vorm ITB+;

- het volgen van cognitieve gedragstherapie bij de Waag of een soortgelijke instelling;

- het meewerken aan intensieve gezinstherapie door Menskracht in het kader van ‘Wrap Around Care’.

- beveelt dat, als verdachte niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 1 jaar;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf.

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 163,99 ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 27 april 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

€ 163,99 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 dagen vervangende jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. R.C. Hartendorp en mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Scharrenborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 januari 2010.

De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.