Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL8968

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
280136 / FA RK 10-54
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op een verzoek tot meerderjarigverklaring kan, op grond van art. 1:253ha lid 3 BW, niet eerder worden beslist dan na de bevalling van de vrouw. De kinderrechter ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rekestnummer: 280136 / FA RK 10-54

meerderjarigverklaring

Beschikking van 24 maart 2010

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

vestiging [woonplaats],

betreffende de minderjarige

[M],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen: [M],

waarin belanghebbenden zijn

[de moeder van M],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen: de moeder,

[R]

wonende te [woonplaats], gemeente [woonplaats],

nader te noemen: [R],

[moeder van R],

wonende te [woonplaats], gemeente [woonplaats],

nader te noemen: de moeder van [R].

1. Verloop van de procedure

1.1. De Raad voor de Kinderbescherming heeft ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift (met bijlagen) ingediend dat strekt tot meerderjarigverklaring van [M].

1.2. De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 16 februari 2010. Ter zitting zijn verschenen:

- [M],

- de moeder en de vader van [M],

- [R],

- de moeder van [R],

- de heer H. Oosterbeek, namens de Raad voor de Kinderbescherming.

2. Vaststaande feiten

2.1. Op [1992] is te [woonplaats], Spanje, geboren de minderjarige

[M] (roepnaam: [M]).

2.2. De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag over [M].

2.3. [M] verwacht eind april 2010 haar eerste kind.

3. Beoordeling van het verzochte

3.1. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [M] minderjarig is en dat in het gezag over haar ongeboren kind nog niet is voorzien. [M] heeft verklaard dat zij haar kind wil verzorgen en opvoeden als degene die het gezag heeft en dat zij daartoe meerderjarig wil worden verklaard.

3.2. De Raad voor de Kinderbescherming heeft de rechtbank verzocht om [M] meerderjarig te verklaren, op grond van artikel 1:253ha van het Burgerlijk Wetboek (BW). De Raad ziet geen bezwaren tegen de meerderjarigverklaring en acht toewijzing van het verzoek in het belang van [M] en haar nog ongeboren kind.

3.3. De moeder van [M] stemt in met het verzoek. Zij acht haar dochter in staat haar kind te verzorgen en op te voeden. De overige belanghebbenden hebben eveneens ingestemd met het verzoek.

3.4. De kinderrechter overweegt dat uit het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming is gebleken dat [M] haar verantwoordelijkheid neemt en daarbij openstaat voor deskundige ondersteuning. Zij heeft – tezamen met [R], hun beide moeders en het Fiom – goede afspraken gemaakt over (onder meer) de verzorging van het kind, de woonsituatie, financiën en opleiding. Op dit moment is de kinderrechter dan ook niet gebleken van contra-indicaties tegen de toewijzing van het verzoek.

3.5. Artikel 1:253ha lid 3 BW bepaalt dat het verzoek tot meerderjarigverklaring kan worden gedaan vóór de bevalling van de vrouw, doch dat in dat geval op het verzoek niet eerder wordt beslist dan na de bevalling. Deze bepaling is opgenomen, aangezien de geboorte van een kind een bijzonder ingrijpende gebeurtenis is in het leven van de betrokkenen. Dit geldt te meer wanneer de ouders nog minderjarig zijn. Door de nieuwe gezinssituatie kunnen de onderlinge verhoudingen en de gemaakte afspraken onder druk komen te staan. De wetgever heeft het dan ook nodig geacht om in een extra waarborg te voorzien. De kinderrechter ziet geen aanleiding om thans van de wetsbepaling, en daarmee van de bedoeling van de wetgever, af te wijken. Het verzoek zal dan ook worden aangehouden, in afwachting van een kort nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, nadat het kind zal zijn geboren.

4. Beslissing

De kinderrechter houdt de behandeling van het verzoek PRO FORMA aan tot 22 juni 2010, in afwachting van nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming wordt verzocht om voordien schriftelijk te rapporteren en daarbij tevens aan te geven of een nadere mondelinge behandeling is gewenst.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.A.A. van Kalveen, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Verouden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2010.