Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL9442

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-03-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
16/711063-08 [P]
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BW8636, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte schuldig aan het medeplegen van doodslag. Verdachte overviel samen met drie medeverdachten de woning van een 67-jarige in Veenendaal. Ze drongen zijn woning binnen en bonden de handen en voeten van het slachtoffer met elektriciteitsdraad vast. Zijn mond werd dichtgesnoerd met stropdassen. De rechtbank oordeelde dat de daders hadden moeten beseffen dat het achterlaten van het slachtoffer in die toestand kon leiden tot zijn dood. De rechtbank acht verdachte eveneens schuldig aan het plegen van een roofoverval in Amersterdam, drie dagen eerder. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf van 16 jaar op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711063-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 maart 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats] (Roemenië),

gedetineerd in PI Noord Holland Noord - Huis van Bewaring Zwaag te Zwaag.

raadsman mr. F.G.L. van Ardenne, advocaat te Rotterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is laatstelijk inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 maart 2010 waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: samen met een ander of anderen [slachtoffer 1] heeft vermoord;

feit 1 subsidiair: samen met een ander of anderen zich heeft schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1];

feit 1 meer subsidiair: samen met een ander of anderen [slachtoffer 1] heeft gedood;

feit 1 meest subsidiair: samen met een ander of anderen een diefstal heeft gepleegd waarbij geweld is gebruikt, waardoor [slachtoffer 1] is overleden;

feit 2: samen met een ander of anderen een diefstal heeft gepleegd waarbij geweld is gebruikt.

3 De voorvragen

3.1. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.1.1. Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie (hierna ook: OM) niet- ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vervolging. Door de raadsman is hiertoe een drietal redenen aangevoerd.

Allereerst heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte in Zweden is gehoord door Nederlandse opsporingsambtenaren, zonder bijstand van een Nederlandse advocaat. De raadsman heeft hierbij tevens gewezen op het feit dat verdachte geen adequate rechtsbijstand heeft gehad bij de afname van zijn DNA.

Ten tweede heeft de raadsman aangevoerd dat drie belangrijke opsporingsambtenaren binnen het onderzoek willens en wetens onjuiste belastende informatie in een gespreksverslag met [getuige 1] hebben opgenomen, waardoor er sprake is van een ernstige niet herstelbare schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Tenslotte heeft de raadsman bepleit dat het OM niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat in het dossier geen processen-verbaal van vernietiging van geïntercepteerde geheimhoudergesprekken zijn aangetroffen.

3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het OM ontvankelijk is zijn vervolging.

Ten aanzien van de rechtsbijstand in het buitenland heeft de officier van justitie aangegeven dat, op het moment dat het noodzakelijk was dat verdachte door een Nederlandse advocaat werd bijgestaan, hij daartoe een gerechtelijk vooronderzoek heeft gevorderd.

De verklaringen van [getuige 1], afgelegd bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting, acht de officier van justitie volkomen ongeloofwaardig.

3.1.3 Het standpunt van de rechtbank

Rechtsbijstand in het buitenland

Juist is dat verdachte in Zweden aanvankelijk is gehoord zonder dat hij tevoren overleg heeft kunnen plegen met een Nederlandse advocaat. Er is derhalve sprake van een onherstelbare schending van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Nu verdachte bij zijn verhoren in Zweden wel is bijgestaan door een Zweedse advocaat en hij nimmer een verklaring heeft afgelegd kan evenwel worden volstaan met de constatering dat sprake is geweest van een onherstelbaar verzuim. Voor enige andere sanctie, laat staan een niet-ontvankelijk verklaring van het OM, is geen enkele reden.

De gang van zaken met betrekking tot getuige [getuige 1]

Hoewel bij de feitelijke gang van zaken met betrekking tot het aan het papier toevertrouwen door de verbalisanten van hetgeen [getuige 1] heeft verklaard wellicht vraagtekens kunnen worden gezet, heeft de rechtbank, gelet op de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ter terechtzitting daaromtrent, geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid van hetgeen de verbalisanten hebben gerelateerd. De verklaring van [getuige 1] dat de verbalisanten “zomaar wat hebben opgeschreven” verdient dan ook geen enkel geloof.

Geheimhoudergesprekken

In het dossier heeft de rechtbank geen processen-verbaal van vernietiging van de geïntercepteerde geheimhoudergesprekken aangetroffen. Deze omstandigheid op zich is onvoldoende om te kunnen komen tot een niet-ontvankelijk verklaring van het OM. Bovendien is gesteld noch gebleken dat eventuele informatie uit deze geheimhoudergesprekken voor opsporingsdoeleinden is gebruikt.

Naar het oordeel van de rechtbank is het OM - ook overigens - ontvankelijk in zijn vervolging.

3.2. De overige voorvragen

De rechtbank stelt voorts vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde moord op [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1]), omdat niet tot een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ kan worden gekomen. Wel acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1]. Tevens acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegde onder feit 2.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is met de officier van justitie van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de tenlastegelegde moord op [slachtoffer 1], omdat het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ niet bewezen kan worden verklaard. De verdediging heeft voorts bepleit dat evenmin gekomen kan worden tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde feit.

De raadsman heeft dan ook vrijspraak van deze feiten bepleit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Betrouwbaarheid

Door de verdediging is ten aanzien van beide feiten het verweer gevoerd dat de verklaringen van de getuige [getuige 2] en van de medeverdachte [medeverdachte 1] niet betrouwbaar moeten worden geacht. De rechtbank deelt dit standpunt van de verdediging niet, omdat deze verklaringen consistent zijn, op belangrijke details overeenstemmen en bevestigd worden door de bevindingen van het forensisch onderzoek.

4.3.2 DNA

Door de verdediging is aangevoerd dat het van verdachte in Zweden afgenomen DNA-materiaal niet mag worden gebruikt voor het bewijs, omdat de afname niet is geschied volgens de Nederlandse regels en terwijl verdachte niet werd bijgestaan door een Nederlandse advocaat.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

In Zweden werd bij de DNA-afname uitvoering gegeven aan een daartoe strekkend Nederlands rechtshulpverzoek. In het kader daarvan is in Zweden aan verdachte gevraagd mee te werken aan de afname van zijn DNA. Een dergelijke afname van DNA dient dan ook te geschieden naar het Zweedse recht. Dat is ook gebeurd. Niet gesteld noch gebleken is dat daarbij de regels van het Zweedse recht zijn geschonden of zouden zijn geschonden.

Aangezien tussen staten - in het bijzonder tussen lidstaten van de Europese Unie - in het internationale recht het vertrouwensbeginsel geldt, mag er in casu ook op vertrouwd worden dat de DNA-afname op rechtmatige is geschied. Geenszins is gebleken van feiten of omstandigheden die aan dit beginsel in het onderhavige geval in de weg zouden staan.

Verdachte heeft daarenboven toestemming gegeven voor de afname van zijn DNA. Een dergelijke toestemming is onherroepelijk. De rechtbank overweegt ten overvloede dat daaruit volgt dat de DNA-afname ook naar Nederlandse maatstaven op correcte wijze is geschied. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitkomsten van het DNA-onderzoek voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

4.3.3 Feit 1

De feiten

De rechtbank merkt allereerst op, dat waar zij spreekt over “verdachte” zij daarmee doelt op verdachte [verdachte] die zij ook “[verdachte]” zal noemen. Waar zij spreekt over “[medeverdachte 3]”, “[medeverdachte 1]” en “[medeverdachte 2]” bedoelt zij daarmee respectievelijk de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende vastgesteld.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten een plan beraamd om een overval te plegen op de woning van [slachtoffer 1]. Verdachten[medeverdachte 2] en [verdachte] kenden het slachtoffer privé en zij dachten dat er wel geld te halen viel bij [slachtoffer 1].

Door [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn pantykousen gekocht, waarvan bivakmutsen werden geknipt. Tevens werd afgesproken dat [medeverdachte 1] bij de woning in Veenendaal zou aanbellen.

[medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn op 29 maart 2008 naar de woning van [slachtoffer 1] in Veenendaal gereden. Omdat zij in de woning licht zagen branden, zijn zij onverrichter zaken teruggekeerd naar Amsterdam.

De volgende dag, 30 maart 2008, zijn [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 1] wederom naar die woning in Veenendaal gegaan.

Zoals was afgesproken is door [medeverdachte 1] bij de woning van [slachtoffer 1] aangebeld. De anderen stonden op dat moment verdekt opgesteld. [medeverdachte 1] had bij het aanbellen een briefje in zijn handen, met hierop een adres. [slachtoffer 1] het briefje las, gebruikte [medeverdachte 1] geweld tegen [slachtoffer 1] door hem in zijn gezicht te duwen of te slaan, waardoor [slachtoffer 1] viel. Op dat moment kwamen de andere verdachten tevoorschijn en doken zij bovenop [slachtoffer 1]. Deze is op enig moment op zijn buik op de grond in de woonkamer komen te liggen.

[slachtoffer 1] werd daar in bedwang gehouden door [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 3]. Daarbij werd een hand op de mond van [slachtoffer 1] gehouden. Eén van de verdachten zat op de rug van [slachtoffer 1]. Zijn handen en voeten werden met electriciteitsdraad, dat door [medeverdachte 1] op aangeven van [verdachte] van een lamp werd losgetrokken, vastgebonden en met elkaar verbonden.

Vervolgens werden boven in de woning één of meer stropdassen gehaald waarmee de mond van [slachtoffer 1] stevig werd dichtgesnoerd.

Tijdens dit hele gebeuren is geweld gebruikt tegen [slachtoffer 1] door hem te schoppen en te slaan.

Ondertussen werd door verdachten de woning doorzocht. [verdachte] is nog teruggelopen naar de auto om een breekijzer te halen. De kluis is geopend en doorzocht.

Terwijl de verdachten in de woning bezig waren, werd geconstateerd dat [slachtoffer 1] moeilijk ademde en benauwd was. [medeverdachte 2] verklaart uiteindelijk zelfs dat hij daarom water heeft gegooid over het gezicht van [slachtoffer 1]. Hierop reageerde [slachtoffer 1] niet.

Op enig moment is in de woning een alarm geactiveerd. De verdachten hebben hierop allen de woning te verlaten. Bij het verlaten van de woning hebben zij enkele goederen meegenomen uit de woning, te weten (in elk geval) een mobiele telefoon, twee armbanden, manchetknopen en een digitale fotocamera.

Op 31 maart 2008 komt bij de Regionale Meldkamer Utrecht een telefonische melding binnen van getuige [getuige 3] dat zij in de woning aan de [adres] te Veenendaal het levenloze lichaam van een man heeft aangetroffen.

Bij het betreden van de woning troffen de verbalisanten in de woonkamer een manspersoon, liggend op zijn buik op de grond, aan. Zij zagen dat de handen van de man op zijn rug waren vastgebonden. Ook zagen zij dat de voeten van de man vastgebonden waren. Tussen de handen en de voeten van de man was een draad bevestigd. Rondom het hoofd, door de mond van [slachtoffer 1], zat een stropdas zeer strak en met grote kracht vastgeknoopt.

Door het ambulancepersoneel werd bevestigd dat de persoon overleden was.

Uit de sectie is onder meer gebleken dat bij het slachtoffer, [slachtoffer 1], meerdere onderhuidse bloeduitstortingen verspreid over het lichaam werden vastgesteld. Deze bloeduitstortingen zijn ontstaan als gevolg van bij leven opgelopen botsend geweld, bijvoorbeeld door stompen, slaan of schoppen.

Geconcludeerd wordt dat het overlijden kan worden verklaard door verstikking opgeleverd door samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals, waarschijnlijk in combinatie met afsluiting van de bovenste luchtwegen door kneveling.

De patholoog heeft haar verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd en verduidelijkt. Zij heeft hierbij aangegeven dat tussen het strottenhoofd en de wervels ook bloeduitstortingen zaten. Dat letsel paste naar haar oordeel niet bij de kneveling. Er heeft, zo heeft zij verklaard, compressie plaatsgevonden op het strottenhoofd, in ieder geval op de gehele voorzijde van de hals. Het moet dan gaan om compressie met een breed iets. Dat kan een lichaamsdeel zijn, een knie of iets dergelijks. Iets waardoor het strottenhoofd tegen de halswervelkolom is aangeduwd. Zij kon niet uitsluiten dat dit handen zijn geweest.

Door de politie wordt een pantykous aangetroffen nabij de woning van [slachtoffer 1] in Veenendaal. Van het celmateriaal in de bemonstering in het pantykousje is een DNA-mengprofiel verkregen waaruit een DNA-hoofdprofiel van een prominent aanwezige, mannelijke celdonor kan worden afgeleid. Het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van verdachte [verdachte]. De berekende frequentie van het afgeleide DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.

Medeplegen?

Uit de verklaringen van de getuige [getuige 2], van [medeverdachte 1] en van [medeverdachte 2] is gebleken van een gezamenlijk voorafgaand beraamd plan. Er zijn gezamenlijk voorbereidingshandelingen verricht voor de geplande overval, te weten het kopen van pantykousen, die verknipt werden tot bivakmutsen. Tevens is er tussen de verdachten gesproken over de taakverdeling. Er werd afgesproken dat [medeverdachte 1] aan zou bellen bij het slachtoffer, terwijl de andere drie, onder wie [verdachte], op een afstand bleven wachten. [verdachte] is voorts aanwezig geweest bij de overval op [slachtoffer 1] en heeft blijkens de verklaring van [medeverdachte 1], een actieve bijdrage geleverd aan het uitgeoefende geweld op [slachtoffer 1].

De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, dan ook van oordeel dat de rol van verdachte als ‘medeplegen’ moet worden gekwalificeerd.

Levensberoving?

Gegeven de door de officier van justitie geformuleerde volgordelijkheid in de tenlastelegging dient eerst te worden onderzocht of een of meer verdachten [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven hebben beroofd.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben hardnekkig ontkend dat zij die bedoeling hebben gehad. [medeverdachte 3] en [verdachte] hebben er het zwijgen toe gedaan.

Hoewel [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] – zoals hierboven overwogen – verklaringen hebben afgelegd over het gebeurde bij en met [slachtoffer 1], hebben zij naar het oordeel van de rechtbank bepaald geen volledige opening van zaken gegeven. Dit leidt er mede toe, dat de rechtbank conclusies zal moeten trekken uit de situatie zoals deze feitelijk is aangetroffen en onderzocht.

Uit de verklaring van de deskundige A. Maes (de rechtbank neemt haar conclusies over) blijkt dat op het slachtoffer, een man van toen 67 jaar, op enig moment fors geweld is toegepast. Diens overlijden kan – als overwogen – worden verklaard door verstikking opgeleverd door samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals, waarschijnlijk in combinatie met afsluiting van de bovenste luchtwegen door kneveling. Die verklaring past naar het oordeel van de rechtbank heel wel bij de hierboven beschreven situatie waarin het slachtoffer werd aangetroffen, namelijk liggend, vastgesnoerd en gekneveld met een stropdas door zijn mond.

Een dergelijke toestand ontstaat niet vanzelf. Aangezien er geen reden is te veronderstellen dat een of meer anderen dan [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [verdachte] daar toen in de woning van [slachtoffer 1] aanwezig waren, moeten het dus die verdachten zijn geweest die deze toestand hebben gecreëerd en hem zo hebben achtergelaten zoals hij werd aangetroffen. Anders geformuleerd: het zijn [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [verdachte] die in de woning van [slachtoffer 1] fors geweld op hem hebben toegepast, hem hebben vastgesnoerd, hem hebben gekneveld met een stropdas door zijn mond.

De rechtbank merkt hierbij op, dat aan deze conclusie niet wordt afgedaan omdat niet onomstotelijk is kunnen worden vastgesteld wie welk geweld heeft uitgeoefend.

De rechtbank merkt hierbij voorts op, dat juridisch niet relevant is wat de precieze doodsoorzaak is geweest. En evenmin of [slachtoffer 1] nog in leven was toen verdachten zijn woning verlieten.

Ook al heeft geen van de verdachten – voor zover zij al hebben verklaard - de dood van [slachtoffer 1] beoogd, zij moeten – net als ieder ander – hebben beseft dat het brengen van [slachtoffer 1] in de toestand waarin hij is aangetroffen kon leiden tot diens dood. Een andere conclusie is naar het oordeel van de rechtbank niet serieus te nemen. Zelfs toen [slachtoffer 1] moeilijk ademde en benauwd was, hebben verdachten hem niet uit zijn benarde toestand bevrijd.

De rechtbank voegt hier nog aan toe dat, zelfs al zou [slachtoffer 1] nog in leven zijn geweest toen verdachten de woning verlieten, deze omstandigheid geen afbreuk doet aan het vorenstaande. Verdachten mochten er immers in dat geval redelijkerwijs niet op vertrouwen dat tijdig doeltreffende hulp aanwezig zou zijn. Het uitgeoefende geweld was daarvoor te fors. De verdachten moeten dat hebben beseft.

Op grond hiervan kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat juridisch gezien sprake is van opzettelijke levensberoving.

Moord?

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ niet bewezen kan worden verklaard.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde moord op [slachtoffer 1].

Gekwalificeerde doodslag?

Nu het gebruikte geweld voor of tijdens de diefstal zodanig ernstig is geweest dat de rechtbank de conclusie heeft getrokken dat sprake is geweest van het opzettelijk van hetleven beroven van [slachtoffer 1], is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1]. Deze doodslag is - blijkens de bewijsmiddelen - immers gepaard gegaan met het stelen van goederen uit de woning van [slachtoffer 1].

4.3.4 Feit 2

Op 27 maart 2008 is [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2]) overvallen in zijn woning aan de [adres] te Amsterdam.

In zijn aangifte heeft hij verklaard dat er op 27 maart 2008 om omstreeks 20.00 uur aangebeld werd bij zijn woning. Voor zijn woning stond een man met een – naar zeggen van [slachtoffer 2] – ‘Oostblok’ uiterlijk die vroeg naar een adres. [slachtoffer 2] is toen een stukje met de man de straat ingelopen. De man is daarna weggelopen.

Teruggekomen in zijn woning, is een andere man, met een zaklantaarn in zijn hand, op aangever afgelopen. Aangever werd met een zaklantaarn tegen zijn hoofd geslagen. Aangever werd bij zijn arm vastgegrepen en zijn arm werd op zijn rug gedraaid. De man vroeg om “money, money”. Aangever heeft hierop geantwoord dat hij geen geld in huis had.

Op een gegeven moment werd er op de deur van zijn woning geklopt en werden twee andere mannen binnengelaten. Aangever herkende één van deze mannen als de man die zojuist aan hem de weg had gevraagd. Ondertussen kreeg aangever meerdere klappen op zijn hoofd. Een van de mannen heeft in zijn woning de kluis geopend. Eén van de mannen heeft de jas van aangever onderzocht.

Nadat er was aangebeld bij de woning van aangever, werd hij naar de eerste verdieping versleept. In de logeerkamer werd aangever met zijn hoofd op het logeerbed gedrukt en op zijn knieën gezet. Zijn handen werden vastgebonden op zijn rug met een riem, elektriciteitskabel en een aantal stropdassen. Ook zijn voeten werden vastgebonden met twee stropdassen. Kort hierop hebben de mannen de woning verlaten.

Bij de inbraak zijn een klokje en geld weggenomen.

Getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op 27 maart 2008 met de auto vanuit Roemenië, samen met [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 1], in Nederland is aangekomen. Zij verbleven in het appartement van [medeverdachte 2].

In de woning heeft hij [medeverdachte 2] en [verdachte] horen spreken over een kennis van [vriendin] - de vriendin van verdachte - die veel geld zou hebben. Er werd, in het bijzijn van getuige [getuige 2], een plan gemaakt om deze man te gaan overvallen. Het plan was om de man met een smoes van zijn huis weg te lokken waarna de anderen dan naar binnen zouden gaan om hem bij terugkomst te overvallen.

Nog diezelfde avond zijn [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] naar de woning van deze man gegaan. Nadat de mannen terug waren in het appartement, hebben zij verteld dat [verdachte] bij de woning van de man had aangebeld, terwijl [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] verstopt waren in de struiken. De man had het huis verlaten om het adres aan te wijzen dat op een briefje stond dat [verdachte] in zijn hand had. Toen de man het huis verliet is [medeverdachte 3] de woning binnengegaan. [medeverdachte 3] heeft, toen de man was teruggekeerd in zijn woning, de man geslagen en de deur opengedaan voor de andere twee. De man is vastgebonden in zijn woning. De man heeft de sleutel van de kluis gegeven. In de kluis zat geen geld. De mannen zijn vertrokken en hebben het slachtoffer vastgebonden achtergelaten in zijn woning. De verdachten hebben vanuit de woning geld meegenomen, dat ze de volgende dag hebben ingewisseld. Hier kregen ze ongeveer een bedrag van € 70,- voor.

Getuige [getuige 2] heeft deze verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: verdachte [medeverdachte 2]) en [vriendin] (de rechtbank begrijpt: [vriendin]) aan [medeverdachte 3] en [verdachte] een plan uitlegden om een overval te plegen in Amsterdam. [medeverdachte 1] was eveneens meegevraagd, maar heeft geweigerd mee te gaan. De overval zou plaatsvinden bij een man die veel geld in zijn kluis had. [vriendin] heeft aan [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [verdachte] verteld waar de kluis en de sleutel lagen. Eén van hen heeft aan de deur gebeld, zodat de man naar buiten kwam. Eén van de mannen is de woning binnen gegaan en heeft later de andere twee naar binnen gelaten. Terwijl het slachtoffer werd vastgebonden, keek een buurman door het raam naar binnen. Daarna zijn [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [verdachte] weggegaan. [medeverdachte 1] heeft niet gezien wat er uit de woning is weggenomen, maar hij heeft wel Chinese bankbiljetten en € 5,- gezien.

In een afgeluisterd gesprek tussen [medeverdachte 2] en [vriendin] is door [medeverdachte 2] verteld dat het feit met [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2]) niets voorstelt, dat er geen bewijs is en dat je hier toch niet meer dan zes maanden voor kan krijgen.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte deze gewelddadige overval mede heeft gepleegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

op 30 maart 2008 te Veenendaal, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) opzettelijk

- die [slachtoffer 1] geschopt of gestompt of geslagen, en

- de mond van die [slachtoffer 1] gesnoerd/gekneveld met een stropdas, en

- de hals van die [slachtoffer 1] dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden,

en

- de polsen en de enkels van die [slachtoffer 1] vastgebonden/gekneveld,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke

vorenomschreven doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten diefstal

in vereniging, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om

de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

2.

op 27 maart 2008 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (plastic) klokje en een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk

geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 2] met een zaklantaarn meermalen tegen diens hoofd heeft/hebben geslagen en

- die [slachtoffer 2] (met kracht) heeft/hebben vastgepakt en vastgehouden en op de grond gedrukt en gedrukt gehouden en (daarbij) de handen van die [slachtoffer 2] op diens rug heeft/hebben gedrukt en gedrukt gehouden en

- die [slachtoffer 2] een trap heeft/hebben opgesleept en

- die [slachtoffer 2] met diens hoofd op een bed heeft/hebben gedrukt en gedrukt gehouden en

- de handen van die [slachtoffer 2] (zeer strak) heeft/hebben vastgebonden op diens rug en de voeten van die [slachtoffer 2] heeft/hebben vastgebonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Medeplegen van doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit makkelijk te maken.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over een op te leggen straf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

In een beschaafde samenleving is het leven het hoogste rechtsgoed. Het recht op leven verdient daarom een krachtige bescherming.

Verdachte heeft dat recht op brute wijze geschonden. Niet voor niets heeft de wetgever de maximumstraf voor gekwalificeerde doodslag bepaald op levenslang.

Bij de vraag hoe lang de op te leggen straf moet zijn is het volgende van belang.

De rechtbank heeft met afgrijzen kennis genomen van het kille en berekenende gedrag van verdachte en zijn mededaders, zowel voor en tijdens als na de overval. Kennelijk heeft slechts hun eigen belang op de voorgrond gestaan. Er was behoefte aan geld en er werd getracht dat koste wat het kost te verkrijgen.

De onverwachte en gewelddadige dood van het slachtoffer van feit 1, [slachtoffer 1], heeft diepe sporen nagelaten in het leven van de nabestaanden en andere mensen in de nabijheid van het slachtoffer.

Zoals overwogen stond de overval op [slachtoffer 1] niet op zich. Kort daarvoor heeft verdachte immers samen met anderen op brute en gewelddadige wijze [slachtoffer 2] overvallen. Alleen omdat verdachten werden gestoord, is die overval relatief goed afgelopen.

Noch gedurende het vooronderzoek noch ter terechtzitting heeft verdachte ook maar enige spijt betuigd.

Door het handelen van verdachte is ook de samenleving ernstig geschokt. Dit handelen draagt er tevens toe bij dat de reeds bestaande gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving worden versterkt.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 7 oktober 2009, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder mishandeling en een vermogensdelict.

Aan verdachte dient dan ook - in het bijzonder ter vergelding van het leed dat hij anderen heeft aangedaan - een aanzienlijke straf te worden opgelegd. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank geen andere straf passend dan een gevangenisstraf van lange duur als hierna te melden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 63, 288, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 jaren.

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.F. Bueno, voorzitter, mrs. P.M.E. Bernini en D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 maart 2010.

De griffier is niet in staat het vonnis te ondertekenen.