Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0311

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-02-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
16/712193-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummers:16/712193-09, 16/601016-09 (TUL) [P]

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 februari 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht.

Raadsman: mr. B.M.A. Drykoningen, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 februari 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een gewapende overval op een slijterij heeft gepleegd.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte, de beelden die van de overvaller zijn gemaakt door een beveiligingscamera in de slijterij en door een camera van een nabij gelegen supermarkt en tot slot op de verklaringen van drie verbalisanten die de man op deze beelden ambtshalve herkennen als verdachte.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op de verschillen tussen het voorkomen van de overvaller en dat van verdachte. De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de herkenning door verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [x] niet betrouwbaar is.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op 13 november 2009 omstreeks 16.36 uur vond er een overval plaats in slijterij [bedrijf], gelegen aan de [adres] te [woonplaats]. Bij deze overval zijn [aangever 1] en [getuige] door de overvaller met een vuurwapen dan wel met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bedreigd. De buit van de overvaller bestond uit briefgeld en munten met een waarde van € 270,00.

Bewijsoverweging

Uit de aangifte van [aangever 1] en de verklaring van getuige [getuige] blijkt dat de overvaller een (licht) getinte man is van ongeveer 25 tot 35 jaar van Turks/Marokkaanse afkomst. De man was ongeveer 1.72 tot 1.78 meter lang en had zwart/donkerbruin licht krullend haar. Deze kenmerken komen weliswaar overeen met de kenmerken die van verdachte zijn opgenomen in het Herkenningssysteem van de politie, maar zijn weinig specifiek.

Van de overvaller zijn beelden gemaakt door de beveiligingscamera van de slijterij en door een beveiligingscamera van een nabij gelegen supermarkt. Van deze beelden zijn prints op de interne site van de politie Utrecht geplaatst. Op 18 november 2009 heeft verbalisant [verbalisant 1] de betreffende beelden bekeken en hij herkende de overvaller als de hem ambtshalve bekende [verdachte], verdachte. Een dag later, op 19 november 2009, heeft verbalisant [verbalisant 2] de beelden gezien. Ook hij herkende verdachte ambtshalve als de man die de overval heeft gepleegd. Naar aanleiding van deze herkenningen werd besloten om verdachte aan te houden. Ter voorbereiding op deze aanhouding heeft verbalisant [x] de betreffende camerabeelden bekeken. Bij het zien van verdachte herkende ook hij verdachte als de man die hij kort daarvoor op de bewakingsbeelden had gezien.

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de oprechtheid van de verbalisanten die zeggen op de beelden verdachte te herkennen. De vraag is echter hoe betrouwbaar die herkenningen zijn. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard verdachte te herkennen aan zijn kaaklijn, spitse gelaat en voorkomen. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard verdachte te herkennen aan zijn gezicht, postuur en aan de manier van lopen en bewegen. Voor zover de herkenning door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] moet worden beschouwd als een herkenning van een bekende acht de rechtbank van belang dat een dergelijke herkenning niet in de eerste plaats plaatsvindt aan de hand van bepaalde gezichtskenmerken maar aan de hand van een zogenoemd holistisch beeld. Daarbij komt dat deze kenmerken onvoldoende specifiek en onderscheidend zijn. Bovendien moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de verbalisanten door de omschrijving van de overvaller als een junkachtig type, zich onbewust hebben laten leiden tot een vergelijking met personen uit een relatief beperkte groep. Indien de rechtbank daarbij betrekt dat de kwaliteit van de camerabeelden tenminste matig is te noemen, is geenszins ondenkbaar dat het uiterlijk van verdachte mogelijk overeenkomsten vertoont met het uiterlijk van de persoon op de beelden terwijl hij deze persoon in werkelijkheid niet is. De herkenning door verbalisant [x] betreft geen herkenning van een bekende, maar een enkelvoudige confrontatie.

Uit het bovenstaande volgt dat de herkenningen slechts beperkte bewijskracht hebben. Het overtuigende bewijs dat verdachte de overval heeft gepleegd, kan dan ook niet uitsluitend worden gebaseerd op deze herkenningen.

Aanvullend bewijs ontbreekt. De rechtbank heeft ter zitting de camerabeelden van de slijterij en van de nabij gelegen supermarkt bekeken. Deze beelden geven geen specifieke aanknopingspunten in de richting van verdachte. De fiets die op de camerabeelden is te zien en die door de overvaller gebruikt zou zijn, vertoont geen relevante overeenkomsten met de fiets die bij verdachte is aangetroffen. De jas die de overvaller op de beelden droeg is niet bij verdachte aangetroffen.

Niet gebleken is dat het alibi van verdachte onjuist is. Uit de verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris blijkt dat verdachte stelt dat hij thuis was omdat hij een belafspraak had met een medewerker van stichting Miroya. Vervolgens heeft de politie aan een medewerker van deze stichting gevraagd of verdachte op het betreffende tijdstip huisbezoek heeft gehad van een medewerker, hetgeen niet het geval bleek te zijn. Verdachte had dit echter ook niet verklaard.

Aangever [aangever 1] en getuige [getuige] hebben de overvaller beiden goed kunnen zien. Laatstgenoemde verklaarde hierover zelfs dat zij de overvaller van een afstand van ongeveer 3,5 meter ongeveer een halve minuut in het gezicht heeft gezien. Bij een fotoconfrontatie, enkele weken na de overval, herkende zowel [aangever 1] als getuige [getuige] verdachte echter niet als de man die de overval zou hebben begaan.

De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, niet op grond van wettig en overtuigend bewijs de overtuiging verkregen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken.

4. De overwegingen omtrent het beslag.

4.1. De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het hierna te noemen in beslag genomen voorwerp, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van dit inbeslaggenomen goed.

5. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 dagen, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van deze rechtbank van

30 september 2009 ten uitvoer zal worden gelegd.

Nu verdachte wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

6. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een groene damesfiets van het merk Germaan;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, L.M.G. de Weerd en M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 februari 2010.