Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0310

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
16-604156-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Dit voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604156-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 januari 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1975] te [geboorteplaats] (Suriname)

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsman mr. S. de Korte, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 januari 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte aangeefster meerdere malen ongewenst in haar schaamstreek heeft betast.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Vast staat dat aangeefster en verdachte op hetzelfde moment in de friettent zijn geweest en dat ze met elkaar gesproken hebben, ongeacht wat er precies gezegd is. Tevens verklaart verdachte ter terechtzitting dat hij aangeefster in de friettent op de schouder heeft aangeraakt. Deze verklaring van verdachte, in samenhang met de aangifte maakt dat er wettig bewijs is, aldus de officier van justitie.

De overtuiging dat verdachte het feit begaan heeft, haalt de officier van justitie onder meer uit de ondersteunende verklaring van getuige [getuige]. Hieruit blijkt dat er drie ontmoetingen geweest zijn tussen aangeefster en verdachte. Aangeefster heeft dit ook verklaard, terwijl verdachte spreekt over twee ontmoetingen. Tevens verklaren aangeefster en getuige eensluidend dat verdachte zijn justitiepas getoond heeft en daarbij gezegd heeft: “Jullie kunnen mij toch niks maken”. Ook over het tonen van het justitiepasje wordt door verdachte anders verklaard. Als de getuige en aangeefster hun verhaal op elkaar afgestemd zouden hebben, dan zou de getuige ook verklaard hebben dat hij gezien heeft dat verdachte het kruis van aangeefster aangeraakt heeft. Dat wordt echter door de getuige niet verklaard en dat maakt zijn verklaring authentiek. Voorts haalt de officier van justitie zijn overtuiging uit het feit dat de aangifte consistent is. Dit in tegen stelling tot de verklaring van verdachte.

Verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij alles nog van de avond weet, maar bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij niet zeker weet of hij wel of niet iets strafbaars heeft gedaan.

Tot slot overweegt de officier van justitie dat het betasten van het kruis van aangeefster onder aanranding valt. De dwang door middel van een feitelijkheid ligt besloten in het gegeven dat de handeling onverhoeds werd uitgevoerd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

Het wettige bewijs is, gelet op de aangifte en de getuigenverklaring wel aanwezig, maar het dossier bevat vele losse eindjes waardoor de rechtbank, volgens de raadsman, niet tot de overtuiging kan komen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

De raadsman voert voorts aan dat aangeefster weliswaar heeft verklaard dat zij een hand over haar kruis voelde gaan, maar zij heeft dit niet gezien. Zij heeft de conclusie getrokken dat verdachte het gedaan moet hebben. Nu niemand gezien heeft dat verdachte aangeefster bij haar kruis heeft aangeraakt, dient vrijspraak te volgen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1], inhoudende -zakelijk weergegeven- als volgt.

P. 21: Op 26 juli 2008 was ik in een eettent te Amersfoort. Er kwam een jongen naar mij toelopen die tegen mij begon te praten. Ik hoorde hem telkens zeggen “Is dat je vriendje? Is dat je vriendje?” Hij wees daarbij naar mijn vriend.

Ik voelde dat hij met zijn hand over mijn kruis wreef. Ik schrok hier echt heel erg van. Vlak daarna voelde ik wederom dat hij met zijn hand over mijn kruis wreef. Ik zei tegen de jongen: “Gaat het niet met je? Kappen nou.” Direct daarna voelde ik dat die jongen nogmaals over mijn kruis wreef .

P. 22: De jongen heeft een donkere huidskleur en een zonnebril in zijn haar.

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], inhoudende -zakelijk weergegeven- als volgt.

P. 30: Aangeefster is mijn vriendin. Op 26 juli 2008 stonden wij in een eettent in Amersfoort. Mijn vriendin stond met die jongen te praten. Buiten vertelde zij dat ze drie keer door die jongen betast was.

P. 31: In de eettent hoorde ik de jongen aan mijn vriendin vragen: “Is dat je vriendje, is dat je vriendje?” Ik vroeg aan mijn vriendin of die gozer haar lastig viel.

P. 32: De jongen heeft een donkere huidskleur en een brilletje op zijn hoofd.

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 januari 2010, inhoudende -zakelijk weergegeven- als volgt.

Op 26 juli 2008 stond ik in een frietzaak te Amersfoort. Ik heb het meisje aangeraakt op haar schouders toen ik hoi zei.

4.3.1. Bewijsoverweging

De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van de verklaring van aangeefster te twijfelen. Deze verklaring is consistent en vindt steun in de eveneens consistente verklaring van de getuige [getuige]. Er bestaat geen enkele aanwijzing om te veronderstellen dat aangeefster en getuige [getuige] verdachte valselijk hebben willen beschuldigen, nu zij verdachte niet kenden en ook verdachte daarvoor geen motief heeft kunnen bedenken.

Door tot drie keer toe met een daartoe gerichte beweging van de hand aanraken van het kruis van aangeefster, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ontuchtig handelen. De rechtbank merkt daarbij op dat in het algemeen gesproken het zonder instemming onverhoeds aanraken van het kruis van een persoon, zoals in het onderhavige geval aan de orde is, een handeling is die een ontuchtig karakter heeft. In het onderhavige geval zijn geen gronden gesteld of gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat dit in het geval van aangeefster anders zou zijn, terwijl onder meer uit haar verklaringen volgt dat zij voormelde handelingen ook als ontuchtig heeft ervaren, en dit na de tweede aanraking ook aan verdachte kenbaar heeft gemaakt.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 26 juli 2008 te Amersfoort, door feitelijkheden [aangever 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar meermalen, onverhoeds de schaamstreek van die [aangever 1] betast;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 80 uur. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de blanco strafdocumentatie van verdachte. De officier van justitie brengt daarentegen naar voren dat de ernst van het feit versterkt wordt doordat verdachte met zijn justitiepas heeft gezwaaid en daarbij de woorden heeft toegevoegd: “Je kan me toch niks maken.”

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman voert primair aan dat verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs vrijgesproken dient te worden. Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsman subsidiair om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is zijn baan kwijt, hij heeft geen uitkering en hij krijgt, hangende deze zedenzaak, ook geen verklaring omtrent het gedrag, aldus de raadsman.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan oordeelt de rechtbank dat verdachte de lichamelijke integriteit van aangeefster [aangever 1] heeft geschonden. Verdachte heeft hierbij niet stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld, zelfs nadat hij van aangeefster het verzoek gekregen heeft te stoppen met zijn ontuchtige handelingen.

Voorts acht de rechtbank het zeer kwalijk dat verdachte zijn justitiepas, zoals blijkt uit de aangifte en de verklaring van getuige [getuige], zonder noodzaak heeft misbruikt.

Bij de strafmaat heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met het feit dat het -om redenen die niet aan verdachte zijn te wijten- anderhalf jaar heeft geduurd alvorens de zaak ter terechtzitting is behandeld. Daar komt bij dat het voor verdachte in de afgelopen periode moeilijk is gebleken om werk te vinden omdat hij als gevolg van de lopende strafzaak niet de daartoe vereiste verklaring omtrent het gedrag kon overleggen. Tevens zal de rechtbank bij het opleggen van de straf mee laten wegen dat verdachte in Nederland niet eerder in aanraking met justitie is geweest. Om deze reden acht de rechtbank een substantiële matiging van de geëiste straf aangewezen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat voor het bewezenverklaarde kan worden volstaan met een werkstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis waarvan 40 uur voorwaardelijk, subsidiair 20 dagen hechtenis.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 246, van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter, mr. M.C. Oostendorp en

mr. L.E. Verschoor-Bergsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 januari 2010.