Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL9135

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-03-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
16-604179-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/604179-05

Datum uitspraak: 22 maart 2010

Beslissing op de vordering tot verlenging van de maatregel

van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

Beslissing van de meervoudige raadkamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement d.d. 1 februari 2010, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 1 februari 2010, strekkende tot verlenging met één jaar van de termijn van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van:

[veroordeelde],

geboren te Zweden 1987,

thans verblijvende in De Rentray te Zutphen, locatie Rekken;

1. De stukken

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder:

- een gewaarmerkt extract van het vonnis van deze rechtbank van 26 juli 2005, waarbij [veroordeelde], hierna te noemen “[veroordeelde]”, is veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, welke maatregel in hoger beroep werd bevestigd door het Hof bij arrest van

8 maart 2006;

- de beslissing van deze rechtbank van 11 maart 2008, waarbij de termijn van de maatregel is verlengd voor de duur van twee jaar;

- het door het hoofd van de inrichting dr. H.P.B. Lodewijks, directeur behandeling,

drs. P. Hoolsema, eerste behandelaar, en drs. V. Nijland, behandelcoördinator, uitgebrachte advies d.d. 22 december 2009, strekkende tot verlenging van de termijn van de maatregel met één jaar, alsmede de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van [veroordeelde];

Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 8 maart 2010, waarbij zijn gehoord de officier van justitie, [veroordeelde], de raadsman mr. S.F.J. Smeets en de getuige-deskundige de heer V. Nijland.

2. Het standpunt van de inrichting

Het standpunt van de inrichting blijkt uit het onder 1 genoemde rapport. De getuige-deskundige V. Nijland heeft het rapport en het advies van de inrichting toegelicht.

Het standpunt is, zakelijk weergegeven, als volgt.

De diagnose

[veroordeelde] heeft een verstandelijke beperking. Door zijn verstandelijke beperking is hij niet in staat tot zelfinzicht om zo zijn gedrag bij te kunnen sturen. Hij reageert impulsief zonder daarbij oog te hebben voor de gevolgen van zijn daden. Om [veroordeelde] te helpen zijn gedrag te reguleren en te begrijpen is het voor hem noodzakelijk continu in een strakke structuur te leven, omdat hij niet in staat is deze structuur voor zichzelf aan te brengen.

Het pro justitia rapport van juni 2005 stelt als diagnose dat er sprake is van recidive in seksuele handelingen jegens kinderen hetgeen duidt op pedofilie. Voorts is sprake van een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur met cluster B en C trekken bij een zwakzinnige jongen. Er is sprake van een gebrekkige intellectuele ontwikkeling en een persoonlijkheidsstoornis waarin antisociale en narcistische trekken naar voren komen. Emoties van anderen lijken voor hem moeilijk invoelbaar en zijn gewetensontwikkeling is achtergebleven.

De behandeldoelen

De behandeldoelen zijn dat [veroordeelde] zijn zelfcompetentie vergroot, negatieve interacties worden voorkomen, het (nacht)verlof positief verloopt, nieuwe kansen worden gecreëerd en

het contact met moeder wordt onderhouden.

Het verloop en het effect van de behandeling

Tot een half jaar terug ging [veroordeelde] echt vooruit en maakte hij goede vorderingen. Vanaf september 2009 hebben zich echter meerdere incidenten voorgedaan. Er is sprake van middelengebruik en er zijn twee meisjes die afzonderlijk van elkaar melding maken dat zij zich onheus bejegend hebben gevoeld. Deze meldingen worden opgevat zowel als een terugval in delictgedrag als in het nog niet voldoende geleerd hebben om op een adequate wijze contact te zoeken met de andere sekse. Omdat het vervolgens heel moeilijk is om met [veroordeelde] in gesprek te komen over dit onderwerp en over zijn mogelijke probleemgedrag wordt alsnog gekozen om het traject te vervolgen bij behandelgroep De Kappe. [veroordeelde] is het niet eens met deze inhoudelijke voortzetting van zijn behandeling. Hij wil niet worden geassocieerd met een zedengroep. Het lijkt erop dat [veroordeelde] veel angsten en onzekerheden kent om zijn delict en probleem te aanvaarden en daarvoor een inhoudelijke behandeling of begeleiding dient te krijgen. [veroordeelde] is op een open afdeling geplaatst, omdat gehoopt werd dat de positieve ontwikkeling zich op die manier zou voortzetten. Naarmate de vrijheden toenamen, namen de incidenten echter ook toe en liet [veroordeelde] steeds meer grensoverschrijdend gedrag zien. Sindsdien is het bergafwaarts gegaan en stapelen de incidenten zich op.

Naar aanleiding van meerdere incidenten en toenemend grensoverschrijdend gedrag is besloten [veroordeelde] op de sterk beveiligde afdeling te plaatsen. Van daaruit wordt nu opnieuw een duidelijk behandelkader opgebouwd en worden de vrijheden langzaam weer

uitgebouwd. In deze nieuwe situatie zullen de te nemen stappen weer opnieuw uitgestippeld moeten worden.

Het recidive risico

Er is sprake van een matig recidiverisico. De behandelkaders van een normaal beveiligde afdeling bieden op dit moment voldoende structuur en veiligheid dat recidive nauwelijks voor kan komen. Tijdens verlof is er meer vrijheid. Ook dan kan niet gesteld worden dat betrokkene direct tot herhaling van delictgedrag zal komen.

Anderzijds heeft het afgelopen halfjaar laten zien dat met het toenemen van vrijheden, betrokkene weer middelen is gaan gebruiken en zich meerdere incidenten hebben voorgedaan, waaronder het lastigvallen van de andere sekse. In de wijze waarop [veroordeelde] over deze incidenten praat (weinig open, de schuld bij een ander leggen, bagatelliseren) en in het niet mee willen werken aan het meest geïndiceerde behandelaanbod schuilen nog meerdere vraagtekens en zorgen om niet eenduidig te kunnen spreken van een laag dan wel hoog recidiverisico.

3. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting de vordering strekkende tot verlenging van de maatregel met een termijn van één jaar gehandhaafd.

4. Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman

[veroordeelde] heeft ter terechtzitting verklaard dat het de laatste tijd best goed gaat. Hij is het niet eens met het recidiverisico, zoals beschreven in het rapport. Hij denkt niet dat hij zal recidiveren en is niet akkoord met een verlenging van één jaar.

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering tot verlenging moet worden afgewezen. Hij is van mening dat er onvoldoende aan resocialisatie is gewerkt in de afgelopen periode. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het recidivegevaar onvoldoende concreet gemaakt is om een verlenging van de maatregel op dit moment te rechtvaardigen. Dat sprake is van problemen bij [veroordeelde] wordt onderkend, maar daar moet maar in een ander kader aan gewerkt worden, aldus de raadsman.

5. De beoordeling

Uit voornoemd vonnis van het Gerechtshof te Amsterdam blijkt dat [veroordeelde] is veroordeeld wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, namelijk -kort gezegd- met iemand benden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Voorts blijkt uit dit vonnis dat het feit [veroordeelde] wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis niet geheel kan worden toegerekend.

Gelet op voormeld advies en gehoord hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de maatregel eist en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [veroordeelde].

De rechtbank overweegt daartoe dat er vanuit de instelling van alles is geprobeerd om [veroordeelde] de behandeling en begeleiding te bieden die hij nodig heeft. Na een periode, waarin hij zich positief ontwikkelde, is het langzaam weer bergafwaarts gegaan. In de periode die volgde stapelden de incidenten zich op en liet [veroordeelde] steeds meer grensoverschrijdend gedrag zien, wat er uiteindelijk toe heeft geleid dat hij weer op een sterk beveiligde afdeling is geplaatst. Van daaruit moet nu opnieuw een behandelkader worden vastgesteld, waarin [veroordeelde] langzaam weer meer vrijheden zal krijgen. Bekeken zal moeten worden hoe hij nu met die vrijheden omgaat.

Het is de rechtbank gebleken dat de behandeling nog niet is afgerond en dat er nog altijd sprake is van recidivegevaar. De rechtbank acht dit recidivegevaar, in tegenstelling tot de visie van de raadsman, voldoende concreet gemaakt nu sprake is van recente concrete incidenten waarop [veroordeelde] slecht aanspreekbaar is, terwijl hij ook niet wil meewerken aan de geïndiceerde behandeling.

De rechtbank is dientengevolge van oordeel dat de termijn van de maatregel met één jaar dient te worden verlengd.

6. De wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 77t en 77u van het Wetboek van Strafrecht.

7. De beslissing

De rechtbank verlengt de termijn van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen v[veroordeelde]rdeelde] voornoemd voor de tijd van ÉÉN JAAR.

Aldus gedaan door mrs. J.R. Krol, M.C. Oostendorp en I. Bruna, bijgestaan door

mr. K.F. van Dam, griffier en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van

22 maart 2010.

Mr. Krol is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.