Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL8323

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-03-2010
Datum publicatie
22-03-2010
Zaaknummer
16-710706-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden wegens herhaaldelijke ernstige telefonische doodsbedreigingen vanuit het huis van bewaring aan het adres van zijn ex-vriendin en haar nieuwe partner en het dreigen met brandstichting op de school van zijn zoon. Verdachte wordt vrijgesproken van een derde verdenking: een poging tot uitlokken van moord op de nieuwe vriend van zijn ex. De rechtbank sloot tapgesprekken die in het huis van bewaring waren gemaakt uit van het bewijs, omdat er niet volgens de regels getapt was. Ook een verhoor van de verdachte in november 2008 kon niet gebruikt worden voor het bewijs, omdat de verdachte er niet op was gewezen dat hij zowel voorafgaand aan het verhoor, als tijdens dat verhoor recht had op bijstand door een advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/710706-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 maart 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats], Suriname,

gedetineerd (uit andere hoofde) te Lelystad, Penitentiaire Inrichting Flevoland, Huis van Bewaring Lelystad.

Raadsman: mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 08 maart 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: [getuige 1] en [getuige 2] meermalen heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 2: heeft geprobeerd [getuige 3] te bewegen [getuige 2] te vermoorden of dat door iemand anders te laten doen;

Feit 3: [getuige 4] heeft bedreigd met brandstichting van basisschool ‘[naam]’.

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Van de zijde van de verdediging is bepleit de officier niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vervolging. De raadsman heeft daartoe allereerst betoogd dat de belangen van zijn cliënt in ernstige mate zijn geschonden, door de toevoeging aan het dossier van telefoongesprekken die in de penitentiaire inrichting waar zijn cliënt verbleef zijn opgenomen. Dit is in zijn visie onrechtmatig geschied, terwijl ook de verdachte hiervan tevoren geen mededeling is gedaan. Voorts heeft de raadsman betoogd dat zijn cliënt tijdens zijn verhoor op 24 oktober 2008 ten onrechte niet is gewezen op zijn recht op consultatie van een raadsman voorafgaand aan het verhoor, dan wel op het recht op aanwezigheid van een raadsman bij het verhoor. Ook dit is volgens de raadsman een grond voor niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Telefoongesprekken vanuit de penitentiaire inrichting

De Penitentiaire beginselenwet bepaalt in het tweede lid van artikel 39 dat de directeur van een inrichting kan bepalen dat op de door of met de gedetineerde gevoerde telefoongesprekken toezicht wordt uitgeoefend, indien dit noodzakelijk is om de identiteit van de persoon met wie de gedetineerde een gesprek voert vast te stellen, dan wel met het oog op een belang als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van voornoemde wet. Deze belangen houden in de handhaving van de orde of veiligheid in de inrichting, de bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid, de voorkoming of opsporing van strafbare feiten dan wel de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven.

Het in het tweede lid van artikel 39 bedoelde toezicht van de directeur van de penitentiaire inrichting kan het beluisteren of opnemen van het telefoongesprek omvatten. Tevoren wordt, aldus artikel 39 lid 2 , voorlaatste volzin, aan de betrokkene mededeling gedaan van de aard en reden van het toezicht.

In het proces-verbaal van politie d.d. 6 maart 2008 staat vermeld dat door de penitentiaire inrichting waarin verdachte verblijft alle telefoongesprekken waaraan gedetineerden deelnemen digitaal worden opgenomen en gedurende zes maanden worden bewaard. Voorts staat hierin vermeld dat de telefoongesprekken die verdachte vanuit de penitentiaire inrichting met aangeefster [getuige 1] heeft gevoerd, kunnen worden gevorderd en beluisterd teneinde vast te stellen of sprake is van de strafbare bedreigingen, zoals onder 1 ten laste gelegd . Op 8 april werd na een overgifte van een vordering verstrekking historische gegevens door de politie een CD-rom ontvangen van het hoofd beveiliging van de penitentiaire inrichting Flevoland, waarop de opgevraagde gesprekken waren opgeslagen .

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het opnemen van dergelijke telefoongesprekken toelaatbaar is. Hij wijst daarbij op de omstandigheid dat de gesprekken eerst zijn opgevraagd nadat het onderzoek naar de bedreigingen is opgestart en het toezicht derhalve is uitgeoefend met het oog op de opsporing van strafbare feiten, alsmede op de bescherming van betrokkenen bij misdrijven.

De rechtbank is van oordeel dat de regelgeving omtrent het toezicht op telefoongesprekken in een Penitentiaire Inrichting strikt moet worden nageleefd, gelet op de grote inbreuk op de privacy van gedetineerden die het gevolg is van de opname van dergelijke telefoongesprekken. Bij toetsing van het onderhavige dossier blijkt niet dat van een dergelijke strikte naleving sprake is geweest. De raadsman heeft gesteld dat huisregels, een specifieke beslissing en een mededeling aan de verdachte ontbreken. Op grond van de processtukken is niet vast te stellen dat voorafgaand aan de opnamen mededeling is gedaan van de aard en reden van het toezicht `zoals voorgeschreven in artikel 39, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet. Er valt slechts op te maken dat de opname van alle telefoongesprekken standaard geschiedt in de inrichting waar verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten verbleef, zonder dat daarbij een afweging van de specifieke belangen plaatsvindt. Nu niet is vast te stellen dat van de vereiste mededeling sprake is geweest, is de inhoud van de telefoongesprekken onrechtmatig verkregen door (de directie van) de penitentiaire inrichting.

De vraag is of dit het handelen van de vervolgende instantie raakt. Die vraag wordt bevestigend beantwoord, reeds omdat de politie zelf heeft verzocht haar de opnames van deze telefoongesprekken ter beschikking te stellen.

Het voorgaande levert naar het oordeel van de rechtbank een onherstelbaar vormverzuim op in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Aan een dergelijk verzuim kunnen verschillende rechtsgevolgen worden verbonden. Voor de keuze daarvan is bepalend het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Bij de beoordeling van de ernst van de onrechtmatigheid in de onderhavige zaak houdt de rechtbank allereerst rekening met de periode waarover de gesprekken zijn opgenomen. Zoals eerder overwogen gebeurt dit in de penitentiaire inrichting Flevoland standaard en worden de opnames bewaard gedurende zes maanden. In het dossier staat vermeld dat de penitentiaire inrichting in dit specifieke geval tussen 9 november 2007 en 7 maart 2008 bijna 500 keer een telefoonverbinding heeft gesignaleerd tussen één van de telefoonnummers van de inrichting en dat van [getuige 1], waarvan 86 verbindingen tot een daadwerkelijk gesprek of voicemailbericht hebben geleid .

Er is dus langdurig afgeluisterd en het ging om een groot aantal gesprekken in die periode.

Voorts zijn gesprekken opgevraagd die zijn gevoerd in de periode 7 maart 2008 tot en met 12 juni 2008. In deze periode ging het om 97 gesprekken. Het nadeel dat hierdoor voor de verdachte is ontstaan dat bestaat in de schending van zijn - toch al geringe - privacy is substantieel.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat een ‘gewone’ tap op de telefoonnummers van [getuige 1] en [getuige 2] op basis van een rechterlijke machtiging tot de mogelijkheden behoorde, zeker gezien de eerdere meldingen en aangiftes van hun zijde. De eerste melding van [getuige 1] van bedreigingen door verdachte dateert al van 18 december 2007. De aangiftes van [getuige 2] en [getuige 1] dateren van 30 januari 2008 en hadden aanleiding kunnen geven tot het afluisteren van de door hun ontvangen en gevoerde telefoongesprekken. Deze rechtmatige weg die tot de mogelijkheden behoorde is echter niet bewandeld.

Voornoemde omstandigheden kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet zonder rechtsgevolg blijven. Voor het door de raadsman beoogde rechtsgevolg, te weten de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging, is slechts in zeer uitzonderlijke situaties plaats, namelijk indien door het verzuim geen sprake meer kan zijn van een behandeling die aan de beginselen van een goede procesorde voldoet.

Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Onder 4.3 van dit vonnis zal de rechtbank aangeven welk rechtsgevolg zij wel passend acht.

Het verhoor van verdachte

Met betrekking tot het verhoor van verdachte heeft de raadsman het volgende betoogd: Verdachte is op 24 oktober 2008 zeer uitvoerig verhoord. Uit het dossier blijkt dat verdachte daarbij niet is gewezen op zijn recht op consultatie van een raadsman voor het verhoor of diens aanwezigheid bij het verhoor. Verdachte had echter niet alleen recht op consultatie vóór, maar ook op aanwezigheid van een raadsman bíj het verhoor, zoals blijkt uit recente uitspraken van het Europese hof, te weten EHRM 24-9-09 (LJN BK5780) en 13-10-09 (LJN BK5781).

Van belang is daarbij volgens de raadsman nog het volgende:

- er is sprake van een ernstige beschuldiging (volgens de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie die naar aanleiding van de Salduz-rechtspraak is gegeven zou sprake zijn van een A-zaak);

- verdachte is niet aangehouden omdat hij al vast zat in een andere zaak, zodat aanhouding niet nodig was; dat geen sprake was van aanhouding en voorlopige hechtenis is dus in dit geval niet relevant;

- verdachte had in die andere zaak een gekozen raadsman, die eenvoudig ingelicht had kunnen worden;

- verdachte was zelf niet tevoren ingelicht dat hij verhoord zou worden (dus hij was zelf niet in de gelegenheid tevoren een raadsman te raadplegen),

-door de crash van de apparatuur waarop het verhoor was opgenomen en nu niet blijkt van de inhoud van het 25 minuten durende voorgesprek is niet duidelijk of verdachte heeft verzocht om een raadsman, laat staan of hij op zijn rechten hieromtrent gewezen is.

Een en ander moet - al of niet in samenhang met het verzuim wat betreft de telefoongesprekken - leiden tot niet ontvankelijkheid van het openbaar Ministerie.

De officier van justitie heeft zich tegen het voorgaande verzet. Volgens hem is geen sprake van een aangehouden verdachte, zodat ook geen sprake is van een inbreuk op het recht zoals neergelegd in artikel 6 van het EVRM. Bovendien heeft het verhoor van verdachte vóór de Salduz-rechtspraak plaatsgevonden, zodat hiermee op dat moment nog geen rekening gehouden hoefde te worden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Voor zover de verklaring van de verdachte betrekking heeft op de onrechtmatig verkregen inhoud van telefoongesprekken , is deze reeds daarom door diezelfde onrechtmatigheid aangetast.

Overigens geldt het volgende.

De door de raadsman aangehaalde rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) lijkt hogere eisen te stellen aan de aan verdachten aangeboden mogelijkheden zich in een vroeg stadium te (laten) verdedigen dan in de Nederlandse praktijk gebruikelijk was ten tijde van het tenlastegelegde. Die rechtspraak kan meebrengen dat geen sprake is van een fair trial wanneer bewijsmateriaal, verkregen na of door veronachtzaming van die rechten van de verdachte een rol speelt bij de beoordeling van de zaak.

De rechtbank is van oordeel dat de politie in deze zaak verdachte voor het verhoor in de gelegenheid had moeten stellen een raadsman te raadplegen.

Daarbij is van belang

- dat sprake was van verdenking van een ernstig feit;

- dat de verdachte al in detentie verbleef;

- dat er kennelijk geen enkele tijdsdruk was om over te gaan tot het verhoor (verdachte is pas in oktober 2008 gehoord, terwijl voorafgaande onderzoekshandelingen beperkt plaatsvonden in de periode januari 2008 tot oktober 2008, en veelal met een tussenpoos van enkele weken);

- dat verdachte in de zaak waarvoor hij gedetineerd was een gekozen raadsman had;

- dat verdachte zwakbegaafd is (naar blijkt uit een rapport van een psychiater in de zaak waarvoor de verdachte gedetineerd was, welk rapport ook in deze zaak is overgelegd);

- dat sprake was van een langdurig en indringend verhoor (exclusief het voorgesprek van 25 minuten: 79 pagina’s uitgeschreven weergave), waarbij de verdachte ook eenmaal aangaf de verhoorruimte te willen verlaten .

Of de raadsman ook bij dat verhoor aanwezig had moeten zijn behoeft, gelet op het navolgende, geen bespreking.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op

- de fase van het geding en de ernst van het verzuim, mede gelet op de toenmalige interpretatie van het EHRM;

- het feit dat de verdachte door het “stukmaken” van een beweerde (uitlokking van) liquidatie al in april 2008 op de hoogte was van de verdenking ter zake en

- het feit dat verdachte onmiddellijk na het verhoor zelf zijn (in de voorgaande zaak gekozen) raadsman kon raadplegen over maatregelen in het belang van de verdediging;

- het gegeven dat de verdachte zich ter zitting heeft beroepen op zijn zwijgrecht en de na te melden beslissing van de rechtbank over het gebruik tot bewijs

het nalaten om verdachte in de gelegenheid te stellen een raadsman te raadplegen niet hoeft te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ook niet wanneer daar de onregelmatigheden wat betreft de afgeluisterde telefoongesprekken bij betrokken worden.

Onder 4.3 van dit vonnis zal de rechtbank aangeven welk rechtsgevolg zij wel passend acht.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de drie ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

Voor zover de rechtbank niet tot een niet-ontvankelijkverklaring komt van de officier van justitie, is de verdediging van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten zoals ten laste gelegd onder 1 en 2. Tegen een bewezenverklaring van feit 3 heeft de verdediging zich niet verzet.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Bewijsuitsluiting?

Bij de beoordeling van het bewijs dient allereerst een antwoord te worden gegeven op de vraag in hoeverre de opgenomen telefoongesprekken vanuit de penitentiaire inrichting, de verklaring van verdachte zoals afgelegd tijdens zijn verhoor op 24 oktober 2008 en tot slot de verklaringen van medegedetineerde [getuige 3] als bewijsmiddelen kunnen worden gehanteerd.

Telefoongesprekken vanuit de penitentiaire inrichting

De raadsman heeft betoogd dat de telefoongesprekken die door zijn cliënt vanuit de penitentiaire inrichting Flevoland zijn gevoerd dienen te worden uitgesloten van het bewijs, aangezien de inhoud hiervan onrechtmatig is verkregen.

Volgens de officier van justitie was de opname van de telefoongesprekken wel toelaatbaar.

De rechtbank heeft haar oordeel omtrent bedoelde telefoongesprekken hiervoor reeds uiteen gezet, waarbij zij tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een vormverzuim. Gelet op de ernst dat het geschonden belang dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, acht de rechtbank het passend hieraan het rechtgevolg bewijsuitsluiting te verbinden. De inhoud van de telefoongesprekken zoals die door verdachte zijn gevoerd vanuit de penitentiaire inrichting, wordt dus niet meegewogen bij de bewijsbeslissing.

Het verhoor van verdachte

De raadsman heeft betoogd dat zijn cliënt tijdens zijn verhoor op 24 oktober 2008 ten onrechte niet is gewezen op zijn recht op consultatie van een raadsman voorafgaand aan het verhoor, dan wel op het recht op aanwezigheid van een raadsman bij het verhoor. Voor zover dit niet heeft geleid tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, dient dit in de visie van de raadsman te leiden tot bewijsuitsluiting.

De officier van justitie heeft zich hiertegen verzet.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de door verdachte zonder voorafgaande raadpleging van zijn raadsman afgelegde verklaring van het bewijs moet worden uitgesloten. Voor de motivering hiervan verwijst de rechtbank naar hetgeen zij omtrent dit punt in het kader van de ontvankelijkheid van de officier van justitie heeft overwogen.

Of de raadsman zelfs aanwezig moet (kunnen) zijn bij het hele politieverhoor behoeft gelet op het voorgaande geen verdere bespreking.

De verklaringen van medegedetineerde [getuige 3]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van medegedetineerde [getuige 3] eveneens dienen te worden uitgesloten van het bewijs, nu sprake is van een schending van het recht zoals neergelegd in artikel 6, derde lid en onder d, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) om getuigen die belastend hebben verklaard te (doen) ondervragen.

In de onderhavige zaak heeft verdachte dat recht niet kunnen uitoefenen. Na verscheidene pogingen is [getuige 3] niet voor verhoor bij de rechter-commissaris verschenen, noch is het mogelijk gebleken hem voor de behandeling ter terechtzitting als getuige op te roepen.

Het voorgaande levert volgens de verdediging een schending van artikel 6 van het EVRM op, omdat het bewijs voor feit 2 alleen of in overwegende mate op de verklaringen van [getuige 3] is gebaseerd.

De officier van justitie is van mening dat zich voldoende objectief steunbewijs in het dossier bevindt, dat de verklaringen van [getuige 3] bevestigt. Hij wijst daartoe allereerst op de inhoud van de telefoongesprekken zoals die door verdachte vanuit de penitentiaire inrichting zijn gevoerd. Voorts wijst hij op de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en op de plattegrond van de chaletwoning van [getuige 1] en [getuige 2] in [plaats] die in het bezit was van [getuige 3]. Ten slotte wijst de officier van justitie op de vermelding van de broer van verdachte op de bezoekerslijst van de penitentiaire inrichting en op de verklaring van verdachte zelf, zoals afgelegd ten overstaan van de politie op 24 oktober 2008.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor de beslissing op de vraag of het onder 2 ten laste gelegde bewezen is, is de verklaring van [getuige 3] van doorslaggevend belang.

Uit de hierna te noemen bewijsmiddelen wat betreft feit 1 (de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]) blijkt dat verdachte gedurende langere tijd en aanvankelijk frequent zware dreigementen heeft geuit richting [getuige 1]. Dat is echter onvoldoende als doorslaggevend bewijs voor het onder 2 ten laste gelegde.

De plattegrond van de chaletwoning en de vermelding van de broer van verdachte op de bezoekerslijst van de penitentiaire inrichting, zijn eveneens bewijsmiddelen, maar naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend om aan de verklaring van [getuige 3] dat doorslaggevend karakter te ontnemen. Van belang daarbij is dat de herkomst daarvan naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk is geworden.

Medegedetineerde [betrokkene 1] en bewaarder [betrokkene 2] hebben ten slotte verklaard wat zij van [getuige 3] hebben gehoord. Hun verklaringen zijn derhalve indirect van getuige [getuige 3] afkomstig.

Ten overstaan van de rechter-commissaris hebben zij bovendien een mogelijke uitleg gegeven voor de beschuldigingen die [getuige 3] over verdachte heeft geuit (mogelijke rancune vanwege klikken over eten tijdens een hongerstaking respectievelijk enige verwijdering), waarmee zij eerder vragen oproepen over de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van [getuige 3] dan dat zij de inhoud van de verklaringen van [getuige 3] bekrachtigen. De verklaringen van deze getuigen zijn dus ook onvoldoende om [getuige 3]’s verklaring zodanig te ondersteunen, dat de bewezenverklaring niet meer in hoofdzaak op diens verklaring rust , zodat de rechtbank tot de slotsom komt dat de verklaring(en) van [getuige 3] dienen te worden uitgesloten van het bewijs voor wat betreft feit 2.

4.3.2. De bewijsbeslissing

Feit 1:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit. Zij komt tot dit oordeel gelet op de navolgende redengevende feiten en omstandigheden:

[getuige 1] heeft aangifte gedaan tegen verdachte van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. In deze aangifte heeft zij verklaard dat verdachte, met wie zij tot dat moment een relatie had, op 9 november 2007 is aangehouden in verband met een ander strafbaar feit en dat hij sindsdien in het huis van bewaring te Almere verblijft . Begin december heeft zij tijdens een telefoongesprek aan verdachte medegedeeld dat zij hun relatie wilde beëindigen, omdat zij een nieuwe relatie was aangegaan met [getuige 2]. Sindsdien uit verdachte tijdens telefoongesprekken bedreigende woorden jegens haar en die [getuige 2], aldus aangeefster . [getuige 2] heeft het voorgaande in zijn aangifte bevestigd en aangegeven dat verdachte ook hem telefonisch dreigementen heeft toegevoegd. Telefonische navraag door de politie bij beide aangevers in oktober 2008 toonde een beeld dat beiden nog altijd bedreigd werden door verdachte . Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [getuige 1] op 12 februari 2010 verklaard dat de bedreigingen al twee jaar aanhouden en dat het niet ophoudt, maar dat zij verdachte vanaf ongeveer augustus 2009 niet meer gesproken heeft.

[getuige 1] heeft in haar aangifte verklaard dat zij aanvankelijk in [plaats] woonde, maar dat zij mede uit angst ten gevolge de bedreigingen bij [getuige 2] is ingetrokken in zijn chaletwoning te [plaats] .

Zowel [getuige 1], als [getuige 2], hebben verschillende malen meldingen gedaan van voornoemde bedreigingen bij de politie. Zo heeft [getuige 1] verklaard dat verdachte tegen haar heeft gezegd: ‘Wacht maar rot hoer, als ik los kom reken ik met je af’ en ‘Ik maak [getuige 2] dood’. Voorts heeft zij verklaard dat verdachte na haar aangifte de volgende bedreigingen heeft geuit: ‘Als ik buiten kom dan maak ik jullie echt af.

Ik maak jou dood. Ik maak jullie allemaal dood. Denk maar niet dat ik je met rust laat’ .

Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [getuige 1] recentelijk bevestigd dat verdachte dingen zei als ‘ik laat jullie doodmaken’. Volgens [getuige 1] heeft verdachte [getuige 2] ook vanuit de penitentiaire inrichting te Almere gebeld en hem gezegd: ‘Ik wil dat je uit de buurt van [getuige 1] blijft, anders reken ik echt met je af’ .[getuige 2] heeft dit ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd . In april 2008 doet [getuige 2] wederom melding van een telefonische bedreiging, met dit keer de volgende inhoud: ‘Let op, ik ga je pakken, maar ik ga het niet zelf doen. Ik laat het doen en de Joegoslaven gaan je pakken enzo’ .

[getuige 3] heeft bevestigd dat verdachte veelvuldig met [getuige 1] heeft gebeld vanuit de penitentiaire inrichting en dat hij [getuige 1] tijdens veel van deze gesprekken uitschold .

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van [getuige 3] - in tegenstelling tot zijn verklaringen met betrekking tot feit 2 - wel als bewijs kan worden gebruikt, omdat de verklaring hier voor het bewijs niet van doorslaggevend belang is. .

Dat verdachte bedreigingen heeft geuit tijdens telefoongesprekken volgt ook uit de verklaring van zijn broer. Deze heeft verklaard dat verdachte 80% van de tijd in telefoongesprekken scheldt en schreeuwt en dat hij onder andere heeft gezegd dat hij [getuige 1] gaat vermoorden .

Dat verdachte in boosheid gemakkelijk komt tot het uiten van dergelijke bedreigingen, kan ten slotte worden afgeleid uit de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van feit 3. Daarin geeft hij aan de in dat feit ten laste gelegde bedreigingen te hebben geuit, omdat hij boos was .

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de delen van de tenlastelegging die de volgende bedreigingen inhouden: (tegen [getuige 1]) "Je houdt niet van hem, ik maak hem dood, ik ga hem dood maken" en/of (tegen [getuige 1]) "ik maak hem dood, ik snij z'n kankerballen eraf. Ja, ik maak hem dood" en/of (tegen [getuige 1]) "ik wil niet dat ik iemand moet sturen, dan moet ie weg".

Feit 2:

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 2 aan hem ten laste gelegde. De verklaringen van getuige [getuige 3] zijn beslissend om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van dit feit. De feitelijkheden zoals vermeld in de tenlastelegging zijn allemaal uit de verklaringen van [getuige 3] afkomstig. Nu de verklaringen van [getuige 3] worden uitgesloten van het bewijs, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte dit feit heeft begaan.

Feit 3:

De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie ;

- de aangifte van de directrice van basisschool ‘[naam]’, [getuige 4] .

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op tijdstippen in de periode van 9 november 2007 tot en met 28 december

2008 te Amersfoort en/of te Nijkerk, en/of te Almere en/of te Zoetermeer, althans

in Nederland, [getuige 1] en [getuige 2] heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht, immers heeft verdachte telkens opzettelijk die [getuige 1] en

[getuige 2] dreigend de woorden toegevoegd :

- (tegen [getuige 1]) "wacht maar rothoer, als ik los kom reken ik met je af. Ik

maak [getuige 2] dood" en/of

- (tegen [getuige 1]) "als ik buiten kom dan maak ik jullie echt af, ik maak jou

dood; ik maak jullie allemaal dood; denk maar niet dat ik je met rust laat"

en/of

- (tegen [getuige 2]) "ik wil dat je uit de buurt van [getuige 1] blijft, "let op, ik ga je pakken,

maar ik ga het niet zelf doen. Ik laat het doen en de Joegoslaven gaan je pakken enzo",

althans telkens woorden met een mede in hun samenhang gezien dreigende aard of

strekking;

3.

(oorspronkelijk parketnummer 710731-09)

op 10 februari 2009 te Zoetermeer en/of in Amersfoort, [getuige 4]

(directrice van basisschool '[naam]') heeft bedreigd met brandstichting,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [getuige 4] dreigend de

woorden toegevoegd:"Voordat ik buiten kom, steek ik de school in de fik",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 3: bedreiging met brandstichting.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel TBS met dwangverpleging, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. Tevens heeft de officier van justitie de gevangenneming van verdachte gevorderd.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de maatregel TBS met dwangverpleging ook in geval van een bewezenverklaring van alle feiten een te vergaand middel is. Zulks geldt in de visie van de raadsman te meer, daar zich geen recente rapportages over de persoon van verdachte in het dossier bevinden.

De raadsman verzet zich eveneens tegen de vordering tot gevangenneming. Verdachte is in deze zaak niet aangehouden, noch in verzekering gesteld, zodat niet duidelijk is waarom thans een dergelijk dwangmiddel noodzakelijk is.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat de door de officier van justitie gevorderde maatregel tot TBS met dwangverpleging, in het bijzonder gelet op de vrijspraak van feit 2 en gelet op het ontbreken van adviezen die daartoe strekken, thans geen passende sanctie is.

Bij het bepalen van de op te leggen straf voor de bewezenverklaarde feiten heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft gedurende een lange periode zijn ex-vriendin en haar nieuwe partner op ernstige wijze bedreigd. Deze bedreigingen hadden een stelselmatig karakter en waren gericht op de dood. De slachtoffers verklaren dat zij vreesden dat verdachte daadwerkelijk uitvoering zou geven aan zijn bedreigingen. Gelet op het strafblad van verdachte waarmee zijn ex-vriendin bekend was en waarop meerdere geweldsdelicten voorkomen , lijkt die vrees gerechtvaardigd.

Wel neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake was van een situatie, waarin ook begaafder en stabieler persoonlijkheden dan de verdachte hun emoties mogelijk niet onder controle zouden kunnen houden.

Voorts heeft verdachte tijdens zijn detentie de directrice van de school van zijn zoontje bedreigd met brandstichting van de school. Verdachte heeft hiermee getracht de directrice onder druk te zetten, zodat zij zijn zoontje buitengewoon verlof zou verlenen om hem in de gevangenis op te kunnen zoeken. De rechtbank acht dit een zeer akelige bedreiging. Bij het slachtoffer, dat zich tezamen met de leraren van de school inzet voor het welzijn van het zoontje van verdachte, zal hierdoor een grote angst zijn ontstaan. Indien verdachte uitvoering zou geven aan zijn bedreigingen, zou dat immers afschuwelijke gevolgen met zich kunnen brengen.

De rechtbank is van oordeel dat zeer zwaar aan voornoemde bedreigingen getild dient te worden. Met name de bedreiging van de schooldirectrice rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Voor wat betreft de bedreigingen van [getuige 2] en [getuige 1] overweegt de rechtbank dat de duur en aard van de bedreigingen strafverzwarend zijn.

Voorts werkt het strafblad van verdachte, 17 bladzijden met misdrijven, waaronder, zoals hiervoor aangegeven ook een aantal waarbij daadwerkelijk geweld is gebruikt, in zijn nadeel.

Het voorgaande maakt dat de door verdachte geuite bedreigingen geen ‘standaard’ bedreigingen vormen, maar behoren tot bedreigingen van de ernstigere categorie.

Om die reden is, hoewel in het algemeen de straf bij louter verbale dreigementen wat lager uitvalt, een onvoorwaardelijjke vrijheidsstraf aangewezen. Alles overziend komt de rechtbank tot het oordeel dat voor dit specifieke geval een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend is.

De rechtbank heeft zich nog gebogen over de vraag of een forse voorwaardelijke straf, met bijzondere voorwaarden, in het bijzonder vrijheidsbeperkende maatregelen, zoals een contact en/of straatverbod, al dan niet in combinatie met elektronisch toezicht, een bijdrage aan het voorkomen van herhaling van feiten zoals die bewezen verklaard zijn (of erger) zouden kunnen bieden. Dat lijkt niet het geval.

Een voorwaardelijke straf op zichzelf, als “stok achter de deur” lijkt weinig zinvol: gelet op zijn strafblad is de verdachte niet iemand die zich door bestraffing laat afschrikken. Overigens zal de verdachte zich, mede naar aanleiding van de eis van de officier van justitie wel moeten realiseren dat er veel boven zijn hoofd hangt wanneer een nieuw geweldsdelict zou volgen.

Een contactverbod(straatverbod), lijkt ook weinig zinvol: niet alleen blijkt uit de verklaring van [getuige 1] dat zij tot ver in 2009 met de verdachte contact heeft gehad in verband met bezoek van hun beider kinderen, terwijl zij daarvoor andere wegen had kunnen kiezen, een contactverbod voorkomt ook niet dat dreigementen door anderen worden uitgevoerd.

De vordering gevangenneming zal de rechtbank afwijzen. Nu verdachte thans uit anderen hoofde gedetineerd zit, vordert de maatschappelijke veiligheid de onverwijlde vrijheidsbeneming voor deze zaak niet.

De rechtbank houdt ten slotte, op de voet van artikel 63 Wetboek van strafrecht, rekening met het vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 3 maart 2008 en met het vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 21 november 2008, nu een deel van de feiten die zijn ten laste gelegd en bewezen verklaard zijn gepleegd voor genoemde data.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 2: bedreiging met brandstichting;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. I. Bruna en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 maart 2010.