Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL8012

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
18-03-2010
Zaaknummer
16/601294-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Winkeldiefstal door veelpleger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601294-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 maart 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren in 1955 te [geboorteplaats] (Brits Somaliland)

Gedetineerd in het Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht;

Raadsman mr. D.C. van den Heuvel, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 02 maart 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte bij Albert Heijn een aantal levensmiddelen heeft gestolen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het standpunt van de rechtbank en heeft opgemerkt dat verdachte terecht de status van veelpleger heeft.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Bewijsoverwegingen

Op 04 december 2009 ziet een werknemer bij Albert Heijn, zijnde aangever, via camerabeelden dat verdachte een sixpack bier in een tasje stopt en hiermee zonder te betalen de winkel verlaat. Een collega van aangever gaat in de winkel poolshoogte nemen en ziet dat verdachte via de ingang de winkel verlaat zonder te betalen. Hij zet de achtervolging in, waarna verdachte de tas laat vallen. Het personeelslid constateert, wanneer hij de tas oppakt, dat er nog meer goederen in de tas zitten. Hij neemt de tas met inhoud mee en schakelt via de portofoon cameratoezicht in. Verdachte wordt nog gevolgd door de op locatie aanwezig zijnde politiecamera’s, die live zijn uitgekeken door de Meldkamer. Hierop wordt verdachte door de politie bij de Jumbo supermarkt aangehouden. Van de winkeldiefstal en de achtervolging door een medewerker van Albert Heijn, waarbij verdachte zijn tas laat vallen, is beeldmateriaal aanwezig in het dossier. Op deze beelden is het hiervoor geschetste duidelijk te zien.

Verdachte ontkent bij de politie. Ook ter terechtzitting blijft verdachte ontkennen. Ook wanneer de rechtbank de camerabeelden betreffende de winkeldiefstal aan verdachte toont, verklaart verdachte dat het hier iemand betreft die op hem lijkt.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft gepleegd.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 04 december 2009 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een sixpack Heineken bier, een pak kipfilet, een pak vlees en een pak bami, toebehorende aan Albert Heijn bv;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

- Diefstal

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna te noemen: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar. De officier van justitie stelt dat is voldaan aan alle voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman merkt op dat cliënt een veelpleger is die recidiveert met winkeldiefstallen en bij wie de hulpverleningstrajecten tot heden nog niet tot gedragsveranderingen hebben geleid. De raadsman acht echter de oplegging van de ISD-maatregel prematuur. De raadsman is van mening dat het civiele traject hier nog mogelijkheden zou kunnen bieden. Eventueel zou, zo meent de raadsman, als bijzondere voorwaarde kunnen worden opgelegd dat verdachte zich laat opnemen in een zogenoemde dubbel-diagnose kliniek (hierna: DD-kliniek).

De verdediging bepleit de vordering tot oplegging van de ISD-maatregel af te wijzen en stelt voor eenzelfde resultaat langs andere weg te bewerkstelligen. Immers staat verdachte niet afwijzend tegenover enige vorm van hulpverlening. Subsidiair verzoekt de raadsman de rechtbank, indien de ISD-maatregel zal worden opgelegd, te bepalen dat de opgelegde maatregel tussentijds getoetst dient te worden.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

- Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Uit dit handelen blijkt dat verdachte weinig respect toont voor de eigendommen van anderen. Hij veroorzaakt met zijn handelen veel ergernis en overlast bij, in casu, de winkelier, waarbij ook financiële schade het gevolg is van dergelijke delicten. Dit raakt uiteindelijk de gehele maatschappij. Verdachte dient zich hiervan rekenschap te geven.

- Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het adviesrapport van het Centrum Maliebaan Utrecht, d.d. 16 en 25 februari 2010 met als conclusie dat het opleggen van de maatregel van plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is.

Voorts heeft de rechtbank gelet op hetgeen ter zitting is besproken. Duidelijk is geworden dat de tot op heden aan verdachte aangeboden ambulante hulp niet toereikend is gebleken. Verdachte is alcoholist, tevens gediagnosticeerd met onder andere schizofrenie, paranoïde type en een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale trekken. Verdachte kwam afspraken niet na en bleek medicatieontrouw. Ter zitting is door de reclasseringswerker aangegeven dat behandeling op vrijwillige basis inmiddels een gepasseerd station is; het aanbieden van een behandeling bij

een DD-kliniek zal verdachte op de wachtlijst doen belanden waardoor de nu noodzakelijke hulp niet van de grond komt.

Voorts is gebleken dat verdachte een beperkte woordenschat heeft waardoor een

vermoedelijke acculturatieproblematiek of een niet bestaande migratie-attitude niet aan het licht komt en de communicatie moeizaam verloopt. Deze complexiteit van zijn problematiek maakt dat hij geen inzicht heeft in zijn ziektebeeld. Om de hulpverlening te laten slagen, zal extra aandacht en geduld moeten worden ingezet ook in verband met de (on)mogelijkheden van communicatie.

Verdachte heeft zich in de zomer van 2009 laten opnemen in een kliniek, te weten de afdeling Psychiatrie en Verslaving van Altrecht, Dit had een vrijwillig karakter maar heeft onvoldoende resultaat opgeleverd, alleen al omdat verdachte de behandeling vroegtijdig heeft beëindigd. Dit maakt dat de kans van slagen van een behandeling in vrijwillig kader, naar het oordeel van de rechtbank, zeer gering is. Of er termen zijn om verdachte in civielrechtelijk kader gedwongen de noodzakelijke behandeling te laten ondergaan, is ook maar de vraag.

Daar tegenover staat dat de kans op recidive als hoog moet worden ingeschat nu zijn alcoholmisbruik en zijn psychiatrisch beeld sterk delictgerelateerd zijn.

Verder heeft de rechtbank gelet op de conclusie van het advies, vermeld in het eerder

genoemde rapport van 25 februari 2010, namelijk: “Geadviseerd wordt om verdachte,

in het kader van de ISD-maatregel, te behandelen in een klinische setting. In overleg

met het ACT-team wordt gedacht aan een behandeling in de Dubbel Diagnose Kliniek

Roosenburg te Den Dolder. Hiertoe is de ISD-maatregel een geëigend kader. Gezien

het chronische karakter van de problematiek is de prognose uiteraard onzeker.

Anderzijds kan zowel de structuur van een penitentiaire – als behandelsetting bijdragen

aan een begin van stabiliteit. Rapporteur acht de ISD –maatregel zodoende wenselijk

en noodzakelijk.”

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van een de verdachte betreffend

Uittreksel Justitiële Documentatie van 28 december 2009, dat 21 pagina’s telt,

waaruit blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor vermogensdelicten,

laatstelijk op 23 september 2009. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen

dat voldaan wordt aan de eisen die de wet aan oplegging van de ISD-maatregel stelt.

Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan een (winkel-) diefstal, een misdrijf

waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand

aan het door hem begane feit tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot

een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. Verdachte is terecht aangemerkt als

veelpleger.

Uit vorenstaande, de rapportages en het strafblad, trekt de rechtbank de conclusie dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Naar het oordeel van de rechtbank vereist de veiligheid van goederen en personen het opleggen van onderhavige maatregel. Deze strekt voorts tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte, waarbij met name gedacht wordt aan klinische behandeling in een verplicht kader.

De tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal, gelet op de aard van de maatregel, niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

Wel zal de rechtbank-gelet op de voorgenomen klinische behandeling- met het oog op een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel bepalen dat de officier van justitie binnen negen maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis de rechtbank hieromtrent zal berichten.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit als vermeld onder 4.1 oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

Gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar en

bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 9 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis bericht over de noodzaak van de voortzetting van de maatregel;

Beveelt de oproeping van de verdachte, diens raadsman en een deskundige verbonden aan de inrichting voor een zitting van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank tegen een nog nader te bepalen tijdstip.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. I. Bruna, rechters, in tegenwoordigheid van B.E.M. Bruckner, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 maart 2010.