Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL9685

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
241143 / HA ZA 07-2290
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BR6571, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. In de strafzaak tegen gedaagde heeft de ter zitting gehoorde arts-patholoog geconcludeerd dat het letsel en de klachten van het slachtoffer (eiseres) het gevolg kunnen zijn van verwurging maar te weinig specifiek zijn om andere mogelijke oorzaken uit te sluiten. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat een redelijke mate van zekerheid over de door eiseres gesteklde toedracht ontbreekt.Als gevolg van mishandelingen en bedreiging door gedaagde in 2002 lijdt eiseres langdurig aan whiplash-achtige klachten en een posttraumatische stressstoornis. Immateriële schade wordt begroot op € 8.000. Vordering tot verwijzing naar schadestaatprocedure ter zake van verlies van verdienvermogen wordt toegewezen. Schadestaatprocedure kan er mede toe strekken om vast te stellen of eiseres die schade heeft geleden. Vordering tot betaling van € 500 ter zake van huishoudelijke hulp door vriendin van eiseres wordt, zelfs indien die vriendin haar werkzaamheden kosteloos zou hebben verricht, toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 241143 / HA ZA 07-2290

Vonnis van 31 maart 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. A.C. Zonneveld,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. L.A.M.J. Putz.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 januari 2009;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 mei 2009;

- het proces-verbaal ter aanvulling van het proces-verbaal van getuigenverhoor van

25 mei 2009;

- de conclusie na enquete van [eiseres] van 22 juli 2009

- de conclusie na enquete van [gedaagde] van 30 september 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. [gedaagde] is door het Openbaar Ministerie vervolgd voor diverse feiten die door [eiseres] aan haar vorderingen ten grondslag zijn gelegd. Bij onherroepelijk geworden en op tegenspraak gewezen vonnis van 28 juli 2005 achtte de rechtbank Amsterdam bewezen dat [gedaagde]:

A. op 20 mei 2002 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [eiseres] heeft geduwd waardoor zij ten val is gekomen, waardoor voornoemde [eiseres] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

en

B. op 3 oktober 2002 te Amsterdam [eiseres] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [eiseres] dreigend de worden toegevoegd: “ik ga toch al naar de gevangenis en voor ik naar de gevangenis ga maak ik je dood… ik vermoord je” en “ dit keer ben je er geweest… deze keer ben je 100% dood” en “nu roei ik jou en je hele familie uit”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

en

C. op 3 oktober 2002 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [eiseres] bij de haren heeft vastgepakt en hard aan de haren van die [eiseres] heeft getrokken en die [eiseres] aan de haren over de grond heeft gesleurd, waardoor voornoemde [eiseres] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

2.2. Aan [gedaagde] was ook ten laste gelegd dat hij heeft gepoogd [eiseres] op 20 mei 2002 opzettelijk van het leven te beroven, althans haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door -samengevat- met zijn handen de keel van [eiseres] dicht te knijpen, maar daarvan is hij door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken. Bij het onder C vermelde feit heeft de rechtbank Amsterdam [gedaagde] vrijgesproken van de toevoeging dat hij “ het hoofd van die [eiseres] tegen één of meer stenen en/of tegels, althans tegen een harde grond heeft geslagen”.

2.3. In het tussenvonnis van 21 januari 2009 heeft de rechtbank [eiseres] opgedragen te bewijzen dat [gedaagde] haar op 20 mei 2002 heeft geprobeerd te wurgen, in verband waarmee [gedaagde] zelf als getuige is gehoord. Daarnaast heeft de rechtbank [eiseres] opgedragen te bewijzen dat [gedaagde] haar op 3 oktober 2002 aan de haren met het hoofd tegen de grond heeft geslagen. In het kader daarvan is [getuige] (hierna: [getuige]) als getuige gehoord. Aan [gedaagde] is door de rechtbank, met inachtneming van artikel 161 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) in samenhang met artikel 151 lid 2 Rv, opgedragen tegenbewijs te leveren van het door de rechtbank Amsterdam bewezen verklaarde feit dat hij op 3 oktober 2002 [eiseres] aan de haren over de grond heeft gesleurd. Met betrekking tot deze aan [gedaagde] gegeven bewijsopdracht heeft zijn raadsman bij brief van 19 mei 2009 drie stukken overgelegd. In verband met deze bewijsopdrachten overweegt de rechtbank het volgende.

Bewijsopdracht [eiseres]: verwurging

2.4. Bij tussenvonnis van 17 april 2003 heeft de rechtbank Amsterdam in het kader van de verdenking dat [gedaagde] heeft gepoogd [eiseres] te wurgen bevolen dat een arts-patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut een rapport zou opstellen en dat de desbetreffende rapporteur ter zitting als deskundige zou worden gehoord. Aan de arts-patholoog zijn de volgende zes vragen voorgelegd:

I. Kunnen de navolgende omschrijvingen het gevolg zijn van een verwurging van aangeefster zoals door haar beschreven op pagina 11 (doorgenummerd) van het proces verbaal van aangifte, proces-verbaal nummer 2002135755-1 d.d. 31 mei 2002 en op pagina 213 van haar verklaring, als getuige afgelegd bij de rechter-commissaris op 27 januari 2003?

1. De door aangeefster [eiseres] in het proces-verbaal van aangifte (proces-verbaal nummer 2002135755-1 d.d. 31 mei 2002, doorgenummerde pagina's 11, 12, 13 omschreven sensaties, zoals zij die heeft ervaren op 20 mei 2002:

- Ik kon niets. Mijn armen lagen slap opzij. Ik kon niets doen. Ik voelde een verschrikkelijke pijn in mijn keel.

- Alles wat ik zag was wazig.

- Ik voelde een kou. Ik kon ook niet goed praten. Mijn mond wilde niet meewerken. De woorden die ik zei kwamen heel raar uit mijn mond.

- Ik moest heel veel moeite doen om te praten. Maar als ik iets zei dan leek het nergens op.

- Ik had nergens gevoel in en ik bleef maar steeds raar praten.

- Ik voelde een hevige pijn in mijn keel. Ik moest spugen.

- Ik was alle besef van tijd kwijt.

- Ik voelde mij nog steeds slap en ellendig;

en zoals zij deze heeft ervaren op 21 mei 2002:

- Mijn tong voelde als verdoofd aan. Op dit moment is mijn tong nog steeds verdoofd (31 mei 2002).

2. De waarnemingen van aangeefster [eiseres] in het proces-verbaal van aangifte (proces-verbaal nummer 2002135755-1 d.d. 31 mei 2002, doorgenummerde pagina's 12. 13, zoals gedaan

op 20 mei 2002:

Later ontdekte ik dat het zwarte vlokken waren die ik had uitgespuugd.

en zoals gedaan op 21 mei 2002:

Ik zag dat op mijn ogen donkerbruine vlekken zaten. Onder mijn ogen was het ook donkerbruin. Verder zag ik dat mijn gezicht donker was en vlekkerig was. Ik zag dat ik in mijn tong twee grote bijtwonden had. Die bijtwonden zaten voor aan de tong en mijn tong was helemaal wit.

3. De waarnemingen van de getuige [naa[gedaagde] zoals gerelateerd in diens verhoor als getuige bij de rechter-commissaris d.d. 19 maart 2003, zoals gedaan op 20 mei 2002:

- Zij ademde wel en ook had zij haar ogen open maar zij sprak niet. Er kwam niets uit haar.

- In de badkamer zag ik dat haar tong blauw was en dat er bloed uit haar mond kwam. Ook zag ik tandafdrukken op haar tong en aderen in haar ogen die waren geknapt.

4. De waarnemingen van mevrouw [X], haio, weergegeven in haar handgeschreven verklaring d.d. 21 mei 2002.

II. Tot welke opmerkingen uwerzijds leidt de brief van R. Pekelharing, arts, d.d. 2 april 2003 aan mr J.D. van der Heijden in verband met het voorgaande?

III. Welke conclusies kunnen in verband met uw beantwoording van de voorgaande vragen getrokken worden uit de hieronder bedoelde kleurenfoto ?

IV. Is op deze foto sprake van een of meer conjunctivaalbloedingen van de ogen? Wat is een conjunctivaalbloeding en waardoor kan zo'n bloeding worden veroorzaakt?

V. Kunnen een of meer van de hiervoor beschreven sensaties/verschijnselen en/of waarnemingen het gevolg zijn van een verwurging als door aangeefster beschreven, terwijl daarbij geen drukplekken of bloeduitstortingen aan de hals of de nek zijn ontstaan?

VI. Is het denkbaar dat de door aangeefster waargenomen sensaties en het bij haar waargenomen letsel alsmede de bij haar waargenomen verschijnselen als hiervoor beschreven de gevolgen zijn van een val als door verdachte beschreven in diens verklaring d.d. 12 juni 2002 (proces-verbaal nummer 2002135755-13 doorgenummerde pagina 41), diens verklaring bij de rechter-commissaris d.d. 13 juni 2002 en diens verklaring ter terechtzitting van 3 april 2003 met betrekking tot de val, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt niet dat ik mijn ex-vrouw wilde wurgen.

Op 20 mei 2002 was ik bezig met het in elkaar zetten van een stoel. Mijn ex-vrouw en ik hadden eerder een meningsverschil over de opvoeding van de kinderen. Ik wilde niet dat mijn kinderen bleven omgaan met de kinderen van haar vriendin [Z]. Mijn ex-vrouw werd hierop boos, ze was over haar toeren. Mijn ex-vrouw zei tegen mij dat ik haar wilde isoleren. Op een gegeven moment hoorde ik mijn ex-vrouw zeggen: "Ik ga weg". Ze liep richting de berging. De berging is in de gang van de woning. Ze pakte vervolgens haar jas. Ik ben naar haar toegegaan en ik probeerde haar te kalmeren. Mijn zoon had binnen korte tijd examens en haar zus was in Nederland. Ik wilde niet dat het een en ander uit de hand zou lopen. Mijn ex-vrouw bleef zeggen: "ik ga weg, het gaat niet". Ik wilde haar tegenhouden. Op een gegeven moment kwamen we tegenover elkaar te staan. Ik stond met mijn beide handen en armen gestrekt recht tegen over haar om haar tegen te houden. Ik heb als gevolg van een suïcidale poging waarbij ik ten val ben geraakt een plaat in mijn linkerarm. Ik heb niet veel kracht in voornoemde arm. Mijn ex-vrouw probeerde onder mijn rechterarm te lopen om uit die berging weg te komen. Het is een kleine ruimte. Ik heb haar geduwd, alles ging zo snel. Zij heeft mij niet aan mijn haar getrokken. Ik zag dat ze tegen de diepvries aankwam en met haar achterhoofd naar achteren viel op de rand van de vriezer. De vriezer is anderhalve meter hoog. We vielen samen op de grond. Ik ben op haar blijven liggen, een aantal minuten. Ik dacht "dit is een spelletje, ze doet net alsof”. We hadden dit spelletje ooit in het verleden gedaan. En ik was bang dat de worsteling door zou gaan, wat ik niet wilde. Maar op een gegeven moment zag ik totaal geen beweging. Ze reageerde niet. Ze zag er bewusteloos uit. Ik zag toen wel dat er bloed op haar mond zat. Ik heb haar toen aan haar benen naar de badkamer getrokken en haar met water nat gemaakt. Vervolgens heb ik met mijn hand onder haar schouders naar de slaapkamer gebracht. Ze was nog steeds bewusteloos. Ik heb haar vervolgens in een zittende houding gebracht en haar hoofd met water nat gemaakt en toen kwam ze bij bewustzijn. Ik kan me herinneren dat ze hoofdpijn had, pijn aan haar nek en pijn aan haar tong. Misschien heeft ze bij de val op haar tong gebeten. Toen mijn ex-vrouw haar tong uitstak, zag ik een sneetje op haar tong. Ik heb niet precies gezien wat uit haar neus kwam. Ik heb wel gezien dat zij voortdurend bloed zat te spugen, dat op haar badjas kwam. Het zal wel veroorzaakt zijn door die val. Ik heb niets bijzonders aan haar ogen gemerkt of gezien. Om 19.30 uur heb ik de dokter gebeld, die langs is geweest en het een ander op papier heeft geschreven. Ik heb niet tegen de dokter gezegd dat we ruzie hadden en dat ik haar bij de keel heb gegrepen. Ik heb tegen de dokter gezegd dat we een discussie hebben gehad en dat mijn ex-vrouw bij de diepvries is gevallen. Ik heb geen vingerafdrukken op haar keel gezien. Mijn ex-vrouw heeft dit hele verhaal aangedikt en goed opgezet met haar broer, die brigadier is in Suriname.

B. Voorts dient de officier van justitie, voorafgaande aan de inzending van de stukken aan het NFI, via haar raadsvrouwe mr. A. Zonneveld aan het slachtoffer om uitlevering te vragen van de originele kleurenfoto, genomen op 24 mei 2002, waarvan de kopie als bijlage 1 bij het voegingsformulier benadeelde partij hoort, opdat deze foto in het dossier wordt gevoegd mede teneinde deze ter beoordeling aan de deskundige voor te leggen (vraag III).

2.5. De verklaring van 21 mei 2002 van Beeldman, haio (huisarts in opleiding), waarnaar de rechtbank Amsterdam onder punt 4 verwees, luidt als volgt:

Op 21-05-2002 heb ik een visite afgelegd bij mw. [eiseres], geboren [1963]. Bij het lichamelijk onderzoek trof ik het volgende:

- 2 bijtwonden op de rechter tongrand

- iets bloedverlies uit de mond

- pijnlijke hals

- drukgevoelige nekspieren

- roodheid (conjunctivaal bloeding) van het linkeroog en het rechteroog.

2.6. Blijkens het proces-verbaal van de politie waarin de aangifte van [eiseres] is opgenomen, heeft [eiseres] met betrekking tot het handelen van [gedaagde] op 20 mei 2002 het volgende verklaard:

Ik ben naar de berging gelopen. De berging is aan de rechterzijde van de gang als je van de gang naar de voordeur loopt. Ik liep de berging in om mijn jas te pakken. Ik pakte mijn jas met mijn rechterhand. Op dat moment voelde ik dat ik werd vastgepakt bij mijn keel. Ik voelde een hand die van achteren en een hand die van voren mijn keel vastpakte. Ik voelde dat mijn keel werd dichtgedrukt. Het was donker in de berging. Ik draaide mij om. Ik voelde dat de hand die mijn keel van achteren beet had los liet. Ik zag dat die hand de deur van de berging dicht deed. Toen ik die arm zag herkende ik die arm van Ramnath. Het was zijn linkerhand. Meteen voelde ik dat ik weer van achteren bij mijn keel werd vastgepakt. Ik voelde dat mijn keel weer dicht geknepen. Er schoot op dat moment meteen de gedachte bij mij op dat hij mij zou doodmaken. Hij had dit eerst al gezegd tegen mij en nu was hij mij bezig dood te maken. Ik voelde dat ik het benauwd kreeg. Ik kon geen lucht meer krijgen. Ramnath bleef mij bij mijn keel vasthouden en mijn keel dicht knijpen. Ik kreeg een gevoel dat ik stikte. Ik kan mij nog herinneren dat ik Ramnath zijn haar pakte. Op het moment dat ik Ramnath zijn haar vast had voelde ik dat mijn hand los liet. Ik had geen kracht meer in mijn hand. Ik kreeg mijn twee jongste kinderen in gedachten. Ik had nog steeds een verstikkend gevoel. Ik had het gevoel dat ik stikte. Ik voelde mij heel slap worden. Ik dacht echt dat hij mij dood ging maken. Ik was verschrikkelijk bang. Ik werd tegen de jassen gedrukt. Het laatste wat ik deed was proberen te schreeuwen. Dit lukte natuurlijk niet en ik heb in gedachten geschreeuwd. Toen werd alles slap en zwart voor mijn ogen.

2.7. Het door de arts-patholoog aan de rechtbank Amsterdam verstrekte rapport is niet door partijen overgelegd. Wel is overgelegd het proces-verbaal van de zitting van

14 juli 2005, waarin als verklaring van de arts-patholoog op die zitting, voor zover relevant, is opgenomen:

Bij het opstellen van mijn rapport ben ik terughoudend geweest ten aanzien van de diverse verklaringen met de omschrijvingen van het letsel en de klachten van het slachtoffer. Als arts-patholoog ga ik uit van mijn eigen waarnemingen en ben ik zeer voorzichtig met verklaringen en interpretaties van niet-deskundigen. Met mijn conclusie in het rapport, dat veel van de klachten psychisch zijn bepaald, bedoelde ik niet de wond op de tong en het bloed uit de mond. Ik doelde bijvoorbeeld op de klacht van het slachtoffer dat zij last had van een pijnlijke hals. Dat is niet door een arts vast te stellen en de verklaring erover door het slachtoffer kan ook het gevolg zijn van suggestieve vragen. Om die reden heb ik geadviseerd de zaak voor te leggen aan een arts-psycholoog, omdat hij beter kan oordelen over de psychische gesteldheid van een slachtoffer tijdens en na afloop van een verwurging. Ik kan als patholoog alleen oordelen over objectieve gegevens. Subjectieve gegevens liggen buiten mijn vakgebied. Als u mij vraagt om er nu vanuit te gaan dat het waar is wat er door het slachtoffer en de getuigen is verkaard, dan kan ik daarover het volgende verklaren. De donkere vlokken die het slachtoffer heeft uitgespuugd, kunnen bijvoorbeeld zijn veroorzaakt door een bijtwond in de tong. Doordat het slachtoffer enige tijd bewusteloos is geweest, heeft het bloed zich waarschijnlijk in de mondholte verzameld. In het sputum kunnen dan donkere vlokken zitten. Een blauwe tong kan een gevolg zijn van zuurstoftekort. De donkere vlokken in het sputum en een blauwe tong zijn echter niet typisch voor een verwurging. Wat typerend is voor een verwurging is moeilijk te zeggen, omdat er een heel scala is aan mogelijke gevolgen, variërend van nauwelijks letsel tot een gebroken strottenhoofd. In ieder geval wel typerend voor een verwurging is dat door de stuwing in het hoofdgebied in de ogen en in de oren bloedvaatjes knappen. Dit veroorzaakt stipvormige vlekken. Bij klachten als een pijnlijke hals en drukgevoelige nekspieren is het minder duidelijk. Deze klachten kunnen een gevolg zijn van verwurging, maar ze kunnen ook door andere handelingen ontstaan. Samendrukkend geweld aan de hals is namelijk een ruimer begrip dan verwurging. In dit geval kan de pijnlijke nek ook zijn ontstaan doordat het hoofd van het slachtoffer naar voren is geklapt toen zij met haar achterhoofd tegen de diepvrieskist viel. Het is ook mogelijk dat zij daarbij op haar tong heeft gebeten. Naar mijn oordeel kunnen het letsel en de klachten van het slachtoffer het gevolg zijn van verwurging, maar ze zijn te weinig specifiek om andere mogelijke oorzaken uit te sluiten.

2.8. In haar vonnis van 28 juli 2005 heeft de rechtbank Amsterdam de vrijspraak van het wurgen van [eiseres] als volgt gemotiveerd:

Hoewel, ook op basis van de rapportage van de deskundige dr. R. Visser van 28 augustus 2003, niet kan worden uitgesloten dat het bij en door het slachtoffer geconstateerde letsel het gevolg was van een verwurgingshandeling, geeft met name de ter terechtzitting door de deskundige gegeven toelichting de rechtbank aanleiding tot gerede twijfel over deze toedracht. Derhalve sluit de rechtbank zich aan bij de lezing van verdachte dienaangaande.

2.9. Naar aanleiding van de haar gegeven bewijsopdracht heeft [eiseres] als getuige een verklaring afgelegd die in hoofdlijnen overeenstemt met haar aangifte (zie hierboven). Zij betoogt dat zij is geslaagd in het leveren van het bewijs van het feit dat [gedaagde] op

20 mei 2002 heeft geprobeerd haar te wurgen. Volgens [eiseres] volgt dit uit:

- de sensaties en verschijnselen, zoals beschreven door [eiseres], haar zoon [naam zoon] en de huisarts in opleiding Beeldman (waarnaar door de rechtbank Amsterdam in de punten 1 tot en met 4 van het tussenvonnis van 17 april 2003 is verwezen);

- de verklaring van de arts-patholoog ter zitting van 14 juli 2005 dat het letsel en de klachten van [eiseres] het gevolg kunnen zijn van verwurging;

- het oordeel van de rechtbank Amsterdam dat het letsel van [eiseres] door verwurging kon zijn ontstaan;

- de door [eiseres] als getuige afgelegde verklaring waarin zij heeft beschreven hoe ze voelde dat [gedaagde] met de vingers van zijn rechterhand in haar keel drukte terwijl hij haar met zijn linkerhand in de nek vast had, toen ze voelde dat zij de kracht in haar arm kwijtraakte, dat zij geen geluid meer kon voortbrengen en dat zij als realiteit ervoer dat ze bezig was dood te gaan en vervolgens het bewustzijn verloor.

2.10. [gedaagde] neemt het standpunt in dat [eiseres] niet in haar bewijsopdracht is geslaagd. In verband daarmee voert hij aan dat juist de door de arts-patholoog ter zitting gegeven toelichting voor de rechtbank Amsterdam aanleiding is geweest voor gerede twijfel over de door [eiseres] gestelde toedracht. Volgens [gedaagde] is de civiele rechter in beginsel aan dit oordeel van de strafrechter gebonden, tenzij er contra-indicaties zijn om alsnog tot een ander oordeel te komen. [gedaagde] betoogt dat dergelijke contra-indicaties er niet zijn, temeer niet nu door [eiseres] voor het bewijs van de gestelde verwurging uitsluitend aansluiting wordt gezocht bij bewijsmiddelen uit de strafzaak.

2.11. De rechtbank overweegt als volgt. De stelling van [gedaagde], die erop neerkomt dat de civiele rechter in beginsel gebonden is aan een door de strafrechter gegeven vrijspraak, vindt geen steun in het recht. In civiele zaken is de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt (artikel 152 lid 2 Rv). Een bepaling met de strekking zoals [gedaagde] die voorstaat, kent de wet niet. Wel kent de rechtbank, net als de rechtbank Amsterdam, bij de waardering van de bewijsmiddelen doorslaggevende betekenis toe aan de bevindingen van de arts-patholoog. [gedaagde] betoogt dat hij [eiseres] heeft geduwd, waardoor zij met haar hoofd tegen de vriezer is gevallen en bewusteloos is geraakt. Uit de ter zitting door de arts-patholoog afgelegde verklaring en de motivering van de vrijspraak door de rechtbank Amsterdam, waarin is verwezen naar het door deze deskundige opgestelde rapport, leidt de rechtbank af dat de arts-patholoog de door [gedaagde] gestelde gang van zaken niet als mogelijkheid uitsluit. Volgens deze deskundige kunnen het letsel en de klachten van [eiseres] weliswaar het gevolg zijn van verwurging, maar zijn ze te weinig specifiek om andere mogelijke oorzaken uit te sluiten. De arts-patholoog is tot deze conclusie gekomen, onder meer na kennisneming van de verklaring van [eiseres] over de toedracht, de door haar beschreven sensaties en verschijnselen, de verklaring van de zoon van partijen, [naa[gedaagde], de bevindingen van de huisarts in opleiding Beeldman, alsmede van de door [gedaagde] bij de politie afgelegde verklaring. Gelet op het voorgaande ontbreekt een redelijke mate van zekerheid over de door [eiseres] gestelde toedracht. De rechtbank acht die toedracht daarom niet bewezen.

Bewijsopdracht [eiseres]: met het hoofd tegen de grond geslagen

2.12. In overeenstemming met hetgeen zij bij de politie heeft verklaard, betoogt [eiseres] dat zij op 3 oktober 2002 door [gedaagde] met het hoofd tegen de grond is geslagen. [gedaagde] ontkent dit. Getuige [getuige] heeft in dit verband het volgende verklaard:

Toen [gedaagde] op de grond lag met zijn linkerarm door mij op zijn rug gedraaid, hield hij met zijn rechterhand de haren van mevrouw [eiseres] vast. Hij heeft toen haar hoofd op de stenen geslagen en ik heb daarom mijn scheenbeen op zijn rechterarm gezet zodat hij uiteindelijk losliet. U vraagt mij of ik heb gezien dat haar hoofd de stenen raakte toen hij haar aan haar trok en haar hoofd daarna tegen de stenen duwde. Ik zat er bovenop en ik heb het gehoord dat haar hoofd de stenen raakte. [gedaagde] kon geen kant uit omdat ik boven op hem zat, zodat dit geluid alleen kon worden veroorzaakt door haar hoofd op de stenen. Ik heb niet geteld hoe vaak dat is geweest. Het geluid was een doffe klap, het is niet een geluid dat ik nu na kan doen. Ik weet niet hoe vaak ik dat geluid heb gehoord. (…) U vraagt mij of hij haar met haar hoofd naar de grond heeft geduwd of geslagen. Het zou kunnen dat hij heeft geduwd. Het ging ieder geval met kracht. Ik doe het voor. Ik hoor de rechter zeggen dat zij heeft gezien dat ik tijdens het verhoor met mijn rechterarm pompende bewegingen maakte. Ik heb [gedaagde] dit meermalen zien doen. [eiseres] ging steeds harder schreeuwen. Zij smeekte en vroeg mij om [gedaagde] niet los te laten, terwijl [gedaagde] tegen mij riep: “laat me los, ik vermoord je”. (…) U vraagt mij nogmaals of ik het door [gedaagde] naar de grond werken van het hoofd van [eiseres] beschouw als slaan of duwen. Ik zie het niet als duwen. Hij had haar vast aan het voorste gedeelte van haar haren en daarmee werkte hij haar naar de grond. Dat moet dan een slaande beweging zijn geweest. Dat haar hoofd op en neer bewoog moet geweest zijn door de beweging van [gedaagde] omdat haar hoofd daarbij op de grond terechtkwam. Dit kan niet door haarzelf veroorzaakt zijn omdat ze probeerde los te komen. Dan kom je niet met je hoofd op de grond terecht. Ze heeft al die tijd op de grond gelegen en kwam pas op haar knieën toen ze kon opstaan nadat [gedaagde] haar haren losliet doordat ik met mijn scheenbeen op zijn rechterarm drukte.

2.13. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid of het waarheidsgehalte van deze getuigenverklaring te twijfelen. Gelet op de gedetailleerdheid van deze verklaring acht de rechtbank bewezen dat [eiseres] op 3 oktober 2002 door [gedaagde] met het hoofd tegen de grond is geslagen.

Bewijsopdracht [gedaagde]: tegenbewijs van aan de haren over de grond sleuren

2.14. De rechtbank Amsterdam heeft bewezen verklaard dat [gedaagde] op 3 oktober 2002 [eiseres] aan de haren over de grond heeft gesleurd. Aan [gedaagde] is door de rechtbank opgedragen hiervan tegenbewijs te leveren. In verband hiermee heeft [gedaagde] de volgende stukken overgelegd:

- Een proces-verbaal van politie bevattende een samenvatting van hetgeen een persoon genaamd [A] als getuige tegen de politie heeft verklaard. De door de politie gegeven samenvatting van de verklaring van getuige [A] luidt, voor zover in verband met de aan [gedaagde] gegeven bewijsopdracht relevant, dat zij gezien heeft dat de ex-man van [eiseres] haar bij haar haren pakte en naar de grond trok.

- Een proces-verbaal van de rechter-commissaris in de strafzaak tegen [gedaagde], houdende de verklaring die [eiseres] op 26 januari 2003 heeft afgelegd. Uit dit proces-verbaal blijkt dat [eiseres] toen bij haar weergave van hetgeen op 3 oktober 2002 is gebeurd er geen melding van heeft gemaakt dat zij aan haar haren over de grond is gesleurd.

- Een proces-verbaal van de rechter-commissaris in de strafzaak tegen [gedaagde], houdende de verklaring die Nilesh [gedaagde], zoon van partijen, op 19 maart 2003 heeft afgelegd. Deze getuige heeft toen verklaard dat hij het voorval niet heeft gezien. Van zijn vader en buurtbewoners heeft hij gehoord dat zijn vader achter zijn moeder aanliep, dat zij de telefoon pakte, dat zijn vader de telefoon wilde pakken, dat hij haar bij haar haren pakte en haar op de grond duwde. De buurman die erbij betrokken was (de rechtbank gaat ervan uit dat hiermee [getuige] is bedoeld) vertelde hem dat zijn vader achter zijn moeder aanging, dat hij haar op de grond zag liggen, dat er een worsteling tussen hen was, dat hij ertussen is gekomen en dat zijn vader hem toen beet.

2.15. De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze stukken als volgt. Aan de bewezenverklaring van het in 2.1 onder C beschreven feit heeft de rechtbank Amsterdam de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:

De verklaring van [eiseres] bij de politie (samengevat):

Plotseling voelde ik dat hij mij van achteren met een hand bij mijn keel/kaak en met de andere bij mijn haren pakte en daar heel hard aan trok. Zo hard zelfs dat hij een hele pluk haren uit mijn hoofd heeft getrokken. (…) Door het trekken aan mijn haren verloor ik mijn evenwicht en kwam op straat te vallen. Vervolgens werd ik door [gedaagde] aan mijn haren over het voetpad gesleurd. Ik heb geen idee hoe lang het heeft geduurd, want het trekken aan mijn haren deed me zo verschrikkelijk pijn, dat het voor mij een eeuwigheid leek te duren. (…)

Een schriftelijke geneeskundige verklaring van het Academisch Ziekenhuis te Amsterdam van 3 oktober 2002:

Mevrouw [eiseres] is op 3 oktober 2002 lichamelijk onderzocht naar aanleiding van mishandeling door haar echtgenoot. Daarbij is onder meer gebleken: pijn in het hoofd, vele losse haren, contusie van de neus, een contusieplek op het hoofd en een wondje op de rechterknie.

2.16. Getuige [getuige] heeft, voorzover in dit kader relevant, het volgende verklaard:

Ze hadden een woordenwisseling en ik zag dat zij van hem vandaan liep. Op een gegeven moment hoorde ik haar schreeuwen en ik zag dat de man, [gedaagde], haar van achter bij haar haren had gepakt. Ze probeerde los te komen door haar hoofd naar beneden weg te draaien en hij trok vervolgens haar aan haar haren naar zich toe. Daardoor draaide haar gezicht zijn kant op. Met haar haren in zijn handen drukte hij haar hoofd omlaag tegen de stenen. Daarna trok hij haar hoofd met haar gezicht over de stenen naar zich toe. (…) [gedaagde] heeft [eiseres] over de grond gesleurd over een afstand van naar ik meen binnen 1 meter. Al die tijd bleef hij gebukt waarbij hij haar haren vasthield en haar hoofd op de grond hield. Het over de grond sleuren van haar gezicht aan haar haren heeft een fractie van een paar tellen geduurd. (…)

2.17. Met inachtneming van de door de rechtbank Amsterdam gebruikte bewijsmiddelen en de getuigenverklaring van [getuige] is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] niet is geslaagd in het leveren van het hem opgedragen tegenbewijs. De door [gedaagde] overlegde stukken maken, in hun onderlinge samenhang bezien, niet aannemelijk dat hij [eiseres] op

3 oktober 2002 niet aan de haren over de grond heeft gesleurd.

Onrechtmatige gedragingen

2.18. Ter zitting is namens [eiseres] betoogd dat de gedragingen van [gedaagde] die door de rechtbank Amsterdam bewezen zijn verklaard reeds voldoende zijn om haar vorderingen te dragen. Hieruit leidt de rechtbank af dat [eiseres] subsidiair, voor het geval de rechtbank niet bewezen acht dat [gedaagde] heeft geprobeerd haar te wurgen, het standpunt inneemt dat er van moet worden uitgegaan dat [gedaagde] haar op 20 mei 2002 heeft geduwd. Gelet hierop, op de bewezenverklaring van de rechtbank Amsterdam en op hetgeen [gedaagde] over de gebeurtenis op die dag heeft aangevoerd zal de rechtbank uitgaan van een duw. Met inachtneming van het voorgaande stelt de rechtbank vast:

- dat [gedaagde] [eiseres] op 20 mei 2002 heeft geduwd waardoor zij met haar hoofd naar achteren tegen de rand van een vriezer is gevallen en bewusteloos is geraakt;

- dat [gedaagde] [eiseres] op 3 oktober 2002 met de dood heeft bedreigd;

- dat [gedaagde] [eiseres] op 3 oktober 2002 hard aan de haren heeft getrokken, haar aan de haren over de grond heeft gesleurd en haar hoofd tegen de grond heeft geslagen.

Deze gedragingen van [gedaagde] zijn onrechtmatig jegens [eiseres].

Immateriële schade

Standpunten partijen

2.19. [eiseres] betoogt dat zij als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] lijdt aan pijnklachten aan de nek en de linkerarm, hoofdpijn, gevoelige plekken op het hoofd waar het haar was uitgetrokken, duizeligheid, nachtmerries, paniekaanvallen, slaapproblemen, concentratiestoornissen, vermoeidheid en vergeetachtigheid. Zij is onder behandeling geweest van een fysiotherapeut en bij het Revalidatiecentrum Amsterdam, afdeling Pijnbestrijding. Een deel van haar klachten moet worden beschouwd als whiplashklachten. Voorts betoogt zij dat zij als gevolg van de onrechtmatige handelingen van [gedaagde] lijdt aan een posttraumatische stress-stoornis (ptss). [eiseres] begroot haar immateriële schade op EUR 8.000,--. Aangezien de rechtbank Amsterdam haar in haar hoedanigheid van benadeelde partij in de strafzaak terzake van haar immateriële schade EUR 1.000,-- als smartengeld heeft toegekend vordert zij thans een bedrag van

EUR 7.000,--.

2.20. [gedaagde] betwist het bestaan van de door [eiseres] geuite klachten en het causaal verband tussen deze klachten en de aan hem verweten gedragingen. Hij betoogt dat de whiplashklachten nooit zijn aangetoond. De diagnose whiplash (of whiplash-achtige klachten) is vastgesteld door fysiotherapeut De Lange, die daarvoor niet als deskundige is te kwalificeren terwijl deze diagnose in geen enkel medisch verslag wordt geobjectiveerd of bevestigd. [gedaagde] voert tevens aan dat [eiseres] niet aan een ptss lijdt die is veroorzaakt door de mishandelingen, aangezien er blijkens de medische verklaringen sprake is van psychische klachten die reeds teruglopen tot 1998. De factoren die deze klachten veroorzaken zijn gelegen in de persoonlijkheid van [eiseres] en in andere omstandigheden zoals het overlijden van haar vader en haar broer. Ook zou uit de rapporten van AMC De Meren blijken dat de klachten van [eiseres] niet significant zijn verergerd sinds mei 2002 of oktober 2002. Volgens [gedaagde] heeft hij met zijn betaling van EUR 1.000,--aan [eiseres], opgelegd door de rechtbank Amsterdam in de strafzaak, reeds aan zijn verplichting tot vergoeding van de immateriële schade voldaan.

Whiplash-achtige klachten

2.21. De diagnose whiplash wordt doorgaans gesteld in gevallen waarin de nekspier is verrekt. Bij veel mensen gaan de klachten over maar bij een minderheid worden de klachten chronisch. Van hetgeen [eiseres] aanvoert kunnen de volgende klachten passen bij een whiplash: pijn in de nek, hoofdpijn, slaapproblemen, concentratiestoornissen, vermoeidheid en vergeetachtigheid (zie voor een opsomming van de mogelijke symptomen bijvoorbeeld de website van de Hersenstichting). Dat [eiseres] al in april 1998 slecht sliep blijkt uit het rapport van AMC De Meren van 4 februari 2003. Uit geen van de overgelegde (medische) stukken blijkt echter dat [eiseres] voor 20 mei 2002 de overige in deze paragraaf genoemde klachten al had.

2.22. De rechtbank gaat er met [gedaagde] vanuit dat [eiseres] op 20 mei 2002 ten gevolge van een duw door [gedaagde] met haar hoofd naar achteren tegen de rand van een vriezer terecht is gekomen en daardoor bewusteloos is geraakt. Dat een dergelijke val tot verrekking van de nekspier en tot (ernstige) nek- en hoofdklachten kan leiden is een feit van algemene bekendheid. Huisarts in opleiding Beeldman heeft op 21 mei 2002 vastgesteld dat [eiseres] drukgevoelige nekspieren had. De vaste huisarts van [gedaagde] schreef in zijn brief van 14 februari 2003 dat [eiseres] hem op 3 juni 2002 heeft gemeld dat zij nog steeds veel last had van haar nek (productie 5B bij dagvaarding). Op 3 oktober 2002 heeft [gedaagde] [eiseres] aan haar haren over de grond gesleurd en haar met haar hoofd tegen de grond geslagen. [gedaagde] heeft hierbij letsel opgelopen, onder meer aan haar hoofd (zie de schriftelijke geneeskundige verklaring van het AMC met betrekking tot het op die dag geconstateerde letsel, 2.15).

2.23. [eiseres] is van 26 augustus 2002 tot en met 29 oktober 2002 in behandeling geweest bij een fysiotherapeut. In zijn brief van 6 maart 2003 staat het volgende:

(…) 3. Welke klachten had cliënte?

Keelbloeding, petechieën ogen, pijnklachten li nek-schouderregio, hoofdpijn, verstoorde nachtrust, mobiliteitsbeperking cervicale wervelkolom en tongbeet. (…)

7. Overige opmerkingen: bij beëindigen therapie was er sprake van het volgende klachtenbeeld: hoofdpijn, misselijkheid, continue hoog cervicale pijnklachten, onvermogen hoofd gedurende de hele dag actief te stabiliseren alsmede verstoorde nachtrust. (…)

2.24. In de zogenoemde groene kaart heeft de huisarts van [eiseres] aangetekend dat [eiseres] hem heeft gemeld (productie 5C bij dagvaarding):

- op 1 november 2002: nog steeds pijn in het achterhoofd en hoog in de nek;

- in juni 2003: vergeetachtig;

- in februari 2004: klachten nek en linkerarm, vooral uit de nek; vergeetachtig; opeens gedesoriënteerd; slecht slapen.

2.25. [eiseres] is in behandeling geweest bij het Revalidatie Centrum in Amsterdam. In een brief van 5 december 2007 schreef de revalidatie-arts van [eiseres] het volgende:

Patiënte is in maart 2007 gezien en sindsdien in behandeling. Diagnose is onduidelijk. Ik noem het chronische pijnklachten van de nek, ontstaan na een trauma waarbij het cluster van symptomen lijkt op een whiplash associated disorder graad II. De klachten bestaan uit pijn en vegetatieve klachten als duizeligheid. (…) Therapeutische mogelijkheden zijn wat mij betreft een cognitief gedragsmatig groepsprogramma. (…)

Ter zitting van de 15 september 2008 heeft [eiseres] aangevoerd dat zij de cognitief gedragsmatig groepstherapie inmiddels heeft gevolgd en dat deze therapie erop is gericht om met pijnklachten om te gaan en te leren binnen de grenzen te blijven van wat men aankan. [gedaagde] heeft dit niet weersproken.

2.26. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [eiseres] lijdt aan pijn in de nek en de schouder, hoofdpijn, duizeligheid, concentratiestoornissen, vermoeidheid en vergeetachtigheid. Deze klachten zijn het gevolg van de mishandelingen door [gedaagde] op 20 mei 2002 en 3 oktober 2002. De rechtbank tekent daarbij aan dat de concentratiestoornissen ook een gevolg kunnen zijn van posttraumatische stressstoornis (zie hierna). Verder heeft [gedaagde] niet weersproken dat [eiseres] nog steeds gevoelige plekken heeft op het hoofd doordat [gedaagde] op 3 oktober 2002 haren uit het hoofd van [eiseres] heeft getrokken, zodat ook deze klacht vaststaat.

Posttraumatische stressstoornis

2.27. Vaststaat dat [gedaagde] lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (ptss). Deze diagnose is gesteld door De Meren, psychiatrische afdeling van het academisch medisch centrum in Amsterdam (AMC), waar [eiseres] al sinds 1998 in behandeling is. [eiseres] betoogt dat haar ptss een gevolg is van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] in 2002. [gedaagde] betwist dit.

2.28. Op de website van het Trimbos Instituut is ptss gedefinieerd als een hevige stressreactie op een schokkende gebeurtenis. Blijkens dezelfde website gelden voor de diagnose ptss op grond van DSM-IV-TR de volgende criteria (de lay-out is enigszins door de rechtbank aangepast):

1) Blootstelling aan een gebeurtenis (trauma) die een feitelijke of dreigende dood of een ernstige verwonding met zich meebrengt, of die een bedreiging vormt voor de fysieke integriteit van betrokkene of van anderen. De betrokkenen reageren op deze gebeurtenis met intense angst, hulpeloosheid of afschuw.

2) Voortdurende herbeleving van deze traumatische gebeurtenis op minstens een van de volgende vijf manieren:

- terugkerende en zich opdringende onaangename herinneringen aan de gebeurtenis;

- terugkerende akelige dromen over de gebeurtenis;

- handelen of voelen alsof de traumatische gebeurtenis opnieuw plaatsvindt;

- intens psychisch lijden bij blootstelling aan interne of externe stimuli die een aspect van de traumatische gebeurtenis symboliseren of erop lijken;

- fysiologische reacties bij blootstelling aan interne of externe stimuli die een aspect van de traumatische gebeurtenis symboliseren of erop lijken.

3) Aanhoudende vermijding van prikkels die bij het trauma horen, of afstomping van de algemene reactiviteit wat blijkt uit minstens drie van de volgende zeven symptomen:

- pogingen om gedachten, gevoelens of gesprekken te vermijden die horen bij het trauma;

- pogingen om activiteiten, plaatsen of mensen te vermijden die herinneringen oproepen aan het trauma;

- onvermogen om zich een belangrijk aspect van het trauma te herinneren;

- duidelijk verminderde belangstelling voor of deelname aan belangrijke activiteiten;

- gevoelens van onthechting of vervreemding van anderen;

- beperkt uiten van gevoelens;

- gevoel een beperkte toekomst te hebben.

4) Aanhoudende symptomen van verhoogde prikkelbaarheid die voorafgaand aan de traumatische gebeurtenis niet aanwezig waren, wat blijkt uit minstens twee van de volgende vijf symptomen:

- moeite met inslapen of doorslapen;

- prikkelbaarheid of woede-uitbarstingen;

- moeite met concentreren;

- overmatige waakzaamheid;

- overdreven schrikreacties.

5) De bovengenoemde symptomen duren langer dan één maand

6) De stoornis veroorzaakt in belangrijke mate lijden of beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

2.29. In een brief van De Meren van 4 februari 2003 staat met betrekking tot [eiseres] het volgende:

In april 1998 wordt cl. verwezen naar bovengenoemd centrum door haar huisarts n.a.v verergering somberheidsklachten, depressie. Cl. keert in januari 1998 terug uit Suriname waar ze de begrafenis van broer bijwoonde. Sinds terugkeer uit Suriname somber, down, slecht slapen, geïrriteerd naar kinderen toe, boos. (…) De diagnose die na intake werd gesteld is een rouwreactie na het overlijden van broer. (…) In mei 2002 wordt cl. door haar ex-partner in haar woning bijna gewurgd. Cl. doet aangifte bij de politie. In oktober 2002 probeert haar ex-partner dit opnieuw, maar nu op straat en in de nabijheid van haar woning. (…) Cl. heeft dan al geruime tijd last van nachtmerries en concentratiestoornissen. Durft 's nachts niet te gaan slapen en is angstig/bang dat haar ex-partner haar iets aan komt doen.

Diagnose vlgns DSM IV:

As 1 309.01 PTTS (posttraumatische stress-stoornis)

(…)

In een brief van 11 december 2007 van De Meren staat het volgende:

DSM-IV classificatie:

As 1 PTSS in remissie, depressie in remissie

(…)

Cliënte heeft binnen de behandeling maandelijks ondersteunende gesprekken gekregen met het focus op de traumatische ervaringen die ze heeft meegemaakt met haar inmiddels ex-echtgenoot. Een andere belangrijke focus was de opvoeding van de kinderen. Na verloop van tijd zijn zowel de depressieve als de posttraumatische stressstoornisklachten dusdanig verminderd dat de behandeling kon worden afgesloten. (…)

2.30. Uit de eerste brief blijkt dat de diagnose in 1998 luidde dat sprake was van een rouwreactie. Gezien de inhoud van beide brieven moet worden geconcludeerd dat De Meren de diagnose ptss heeft gesteld in verband met de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] in 2002. [eiseres] betoogt dat zij lijdt aan nachtmerries, paniekaanvallen, slaapproblemen en concentratiestoornissen. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de nachtmerries en paniekaanvallen van [eiseres] horen bij haar ptss. Ook de concentratiestoornissen kunnen met deze stoornis samenhangen maar zij kunnen ook passen bij het beeld van whiplash-achtige klachten. Van de slaapproblemen kan niet met voldoende zekerheid worden gezegd dat deze samenhangen met haar ptss, aangezien [eiseres] ook al in 1998 slaapproblemen had.

Vergoeding voor immateriële schade

2.31. Met inachtneming van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat de gevolgen van de mishandelingen en bedreiging in 2002 zijn voor [eiseres] ernstig en langdurig geweest. De rechtbank gaat er vanuit dat thans sprake is van een medische eindtoestand. [eiseres] heeft inmiddels de door het Revalidatiecentrum Amsterdam aangeboden therapie gevolgd om beter om te kunnen gaan met de beperkingen voortvloeiend uit de pijn in de nek en de klachten zoals duizeligheid. De posttraumatische stressstoornisklachten waren in 2007 zodanig verminderd dat [eiseres] haar behandeling bij De Meren heeft kunnen afronden. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van EUR 8.000,-- terzake van immateriële schade gerechtvaardigd is. De vordering van [eiseres] tot een bedrag van EUR 7.000,-- zal daarom worden toegewezen.

Materiële schade

Verlies van arbeidsvermogen-vordering tot verwijzing naar schadestaatprocedure

2.32. [eiseres] werkte tot 18 januari 1998 als baliemedewerkster voor ruim 30 uur per week. Sinds die datum heeft zij niet meer gewerkt. De oorzaak van haar uitval was gelegen in psychische klachten. Uit een verzekeringsgeneeskundige rapportage van het UWV van

29 maart 2004 blijkt dat [eiseres] aanvankelijk voor 45-55% arbeidsongeschikt werd aangemerkt in de zin van de WAO en dat zij in 2000 volledig arbeidsongeschikt werd beschouwd, op basis van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Naar aanleiding van nader verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het UWV [eiseres] in maart 2006 voor 25-35% arbeidsongeschikt verklaard. [eiseres] betoogt dat zij tenminste gedeeltelijk arbeidsongeschikt is als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] in 2002. Volgens haar leidt zij als gevolg daarvan verlies van arbeidsvermogen. Zij vordert in dit verband een verklaring voor recht dat [gedaagde] deze schade, nader op te maken bij staat, aan haar dient te vergoeden.

2.33. [gedaagde] betoogt dat er al sinds begin 2003, maar in ieder geval per maart 2006, geen sprake (meer) is van relevante lichamelijke klachten bij [eiseres] die verband zouden kunnen houden met de gepleegde mishandelingen in mei en oktober 2002. Volgens hem is er geen sprake (meer) van vermogensschade wegens verlies of beperking van arbeidsvermogen.

2.34. De rechtbank overweegt als volgt. Voor de toewijzing van een vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat is voldoende dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden, aannemelijk is gemaakt (Hoge Raad 17 oktober 1997, NJ 1998, 241). De schadestaatprocedure kan er mede toe strekken om vast te stellen of de eisende partij schade heeft geleden (Hoge Raad 13 juni 1980, NJ 1981, 185). In verband met de omstandigheid dat [eiseres] door het UWV al sinds 2000 volledig arbeidsongeschikt werd beschouwd, is de beoordeling van de vraag of [eiseres] verlies van arbeidsvermogen heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] en zo ja, in welke mate, gecompliceerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] de mogelijkheid dat zij schade door verlies van arbeidsvermogen heeft geleden in ieder geval wel aannemelijk gemaakt. Dat zij als gevolg van de whiplash-achtige klachten en ptss beperkt is (geweest) in haar mogelijkheden om inkomen uit arbeid te verwerven en dat zij mogelijk langer en/of in hogere mate arbeidsongeschikt is gebleven dan wanneer de mishandelingen niet zouden hebben plaatsgevonden, is aannemelijk. De rechtbank zal de zaak in verband hiermee naar de schadestaatprocedure verwijzen.

Huishoudelijke hulp

2.35. [eiseres] betoogt dat zij de grootste moeite heeft gehad (en nog heeft) om het huishouden draaiende te houden, dat het haar ontbrak aan financiële middelen om externe hulp in te schakelen en dat ze soms mantelzorg kreeg van een vriendin. Ter zake van die mantelzorg vordert zij EUR 500,--. [gedaagde] voert aan dat de enige (onregelmatige) hulp van een vriendin is te beschouwen als een vriendendienst en niet als mantelzorg en dat uit niets blijkt dat [eiseres] deze vriendin voor bepaalde verrichtingen heeft betaald.

2.36. De Hoge Raad heeft beslist dat in geval van letselschade de kosten van huishoudelijke hulp door de aansprakelijke persoon aan de benadeelde moeten worden vergoed indien deze ten gevolge van het letsel niet langer in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dit is niet anders indien die werkzaamheden in feite worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen. Het feit dat art. 6:107 BW, onder de in die bepaling genoemde omstandigheden, aan derden een eigen recht op schadevergoeding toekent, doet niet af aan de bevoegdheid van het slachtoffer om ook zelf vergoeding van deze schade te vorderen (Hoge Raad 5 december 2008, NJ 2009, 387). Gelet op de klachten en beperkingen van [eiseres] is het naar het oordeel van de rechtbank normaal en gebruikelijk dat [eiseres], indien zij dat zou kunnen betalen, een deel van haar huishoudelijke werkzaamheden zou laten verrichten door professionele hulpverleners. Ter zitting heeft [eiseres] aangevoerd dat zij de vriendin die haar in het huishouden heeft geholpen EUR 10,-- per uur heeft betaald. Gezien voornoemd arrest van de Hoge Raad heeft [eiseres] recht op een redelijke vergoeding, zelfs indien haar vriendin de huishoudelijke hulp kosteloos zou verlenen. In de omstandigheden van [eiseres], waarbij vast is komen te staan dat zij als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van eiser klachten heeft gekregen die haar hebben beperkt bij de uitoefening van het huishouden, is een bedrag van EUR 500,-- naar het oordeel van de rechtbank redelijk. Deze vordering zal dan ook worden toegewezen.

Reiskosten

2.37. [eiseres] heeft in het kader van de strafzaak tegen [gedaagde] als benadeelde partij een vergoeding toegewezen gekregen voor reiskosten in verband met therapie en bezoeken aan haar advocaat tot en met 4 februari 2003. Thans vordert zij EUR 349,39 terzake van reiskosten voor therapie bij De Meren vanaf 4 februari 2003 tot 2013 en EUR 4,54 voor een bezoek aan haar advocaat op 12 mei 2006. Laatstgenoemd bedrag zal worden toegewezen. Ten aanzien van de reiskosten voor bezoeken aan De Meren geldt dat het causaal verband tussen de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] en deze therapie in het kader van de onderhavige procedure niet kan worden vastgesteld, aangezien [eiseres] al vanaf 1998 onder behandeling is. De vraag of [gedaagde] deze schade heeft veroorzaakt en zo ja, in welke mate, kan door [eiseres] aan de orde worden gesteld in de eventueel aanhangig te maken schadestaatprocedure. Met inachtneming van artikel 612 Rv zal de rechtbank de zaak ook ter zake van deze vordering naar de schadestaatprocedure verwijzen.

Extra telefoonkosten

2.38. [eiseres] vordert EUR 354,85 terzake van extra telefoonkosten, gemaakt in de periode van mei tot en met oktober 2002. [gedaagde] betwist deze schadepost. [eiseres] betoogt dat zij deze extra kosten heeft moeten maken omdat zij telefonisch psychische steun nodig had van familie in Nederland en in Suriname. Ter onderbouwing hiervan heeft zij telefoonnota’s overgelegd. Het komt de rechtbank aannemelijk voor dat [eiseres] deze schade heeft geleden en de vordering zal daarom worden toegewezen.

Tas

2.39. [eiseres] betoogt dat haar tas tijdens de mishandeling op 3 oktober 2002 is beschadigd doordat [gedaagde] haar aan de haren over de grond heeft gesleept. Zij vordert hiervoor EUR 7,--. [gedaagde] heeft betwist dat de tas van [eiseres] kapot is gegaan. De rechtbank overweegt dat uit de aangifte van [eiseres] blijkt dat haar tas tijdens de mishandeling op 3 oktober 2002 met hondenpoep besmeurd is geraakt. Aangezien is vast komen te staan dat [eiseres] [gedaagde] toen over de grond heeft gesleurd zal de rechtbank deze vordering toewijzen.

Mobiele telefoon

2.40. [eiseres] betoogt dat zij haar mobiele telefoon tijdens de mishandeling in mei 2002 is kwijtgeraakt en vordert in verband daarmee EUR 139,--. [gedaagde] betwist deze schade en voert in verband hiermee aan dat [eiseres] in haar aangifte met betrekking tot die mishandeling niets heeft verklaard over een mobiele telefoon die verloren zou zijn gegaan. De rechtbank overweegt als volgt. [eiseres] heeft een nota terzake van de aanschaf van een mobiele telefoon d.d. 27 mei 2002 overgelegd. Op 31 mei 2002 heeft zij aangifte gedaan. Het verlies van een mobiele telefoon heeft zij daarbij niet aan de politie gemeld, terwijl het wel voor de hand lag om dit te doen nu zij kort daarvoor een nieuwe telefoon heeft aangeschaft. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] deze schade onvoldoende heeft onderbouwd. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

Kosten extra beveiliging

2.41. [eiseres] vordert EUR 99,-- terzake van inbraakpreventie-maatregelen. Deze zijn aangebracht in opdracht van de woningstichting waarvan [eiseres] een woning huurt. Met ingang van september 2002 brengt de woningstichting in verband hiermee EUR 1,65 per maand in rekening. [gedaagde] betwist de aansprakelijkheid voor deze kosten aangezien hij zich na het verlaten van de voormalige gezamenlijke woning nooit meer met een intentie tot onrechtmatig betreden van de woning heeft vertoond. De rechtbank volgt [gedaagde] in zijn verweer. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] aanleiding heeft gehad om te veronderstellen dat [gedaagde] haar woning door middel van braak zou willen betreden. Deze vordering zal worden afgewezen.

Sauna

2.42. [eiseres] voert aan dat zij sinds 2004 wekelijks de sauna bezoekt om haar spieren te ontspannen. Dit kost EUR 3,-- per week en zij vordert een symbolisch bedrag van

EUR 50,--. [gedaagde] neemt het standpunt in dat er geen rechtstreeks verband of noodzaak bestaat. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat de mishandelingen door [gedaagde] in 2002 pijnklachten aan de nek bij [eiseres] hebben veroorzaakt. Redelijke kosten ter verlichting van deze pijn door middel van saunabezoek kunnen naar het oordeel van de rechtbank aan die onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] worden toegerekend. Deze vordering zal dan ook worden toegewezen.

Samenvatting materiële schade

2.43. Samengevat zal de rechtbank ter zake van de materiële schade een bedrag van EUR 916,39 toewijzen (500 + 4,54 + 354,85 + 7 + 50).

Wettelijke rente

2.44. [eiseres] vordert wettelijke rente vanaf 1 januari 2003, althans vanaf de dag der dagvaarding (3 december 2007). [gedaagde] neemt het standpunt dat de wettelijke rente slechts met ingang van de datum van de dagvaarding kan worden toegewezen. Dit standpunt heeft [gedaagde] echter niet gemotiveerd. Op grond van artikel 6: 119 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 83 onder b BW kan wettelijke rente ingeval van een onrechtmatige daad verschuldigd worden vanaf de datum waarop die onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden, op voorwaarde dat de schade dan is geleden. Immateriële schade wordt geacht te zijn geleden op het moment van de onrechtmatige daad (S.D. Lindenbergh, Smartengeld tien jaar later, Kluwer, Deventer, 2008, blz 74). Ook de materiële schade is grotendeels door [eiseres] in 2002 geleden. Met betrekking tot de huishoudelijke hulp is dit weliswaar niet door [eiseres] gesteld maar de rechtbank zal daar, gelet op de data van de mishandelingen, wel van uitgaan. Slechts de reiskosten in verband met eenmalige bezoek aan de advocaat zijn na 1 januari 2003 gemaakt. De vordering ter zake van wettelijke rente zal gelet op het voorgaande met ingang van 1 januari 2003 worden toegewezen over EUR 7.911,85 en over EUR 4,54 met ingang van 3 december 2007.

Proceskosten

2.45. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- betaald vast recht 75,00

- in debet gesteld vast recht 225,00

- getuigenverhoor [getuige] 10,00

- salaris advocaat 1.344,00 (3,5 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.738,31

Overig

2.46. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie en de getuigenverhoren zijn gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 7.916,39

(zevenduizend negenhonderdzestien euro en negenendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over:

- het bedrag van EUR 7.911,85 met ingang van 1 januari 2003,

- het bedrag van EUR 4,54 met ingang van 3 december 2007,

telkens tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 1.738,31, te voldoen aan de griffier,

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de schade ter zake van verlies van arbeidsvermogen en reiskosten, nader op te maken bij staat,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2010.?