Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL9734

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-03-2010
Datum publicatie
01-04-2010
Zaaknummer
SBR 08-3500
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen algemene woonbestemming op de woning, omdat het begrip eengezinswoning niet is gedefinieerd in de planvoorschriften. Nu volgens de legenda de woning als eengezinswoning moet worden gebruikt en uitleg van het begrip eengezinswoning in de planvoorschriften ontbreekt, zal aan dit begrip uitleg gegeven moeten worden. De rechtbank zoekt aansluiting bij wat daaronder in het dagelijks spraakgebruik wordt verstaan, namelijk: een huis dat bestemd is om door één gezin te worden bewoond. Naast zelfstandige bewoning door een gezin volgt uit LJN:AX9502 dat ook minder traditionele woonvormen zich met deze bestemming verdragen, indien daarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning met een zekere mate van verbondenheid tussen de bewoners.

In de onderhavige woning zijn acht tot negen werknemers gehuisvest. Het samenwonen van een groep werknemers wordt in overwegende mate bepaald door de wens om gedurende de tijd van de arbeidscontracten over huisvesting te beschikken. Werknemers hebben (in de regel) niet de intentie om bestendig, voor onbepaalde tijd, een met een gezinsverband vergelijkbaar samenlevingsverband met elkaar aan te gaan. Niet gesteld is dat het in dit geval gaat om een samenlevingsvorm die bestond vóór en stand zal houden ná bewoning van de woning. Het samenwonen kenmerkt zich in dit geval door een tevoren vaststaande tijdelijkheid van de samenwoning. Deze vorm van bewoning is dan ook ten onrechte door verweerder op één lijn gesteld met gezinsbewoning. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het gebruik van de woning zich niet verdraagt met het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/3500

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser sub 1], [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4], [eiser sub 5], [eiser sub 6], [eiser sub 7], [eiser sub 8], [eiser sub 9], [eiser sub 10], allen wonende te [woonplaats] en Schoonheidssalon [eiser sub 11], gevestigd te [woonplaats], eisers,

gemachtigde: mr. B.H.M. Karens, advocaat te Ede

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg,

verweerder,

gemachtigde: mr. D. Roelofs, juridisch handhaver bij de gemeente Woudenberg.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 8 juli 2008, verzonden op 16 juli 2008, heeft verweerder [X] en [Y] aangeschreven om het gebruik van het pand op het perceel [adres] te [woonplaats] voor huisvesting van arbeiders vóór 1 september 2008 te staken en gestaakt te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,- per week dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 10.000,-.

1.2 Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 21 oktober 2008 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het besluit van

8 juli 2008 ingetrokken en het verzoek om handhaving van eisers afgewezen. Tegen dit besluit van verweerder hebben eisers beroep ingesteld.

1.3 Het beroep is behandeld ter zitting van 17 september 2009, waar eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Namens verweerder is verschenen mr. D. Roelofs voornoemd en [Z], teamleider Taakveld Ontwikkeling, werkzaam bij de gemeente Woudenberg.

1.4 De rechtbank heeft op grond van het bepaalde in artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend en het vooronderzoek hervat. Bij brieven van 8 december 2009 en 25 januari 2020 heeft verweerder desgevraagd nadere informatie verstrekt. Eisers hebben vervolgens op 1 en 15 februari 2010 schriftelijk gereageerd.

1.5 Nadat partijen toestemming hebben verleend om een nadere zitting achterwege te laten, heeft de rechtbank op 5 maart 2010 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2.1 Allereerst stelt de rechtbank na de bestudering van de gedingstukken vast dat eisers allen als (direct) omwonenden kunnen worden gezien ten opzichte van de woning op het perceel [adres] te [woonplaats]. Zij zijn in die hoedanigheid belanghebbende bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

2.2 Vervolgens is de vraag aan de orde of het bestreden besluit, waarbij verweerder het verzoek om handhaving ten aanzien van het gebruik van het pand op het perceel [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) heeft afgewezen, in rechte stand kan houden.

2.3 Bij de beantwoording van deze vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.4 De woning op het genoemde perceel is in eigendom bij [X] en [Y] (hierna: de eigenaren). Deze eigenaren hebben een bedrijf, [bedrijf], met vestigingen in Nederland en Polen. Zij hebben acht à negen personen, werkzaam in hun bedrijf, (hierna: de werknemers) in het onderhavige pand gehuisvest.

2.5 Eisers hebben verweerder bij brief van 9 april 2008 verzocht om handhavend op te treden tegen huisvesting van de werknemers in de woning, omdat zij van mening zijn dat het tijdelijk gebruik van de woning door de werknemers in strijd is met het bestemmingsplan. Er wonen telkens andere personen in de woning. Eisers stellen dat het woonhuis als eengezinswoning is bestemd. Bij brief van 21 mei 2008 heeft verweerder aan de eigenaren het voornemen tot handhavend optreden kenbaar gemaakt, waarna deze hun zienswijze hebben ingediend.

2.6 Bij besluit van 8 juli 2008 heeft verweerder de eigenaren onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven om vóór 1 september 2008 het met het geldende bestemmingsplan “Woudenberg Dorp” strijdige gebruik van de woning op het perceel [adres] te [woonplaats] ten behoeve van de huisvesting van arbeiders blijvend te beëindigen.

2.7 Tegen dit besluit hebben de eigenaren bezwaar gemaakt. In het advies van de Intergemeentelijke Onafhankelijk Bezwarencommissie Scherpenzeel-Woudenberg (hierna: commissie) is geconcludeerd dat in het vigerende Woudenbergse bestemmingsplan Dorp in de planvoorschriften niet is vastgelegd wat onder een eengezinswoning wordt verstaan. Noch wordt een omschrijving gegeven van de begrippen “eengezinswoning”, “wonen”, “woning” of “bewoning”. De conclusie van de commissie is daarom dat er een algemene woonbestemming geldt. Bij de uitleg daarvan gaat de commissie er van uit dat, behalve zelfstandige bewoning door een gezin, ook aan minder traditionele woonvormen moet worden gedacht. De commissie heeft verder betrokken bij zijn conclusie dat waar in het bestemmingsplan niet wordt geëist dat bewoning geschiedt door een gezin of een huishouden, alleen de “nagenoeg zelfstandige bewoning” kan worden getoetst en er geen sprake hoeft te zijn van continuïteit en een zekere mate van onderlinge verbondenheid. De commissie stelt vast op grond van de stukken dat het hier gaat om zelfstandige bewoning in een minder traditionele woonvorm. Daarom is geen sprake van overtreding van het gebruiksverbod. De commissie wijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) van 26 juli 2006, 200508924/1, LJN: AX9502. Verweerder heeft dit advies gevolgd, het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2008 gegrond verklaard en dit besluit ingetrokken. Het verzoek van eisers om handhaving heeft verweerder vervolgens alsnog afgewezen.

2.8 Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met, bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.9 De vraag die naar het oordeel van de rechtbank vervolgens dient te worden beantwoord is of de bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang aanwezig is. Van een dergelijke bevoegdheid kan eerst sprake zijn indien gehandeld wordt in strijd met een wettelijk voorschrift.

2.10 Ingevolge het vigerende bestemmingsplan Woudenberg Dorp uit 1978, welk plan tot 25 maart 2009 gold, rust op het perceel [adres] de bestemming "Woningbouw E-". Daaronder wordt volgens de legenda “Verklaring bestemmingen en gebruiksdoeleinden” verstaan: “woondoeleinden in de vorm van eengezinswoningen in twee bouwlagen met de bijbehorende bebouwing en tuinen.”

2.11 In beroep hebben eisers gesteld dat de woning in strijd met het geldende bestemmingsplan wordt gebruikt, omdat daarop de bestemming “eengezinswoning” rust. De bewoning ervan door acht individuele werknemers kan daar volgens eisers niet onder vallen. Voorts hebben eisers aangevoerd dat het gebruik van de woning in strijd is met artikel 30 van de Huisvestingswet en met de voorschriften voor brandveiligheid. Eisers menen dat verweerder vanwege het strijdige gebruik van de woning met het geldende bestemmingsplan gehouden is handhavend op te treden.

2.12 De rechtbank stelt na kennisname van de in artikel 1 van de planvoorschriften gegeven begripsbepalingen vast dat van het begrip eengezinswoning geen definitie is gegeven.

2.13 De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn conclusie dat er een algemene woonbestemming op de woning rust, omdat het begrip eengezinswoning niet is gedefinieerd in de planvoorschriften. Nu volgens de legenda de woning als eengezinswoning moet worden gebruikt en uitleg van het begrip eengezinswoning in de planvoorschriften ontbreekt, zal aan dit begrip uitleg gegeven moeten worden. Daarvoor heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij wat daaronder in het dagelijks spraakgebruik wordt verstaan, te weten: een huis dat bestemd is om door één gezin te worden bewoond. Uit hetgeen in de hiervoor genoemde uitspraak van 28 juni 2006 van de ABRvS is overwogen volgt dat, naast zelfstandige bewoning door een gezin, ook minder traditionele woonvormen zich met deze bestemming verdragen, indien daarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning met een zekere mate van verbondenheid tussen de bewoners.

2.14 In de onderhavige woning zijn, zo is door partijen gesteld, acht tot negen werknemers gehuisvest. Het samenwonen van een groep werknemers wordt in overwegende mate bepaald door de wens om gedurende de tijd van de arbeidscontracten over huisvesting te beschikken. Werknemers hebben (in de regel) niet de intentie om bestendig, voor onbepaalde tijd, een met een gezinsverband vergelijkbaar samenlevingsverband met elkaar aan te gaan. Niet gesteld is dat het in dit geval gaat om een samenlevingsvorm die bestond vóór en stand zal houden ná bewoning van de woning. Het samenwonen kenmerkt zich in dit geval door een tevoren vaststaande tijdelijkheid van de samenwoning. Deze vorm van bewoning is dan ook ten onrechte door verweerder op één lijn gesteld met gezinsbewoning. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het gebruik van de woning zich niet verdraagt met het bestemmingsplan.

2.15 Nu het gebruik van de woning niet in overeenstemming is met de daarop rustende bestemming is de rechtbank van oordeel dat sprake is van strijd met artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften. Verweerders besluit berust daarom op een onjuiste wettelijke grondslag. Gelet hierop heeft verweerder ten onrechte het dwangsombesluit van 8 juli 2008 ingetrokken en het verzoek van eisers om handhaving afgewezen.

2.16 Het voorgaande leidt ertoe dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. Daarbij zal verweerder dienen te beslissen op grond van per 25 maart 2009 in werking getreden (en op 1 november 2009 onherroepelijk geworden) nieuwe bestemmingsplan. Tevens zal verweerder een besluit moeten nemen op het verzoek van eisers om de kosten van de voorprocedure te vergoeden. Nu het besluit reeds op bovenvermelde gronden zal worden vernietigd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige grieven van eisers verder te bespreken.

2.17 De rechtbank acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers in beroep. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- als kosten voor verleende rechtsbijstand. De rechtbank heeft daarbij één punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting (waarde per punt € 322,-).

Beslissing

De rechtbank,

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 21 oktober 2008;

3.3 bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nader besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen,

3.4 bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,- aan hen vergoedt;

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten van eisers in dit geding ten bedrage van € 644,-.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. van Es- de Vries en in het openbaar uitgesproken op

26 maart 2010.

De griffier: de rechter:

mr. J.J. van Doorn mr. J.R. van Es- de Vries

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.