Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0272

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
16-601282-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is samen met twee familieleden veroordeeld voor openlijke geweldpleging in de [bedrijf 1] te Utrecht. Ter zitting zijn camerabeelden getoond van de vechtpartij en deze zijn voor het bewijs gebruikt.

Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 70 dagen (50 dagen voorwaardelijk). Tevens toewijzing van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601282-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 maart 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1980] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

raadsman mr. J.W.H. Peters, advocaat te Amersfoort.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 maart 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak van verdachte is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken van medeverdachten

[medeverdachte 1] -de oom van verdachte- en [medeverdachte 2] -de neef van verdachte-. Hierna zal verdachte tevens worden aangeduid als [verdachte] en zullen zijn medeverdachten tevens worden aangeduid als [medeverdachte 2], [medeverdachte 1].

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in vereniging met (een) ander(en) heeft geprobeerd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [benadeelde 1] van het leven te beroven of om hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Feit 2: in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] en/of [slachtoffer 1].

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepoogd [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en baseert zich daarbij op de volgende bewijsmiddelen: de aangifte van [benadeelde 1], het proces-verbaal van bevindingen van het uitlezen van de camerabeelden, alsmede de eigen waarneming van de rechtbank met betrekking tot het zien van deze camerabeelden op zitting.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat tevens wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangiften van [benadeelde 2], [slachtoffer 1], [benadeelde 1] en [benadeelde 3], het proces-verbaal van bevindingen van het uitlezen van de camerabeelden van het feit, alsmede de eigen waarneming van de rechtbank van deze camerabeelden ter zitting. De officier vordert vrijspraak ten aanzien van de ten laste gelegde kopstoten aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1].

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 niet tot een bewezenverklaring kan komen en concludeert tot vrijspraak. De verdediging wijst daarbij op het ontbreken van een bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Er is geen sprake geweest van een willens en wetens samenwerken; verdachte is er pas nadat de vechtpartij een aanvang had gevonden, tussen gesprongen om zijn neef en oom bij te staan. Daarnaast heeft verdachte de vechtpartij voortijdig afgebroken en is hij eerder de [bedrijf 1] uitgegaan dan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Van medeplegen kan daarom geen sprake zijn. De verdediging is voorts van mening dat het handelen van verdachte niet kan worden aangemerkt als een poging doodslag, aangezien verdachte niet willens en wetens heeft geslagen om de slachtoffers opzettelijk van het leven te beroven. Ook heeft verdachte niet een aanmerkelijke kans in het leven geroepen tot het doden van een ander.

Wat betreft de tenlastegelegde poging zware mishandeling stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte geen opzet heeft gehad op zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft niet de intentie gehad om zwaarder letsel toe te brengen dan de slachtoffers hebben ondervonden. De verdediging stelt dat er slechts sprake is van eenvoudige mishandeling.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit stelt de verdediging dat de bijdrage die verdachte aan de geweldpleging heeft geleverd korter en minder ernstig is dan de bijdragen van zijn medeverdachten.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de onder 1 ten laste gelegde feiten.

Zij merkt daartoe allereerst op dat uit de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blijkt dat verdachte geen geweldshandelingen jegens hen heeft gepleegd. Ook blijkt uit verklaringen van deze aangevers dat zij gezien hebben dat verdachte de [bedrijf 1] verliet en dat op de ter zitting getoonde camerabeelden door de rechtbank is waargenomen dat verdachte de [bedrijf 1] heeft verlaten vóór de geweldshandelingen die door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn gepleegd jegens deze aangevers.

De rechtbank heeft op deze beelden wel waargenomen dat verdachte [benadeelde 1] heeft geslagen/gestompt toen deze op zijn stoel zat en hem met geschoeide voet tegen het lichaam heeft geschopt terwijl [benadeelde 1] op de grond lag. De rechtbank is echter van oordeel dat deze handeling niet te kwalificeren is als poging doodslag, dan wel poging zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht echter wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 29 november 2009 te Utrecht openlijk in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd. Zij grondt haar overtuiging daartoe op de volgende feiten en omstandigheden.

Op 29 november 2009 komen [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] – de vader van verdachte – en [verdachte] – de neef van verdachte – de [bedrijf 1] aan de [adres] te Utrecht binnen. Zij sluiten achteraan in de rij bij de kassa. Voor hen staan drie jongens, te weten [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 1]. Er wordt over en weer iets gezegd tussen [benadeelde 3] en [medeverdachte 2]. [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 1] gaan vervolgens met hun bestelling aan een tafeltje zitten. Wanneer de bestelling klaar is, loopt [verdachte] met een dienblad in zijn hand weg richting een tafel. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] lopen achter hem aan. Terwijl [verdachte] het dienblad op een tafel zet loopt [medeverdachte 2] met opgeheven hand wijzend op [benadeelde 3] af, die nog steeds aan tafel zit met [benadeelde 2] en [benadeelde 1]. Intussen komt [medeverdachte 1] op de tafel met de drie jongens afgerend. Hij pakt een stoel, houdt deze boven zijn hoofd en slaat daarmee met kracht [benadeelde 2] tegen de achterzijde van zijn hoofd. [benadeelde 2] ziet deze slag niet aankomen en zakt ten gevolge van deze slag direct in elkaar. Hij valt van zijn stoel op de grond. Direct daarna slaat [medeverdachte 1] tweemaal met dezelfde stoel tegen het bovenlichaam van [benadeelde 1]. Nadat [medeverdachte 1] de eerste klap met de stoel heeft uitgedeeld, stompt [medeverdachte 2] meerdere malen met zijn vuist in het gezicht van [benadeelde 3]. Op hetzelfde moment dat [medeverdachte 1] [benadeelde 1] slaat met de stoel, komt [verdachte] aangerend die [benadeelde 1] eerst met zijn voet een trap geeft om hem daarna met beide vuisten in zijn gezicht te stompen. Ondertussen geeft [medeverdachte 1] [benadeelde 1] nog een trap. [verdachte] zich op [benadeelde 1] richt, loopt [medeverdachte 1] op [benadeelde 3] af die op dat moment nog wordt aangevallen door [medeverdachte 2]. [benadeelde 3] is door [medeverdachte 2] naar de grond getrokken. Terwijl [benadeelde 3] op de grond ligt slaat [medeverdachte 2] hem met zijn vuist en geeft hij hem een trap tegen zijn lichaam. [medeverdachte 1] trapt achter elkaar eenmaal tegen de nek en eenmaal tegen het lichaam van [benadeelde 3]. Daarna loopt [medeverdachte 1] op [benadeelde 1] af, pakt hem beet en duwt hem met kracht tegen de counter aan en gooit hem vervolgens op de grond. Terwijl [benadeelde 1] op de grond ligt, wordt hij tegen zijn lichaam getrapt door [verdachte] en [medeverdachte 1]. [verdachte] loopt hierna weg, terwijl [medeverdachte 1] de op de grond liggende [benadeelde 1] nogmaals trapt. Bovenstaande handelingen worden waargenomen door de rechtbank op de ter zitting getoonde camerabeelden.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] lopen de [bedrijf 1] binnen terwijl de hiervoor omschreven geweldpleging aan de gang is. Kort nadat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] het restaurant hebben betreden, verlaat [verdachte] de [bedrijf 1]. Enige tijd na het betreden van de [bedrijf 1] valt [slachtoffer 2] op de grond. Aangever [slachtoffer 2] verklaart dat hij met een vuist in zijn gezicht werd gestompt door [medeverdachte 2] waardoor hij op de grond viel . Aangever [slachtoffer 1] verklaart dat [medeverdachte 1] hem met een stoel heeft geslagen, waarna hij pijn in zijn gezicht en hoofd voelde. Laatstgenoemde verklaring wordt ondersteund door de aangifte van [slachtoffer 2], die verklaart te hebben gezien dat [medeverdachte 1] met een stoel tegen het hoofd van [slachtoffer 1] sloeg. Kort daarna verlaten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] het restaurant. Ongeveer twintig seconden later lopen beide mannen de [bedrijf 1] weer in. [medeverdachte 2] kijkt, lopend richting de counter, zoekend om zich heen. [medeverdachte 1] loopt met een stoel in zijn hand ook deze kant op en slaat [slachtoffer 1] tot twee maal toe met deze stoel. Daarna stompt [medeverdachte 1] met zijn vuist tegen het hoofd van [slachtoffer 1]. Bovenstaande handelingen worden waargenomen door de rechtbank op de ter zitting getoonde camerabeelden van de geweldpleging.

Na waarneming van de camerabeelden ter zitting verklaart de verdachte dat hij de handelingen, welke worden getoond, heeft verricht. Verdachte zag in een fractie van een seconde dat zijn oom en neef betrokken waren bij een vechtpartij. Vanwege de familieband besloot verdachte hen mee te helpen.

Bewijsoverweging

De rechtbank acht het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken is geweest bij de geweldpleging die heeft plaatsgevonden in de [bedrijf 1] aan de [adres] te [woonplaats] op 29 november 2009 en dat hij geweldshandelingen heeft verricht zoals hierboven beschreven. Deze verklaring vindt steun in de waarneming door de rechtbank van de ter zitting getoonde beelden zoals hierboven weergegeven, evenals in de aangiften van de slachtoffers. Verdachte vormde samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een groep die geweldshandelingen heeft gepleegd jegens [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 1]. Hoewel het niet verdachte was die de eerste klap uitdeelde, heeft hij zich niet gedistantieerd van het geweld dat [medeverdachte 1] pleegde, maar is hij juist meegegaan in de geweldpleging door andere slachtoffers te belagen en heeft hij, evenals medeverdachte [medeverdachte 2], gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, een wezenlijke bijdrage aan de vechtpartij geleverd.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

op 29 november 2009 te Utrecht met anderen, in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in de [bedrijf 1] ([adres]), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] en [benadeelde 3], welk geweld

bestond uit

- het meermalen stompen in het gezicht van die [benadeelde 1] en het meermalen trappen/schoppen tegen het lichaam van die [benadeelde 1] en

- het meermalen stompen in het gezicht van die [benadeelde 3] en het meermalen trappen/schoppen tegen het lichaam van die [benadeelde 3] en

- het met een stoel slaan tegen het hoofd van die [benadeelde 2];

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feit 2: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd dat verdachte in voorarrest heeft gezeten.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met de poging van verdachte om zijn neef te weerhouden van provocatie voorafgaand aan de vechtpartij en het geringe aandeel van verdachte bij de geweldpleging.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, waaronder het blanco strafblad van verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van openlijk geweld, dat heeft plaatsgevonden in de avond van 29 november 2009. Verdachte heeft deel uitgemaakt van een groep die gewelddadige handelingen tegen meerdere personen heeft verricht. De rechtbank acht het extra kwalijk dat verdachte en zijn medeverdachten eenzijdig geweld hebben uitgeoefend. De slachtoffers hebben hiertoe geen enkele aanleiding gegeven. De verklaring van verdachte dat hij zich door zijn familieband met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] genoodzaakt voelde om hen mee te helpen in het gevecht, is naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid die het rechtvaardigt dergelijk grof geweld uit te oefenen. De rechtbank neemt wel in aanmerking dat verdachte minder ernstig geweld heeft gepleegd dan zijn medeverdachten en dat hij op een gegeven moment tot inkeer is gekomen en zich heeft afgekeerd van de geweldpleging. Gelet op het bijzonder gewelddadige optreden van verdachte en zijn medeverdachten, mag verdachte van geluk spreken dat het letsel van de slachtoffers relatief beperkt is gebleven. Dit is echter op geen enkele wijze te danken aan het optreden van verdachte en zijn medeverdachten. Openlijke geweldpleging heeft een enorme invloed op de samenleving. Het gevoel van onveiligheid neemt door dit soort incidenten steeds grotere vormen aan. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank in beginsel een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

Gelet op alle omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 70 dagen passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

Wel ziet de rechtbank aanleiding om een deel van deze straf, te weten 50 dagen, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 2.686,10.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 750,- ter zake van immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade. De rechtbank legt de schadevergoeding hoofdelijk op nu verdachte deel heeft uitgemaakt van de groep die de schade aan [benadeelde 2] heeft toegebracht. Hij is daardoor mede verantwoordelijk voor het letsel van [benadeelde 2]. Het overige deel van de gevorderde immateriële schade verklaart de rechtbank niet-ontvankelijk.

Bij de begroting van de immateriële schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de bedragen zoals die gewoonlijk worden toegewezen voor slachtoffers van openlijk geweld.

De gevorderde immateriële schade is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

De rechtbank is van oordeel dat een nadere onderbouwing van de geleden materiële schade ontbreekt, waardoor niet valt in te zien dat de kleding van [benadeelde 2] zodanig onbruikbaar was dat deze niet meer draagbaar was, mede gelet op het geconstateerde letsel. De vordering ter zake van materiële schade verklaart de rechtbank derhalve niet-ontvankelijk.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 675,95.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 351,- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 78,- ter zake van materiële schade en

€ 273,- ter zake van immateriële schade en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade. De rechtbank legt de schadevergoeding hoofdelijk op nu verdachte deel heeft uitgemaakt van de groep die de schade aan [benadeelde 1] heeft toegebracht. Hij is daardoor mede verantwoordelijk voor het letsel en de schade van [benadeelde 1].

Bij de begroting van de materiële schade heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende materiële schadeposten:

- een gescheurde jas, € 60,-;

- pijnstillers, € 18,-.

De rechtbank is van oordeel dat de overige opgevoerde materiële schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd en zal deze niet-ontvankelijk verklaren.

Bij de begroting van de immateriële schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de bedragen zoals die gewoonlijk worden toegewezen voor slachtoffers van openlijk geweld.

De gevorderde immateriële schade is voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert een schadevergoeding van € 593,87.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 312,30,- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 39,30,- ter zake van materiële schade en € 273,- ter zake van immateriële schade en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade. De rechtbank legt de schadevergoeding hoofdelijk op nu verdachte deel heeft uitgemaakt van de groep die de schade aan [benadeelde 3] heeft toegebracht. Hij is daardoor mede verantwoordelijk voor het letsel en de schade van [benadeelde 3].

Bij de begroting van de materiële schade heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende materiële schadeposten:

- stomerijkosten voor de jas, € 19,50;

- reiskosten die zijn gemaakt voor het doen van aangifte in Utrecht en het geven van een aanvullende verklaring bij de politie in Utrecht, € 19,80.

De rechtbank is van oordeel dat de overige opgevoerde materiële schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd en zal deze niet-ontvankelijk verklaren.

Bij de begroting van de immateriële schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de bedragen zoals die gewoonlijk worden toegewezen voor slachtoffers van openlijk geweld.

De gevorderde immateriële schade is voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 2: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 70 dagen waarvan 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 750,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van

€ 351,-, waarvan € 78,- ter zake van materiële schade en € 273,- ter zake van immateriële schade,-;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van € 312,30,-, waarvan € 39,30,- ter zake van materiële schade en € 273,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partijen tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover deze bedragen door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is deze bedragen aan de benadeelde partijen te betalen.

Schademaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

* [benadeelde 2], € 750,-, vijftien dagen hechtenis;

* [benadeelde 1] € 351,-, zeven dagen hechtenis;

* [benadeelde 3] € 312,30,-, zes dagen hechtenis;

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover deze bedragen door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is deze bedragen aan de Staat te betalen;

Voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop het vonnis onherroepelijk is geworden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schukking, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T. Dezentje, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 maart 2010.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.