Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0307

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
16/601041-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. De beslissing berust op de artikelen 27, 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601041-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 januari 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

gedetineerd in de P.I. Utrecht, HvB locatie Wolvenplein te Utrecht,

raadsvrouwe Mr. E.P.A. Zwart, advocaat te Beverwijk.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 december 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 september tot en met 21 september 2009 in India althans in Duitsland en/of te Amersfoort samen met anderen heeft gepoogd een hoeveelheid heroïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepleegd hetgeen hem is tenlastegelegd met uitzondering van het laatste gedachtestreepje van de tenlastelegging, te weten het in ontvangst nemen van het postpakket te Amersfoort.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Volgens de verdediging had verdachte er geen weet van dat het postpakket, dat hij op 21 september 2009 in ontvangst nam, drugs bevatte. Hij wist evenmin dat het pakket bij hem bezorgd zou worden. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kwamen onverwachts bij verdachte op bezoek en verdachte was zich van geen kwaad bewust toen hij tijdens dat

bezoek een postpakket aannam. Het klopt dat verdachte niet steeds gelijkluidende verklaringen heeft afgelegd. De reden hiervan is dat verdachte bij zijn aanhouding in paniek is geraakt. Verdachte ontkent echter ten stelligste dat hij de medeverdachte [medeverdachte 1] eerder heeft ontmoet dan op 21 september 2009. De andersluidende verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] kunnen niet als bewijs worden gebruikt, omdat zijn verklaringen duidelijk leugenachtig zijn en erop gericht zijn de zaak op de twee medeverdachten af te schuiven.

Nu verdachte geen voorkennis had van de bezorging van het postpakket en hij evenmin weet had van de inhoud ervan, kan niet worden gezegd dat hij tezamen met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opzettelijk heeft gepoogd vanuit India heroïne in te voeren in Nederland. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken.

De verdediging heeft er voorts op gewezen dat het op 21 september 2009 in ontvangst genomen postpakket geen heroïne meer bevatte, aangezien de heroïne al in beslag was genomen. Volgens de verdediging kunnen handelingen van verdachte, die hebben plaatsgevonden na de inbeslagname van de heroïne, niet meer strekken tot het bewijs van (verlengde) invoer van heroïne in Nederland. De verdediging heeft hierbij gewezen op het arrest van de HR van 15 december 1998 (NJ 1999, 207), het zogenaamde Kokosnotenarrest, en op het arrest van de HR van 23 augustus 2005 (LJN AT6061). Uit deze arresten volgt volgens de verdediging dat van medeplichtigheid bij (of medeplegen van) verder vervoer en doorvoer van in Nederland gebrachte drugs slechts sprake kan zijn als en voorzover deze drugs nog niet strafvorderlijk in beslag zijn genomen. Nu ten aanzien van verdachte enkel handelingen bewezen kunnen worden die hebben plaatsgevonden na de inbeslagname van de heroïne, namelijk het in ontvangst nemen van het pakket op 21 september 2009, moet verdachte worden vrijgesproken van het medeplegen van de invoer van heroïne in Nederland.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Voor zover hierna in de voetnoten wordt verwezen naar paginanummers, wordt daarin verwezen naar de doorgenummerde pagina’s van de processen-verbaal met de nummers PL0940/09-015530, PL0940/09-015530A, PL0940/09-015530B en PL0940/09-015530C, in de wettelijke vorm opgemaakt door de politie Utrecht.

Op 17 september 2009 onderschept de Duitse douane een postpakket van DHL, dat geadresseerd is aan [naam], [adres] te Amersfoort. Het pakket is afkomstig uit India. Het pakket bevat auto-onderdelen, 18 stabilisatorstangen, die gevuld zijn met heroïne. Besloten wordt tot een gecontroleerde aflevering van het postpakket. Het pakket is daartoe op 18 september 2009 overgedragen aan de Nederlandse politie. Kort hierna is een telefoontap afgesloten op het mobiele nummer (31684024740) dat op de pakbon van het postpakket is vermeld.

De heroïne (in totaal 547,92 gram) is op 19 september 2009 door de Nederlandse politie uit het pakket verwijderd , waarna het postpakket op 21 september 2009 gecontroleerd is aangeboden op het adres [adres] te [woonplaats]. Op het adres waren aanwezig de verdachten [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]), [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) en [verdachte] (hierna: [verdachte]). Het postpakket wordt aangenomen door [verdachte] en [medeverdachte 1], waarbij [medeverdachte 1] aan [verdachte] het geld geeft om het remboursbedrag te voldoen. [verdachte] zet zijn

handtekening op de pakbon. [verdachte] en [medeverdachte 1] gaan vervolgens de woning [adres] binnen met het postpakket.

Na enige tijd lopen verlaten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte] gezamenlijk de flat uit naar een bushalte, alwaar zij worden aangehouden.

Bij [medeverdachte 2] wordt aangetroffen een telefoon met het telefoonnummer (31684024740) dat op de pakbon van het postpakket is vermeld. Bij [medeverdachte 1] wordt aangetroffen een laptoptas waarin de stabilisatorenstangen uit het postpakket zitten. Tevens wordt bij hem aangetroffen een paspoort op naam van: [naam]. Bij [verdachte] wordt aangetroffen de vrachtbrief van het op de [adres] afgeleverde postpakket.

[medeverdachte 2] verklaart bij de politie dat hij vanaf vrijdag 18 september 15.00 de enige gebruiker is geweest van het toestel met nummer 31684024740 en dat hij heeft deelgenomen aan de hem ten gehore gebrachte tapgesprekken.

Met de bij [medeverdachte 2] aangetroffen telefoon is op 31 juli 2009 een sms-bericht verzonden met het adres van medeverdachte [verdachte]. Inhoud van het bericht: [adres]. [adres]. Amersfoort.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij zo’n twee weken voor zijn aanhouding aan [verdachte] heeft gevraagd of er een pakket naar het adres van [verdachte] mocht worden verstuurd. [verdachte] zou daarmee hebben ingestemd.

Uit de telefoonanalyse blijkt dat [verdachte] op 10 en 15 september 2009 is gebeld door [medeverdachte 1].

[verdachte] heeft verklaard dat hij [verdachte] wordt genoemd.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 1] kritisch moet worden beschouwd. De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte 1], zoals hiervoor aangehaald, echter geloofwaardig, gelet op de telefonische contacten die tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan 21 september 2009. [verdachte] dienaangaande verklaart, te weten dat deze telefoontjes van een voor hem onbekende persoon afkomstig waren, acht de rechtbank niet geloofwaardig.

[medeverdachte 1] verklaart bij de politie na confrontatie met een tapgesprek, waarin [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] zegt ‘om die persoon naar hem te sturen als die persoon geld vraagt’, dat [verdachte] ([verdachte]) aan [medeverdachte 2] geld heeft gevraagd.

Uit de tapgesprekken blijkt het volgende:

- [medeverdachte 2] heeft minstens acht keer contact gehad met een persoon in India. Deze gesprekken gingen onder andere over het ophalen van ingevoerd spul, het invoeren van spul uit Braziel, over een koerier die het spul inslikt en een koerier die het spul gaat eten en dat het spul uit Suriname zal komen. Daarnaast wordt gesproken over de naam ‘[naam]’ op het pakket.

- [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben minstens tien keer telefonisch contact met elkaar, waarbij gesproken wordt over het checken van de code van een pakket, een goede aflevering van het pakket, hoeveel er voor betaald moet worden, dat het pakket op naam van [naam] is verstuurd, dat het pakket is aangekomen en over het aantal pakketten in de doos.

- [medeverdachte 2] belt op zaterdag 19 september 2009 met een persoon in India. Die persoon vraagt verdachte hij dat andere ding gecheckt heeft. [medeverdachte 2] bevestigt dat en zegt dat het waarschijnlijk maandag binnenkomt. [medeverdachte 2] wordt op 21 september 2009 om 8.12 uur gebeld door een persoon uit India, die meldt dat er iets is aangekomen in het land waarin verdachte verblijft.

- [medeverdachte 2] wordt op 21 september 2009 om 8.43 uur gebeld door [medeverdachte 1], die vraagt of ze geld mee moeten nemen. Verder wordt erover gesproken dat het in Amersfoort is en dat de man daar nu naar zijn werk is en dat ze niet weten hoeveel provisie die man zal gaan vragen. Om 9.09 uur wordt [medeverdachte 2] opnieuw gebeld door [medeverdachte 1], die vraagt wat [medeverdachte 2] nog thuis doet en dat het niet [medeverdachte 1]’s schuld is als dat ding wordt opgehaald door anderen. Daarna zijn er nog telefonisch contacten tussen hen beiden onder andere over de vraag hoeveel geld [medeverdachte 2] mee zal nemen.

- [medeverdachte 2] belt op 21 september 2009 om 9.55 uur met een persoon in India en vraagt hoeveel die mensen gaan vragen. Hij krijgt als antwoord dat het pakket niet veel is, dus dat die mensen niet zoveel zullen vragen.

- [medeverdachte 2] wordt op 21 september 2009 om 15.53 uur gebeld door [medeverdachte 1] die vraagt hoeveel dat ding is. [medeverdachte 2] zegt dat hij het niet weet en dat hij het zal vragen. [medeverdachte 2] belt hierna met een persoon in India, die vraagt of [medeverdachte 2] het heeft opgehaald en zegt dat er negen pakketten zijn. [medeverdachte 2] geeft dit vervolgens door aan [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt dat het oké en compleet is.

Door het observatieteam wordt gezien dat [medeverdachte 2] op 21 september 2009 te 15.52 voor de centrale deur van de flat [adres] staat te bellen.

Op 21 september 2009 is er tien keer contact tussen (de telefoons van) [medeverdachte 1] en [verdachte].

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben verklaard dat zij op 21 september 2009 met de trein van Amsterdam naar Amersfoort zijn gegaan vanwege een pakket dat opgehaald moest worden. [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op donderdag 17 september 2009 van [medeverdachte 1] had gehoord dat het pakket drugs zou bevatten.

Uit het voorgaande in onderlinge samenhang beschouwd kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat de telefoongesprekken verband houden met drugssmokkel. Tevens kan worden geconcludeerd dat verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] handelingen hebben verricht die betrekking hebben op de invoer, dan wel de voorbereiding van de invoer van het postpakket uit India, bevattende heroïne. De rechtbank deelt niet het standpunt van de verdediging dat de verdachte geen kennis had van de bezorging van het postpakket. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] dat hij verdachte heeft gevraagd of hij zijn adres mocht gebruiken. Deze verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] vindt steun in de telefoonanalyse, waaruit blijkt dat verdachte op 10 en 15 september 2009 is gebeld door [medeverdachte 1]. De rechtbank heeft tevens in aanmerking de telefoontaps waarin is gesproken over betaling van de jongen en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] dat het hier over ‘[verdachte]’ ging.

De rechtbank is voorts van oordeel dat, alle omstandigheden overziend, redelijkerwijs geen andere conclusie getrokken kan worden dan dat er sprake was van een zodanige nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en een of meer personen in India dat de in die periode verrichte uitvoeringshandelingen, gericht op het vanuit India via Duitsland binnen Nederland brengen van de in geding zijnde partij heroïne, ook aan de verdachte zijn toe te rekenen.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op de invoer van drugs. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich, door tegen betaling zijn adres ter beschikking te stellen en zonder enige controle een uit het buitenland afkomstig postpakket aan te nemen, bewust blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij een postpakket in ontvangst nam waarin zich drugs bevonden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het postpakket was gericht aan [naam], die niet op het adres woonachtig was. Gelet op het voorgaande wordt het verweer verworpen.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat handelingen van verdachte, die hebben plaatsgevonden na de inbeslagname van de heroïne, niet kunnen strekken tot het bewijs van (verlengde) invoer van heroïne in Nederland, wordt het volgende overwogen.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er al voor de inbeslagname handelingen zijn verricht om de betreffende zending heroïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen. Gewezen wordt op het regelen van het ontvangstadres van het pakket, het onderhouden van de contacten met de medepleger(s) in India en de verzending van het pakket door een medepleger in India. Hieruit blijkt dat het opzet van verdachte al voor de inbeslagname van de partij heroïne was gericht op het tezamen met anderen invoeren van de betreffende partij heroïne in Nederland, welk opzet ook zichtbaar wordt in zijn handelingen van de verdachte na de inbeslagname van de betreffende partij. Gelet hierop was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een begin van uitvoering van het delict, zijnde de invoer van heroïne. Dat de invoer op 21 september 2009 niet succesvol voor de verdachte en zijn mededaders werd voltooid, was een gevolg van het ingrijpen van de Nederlandse justitiële autoriteiten op een moment dat het handelen van verdachte en de mededaders naar zijn uiterlijke verschijningsvorm was gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. Gelet hierop acht de rechtbank voldoende bewezen dat verdachte en zijn medeplegers hebben gepoogd de partij heroïne in Nederland in te voeren. Het beroep van de verdediging op het voornoemde

Kokosnotenarrest leidt niet tot een ander oordeel, omdat in die zaak het voltooide delict van invoer van drugs ten laste was gelegd.

Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepleegd hetgeen hem is ten laste gelegd, met dien verstande, dat

hij in de periode van 1 september 2009 tot en met 21 september 2009 te Kolkata, althans in India en/of te Leipzig, althans in Duitsland en/of te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om ongeveer 547,92 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, immers heeft/hebben hij verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) opzettelijk

- te Kolkata, althans in India en/of te Leipzig, althans in Duitsland, een pakket, met daarin 9 dozen, met daarin 18 stabilisatorstangen, met daarin een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, geadresseerd/verzonden aan een adres ([adres]) te Amersfoort en

- (telefonisch) gesproken over het versturen van dit pakket en het overdragen van dit pakket en/of het afleveren van dit pakket, en

- het pakket in ontvangst genomen te Amersfoort,

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de preventieve hechtenis.

5.2 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van het feit overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit, te weten het met anderen pogen een aanzienlijke hoeveelheid heroïne, verpakt in onderdelen van auto’s, binnen het grondgebied van Nederland te brengen. Heroïne is een harddrug, die schadelijk is voor de gezondheid en waarvan de gebruikers in de samenleving ernstige overlast veroorzaken doordat zij in hun gebruik moeten voorzien door het plegen van andere strafbare feiten, met name vermogensdelicten. Uit de hoeveelheid die is aangetroffen kan worden afgeleid dat de heroïne bestemd was om verder te worden gedistribueerd. Aangenomen kan worden dat verdachte, die zelf niet verslaafd is, het feit heeft gepleegd om hiermee geldelijk voordeel te behalen.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 30 oktober 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland voor feiten als ten laste gelegd en bewezen verklaard in aanraking met politie en/of justitie is geweest.

De rechtbank heeft bij het bepalen van na te melden straf er rekening mee gehouden dat de rol van verdachte minder is geweest dan die van zijn mededaders.

6. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet.

7. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het onder 4.1 omschreven strafbare feit oplevert:

- verklaart verdachte strafbaar;

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van ZES MAANDEN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Wagenmakers, voorzitter, mrs. C.H.M. Pastoors en

E. Sikkema, rechters, in tegenwoordigheid van F.P.L. van der Lee, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 januari 2010.

Mr. Sikkema voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.