Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL7889

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
267161 / HA ZA 09-1105
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers stelle dat onrechtmatig is gehandeld maar hun stellingen zijn volstrekt onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

267161 / HA ZA 09-1105 10 maart 2010

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 267161 / HA ZA 09-1105

Vonnis van 17 februari 2010

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. F.X.D.A. Hagens,

tegen

[gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde,

advocaat mr. B.J. Al.

Partijen zullen hierna eisers (en afzonderlijk: [eiser sub 1], mevrouw [eiseres sub 2] en mevrouw [eiseres sub 3]) en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 8 juli 2009 waarin een comparitie van partijen is gelast;

• het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 2 november 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser sub 1] en [gedaagde] zijn broers. Zij zijn de enige twee kinderen van mevrouw [eiseres sub 3] (hierna ook: de moeder). Mevrouw [eiseres sub 2] is de echtgenote van [eiser sub 1].

2.2. Mevrouw [eiseres sub 3] is inmiddels 80 jaar oud. Zij woont sinds enige jaren in een verzorgingstehuis in [woonplaats]. Haar echtgenoot, de vader van [eiser sub 1] en [gedaagde], is 15 jaar geleden overleden.

2.3. Toen de moeder naar het verzorgingstehuis verhuisde was zij nog eigenaar van een huis aan [adres] (hierna: het huis). Zij heeft toen zij uit het huis vertrok een deel van de inboedel achtergelaten.

2.4. Het huis is in 2006 via een makelaar te koop gezet, met een vraagprijs van € 349.000,00. Omdat het niet lukte het huis te verkopen is het huis in 2007 uit de verkoop gehaald. In oktober 2008 is het huis in opdracht van de moeder via een andere makelaar opnieuw te koop gezet, dit maal met een vraagprijs van € 318.000,00.

2.5. Het huis werd op 30 maart 2009 verkocht aan derden voor € 295.000,00 en overgedragen op 1 mei 2009. Bij de overdracht trad [gedaagde] als gevolmachtigde op voor de moeder.

2.6. In een 'gespreksverslag tekenen volmacht d.d. 23 april 2009 te [woonplaats]', ondertekend door kandidaat-notaris mr. M. Wever staat het volgende:

Op donderdag 23 april 2009 ben ik naar het verzorgingstehuis gereden waar mevrouw [eiseres sub 3] woont voor het ondertekenen van een volmacht voor de levering van de woning aan [adres].

Aanwezig in de kamer waren mevrouw [eiseres sub 3] en haar zoon de heer [gedaagde].

Mevrouw [eiseres sub 3] is slechthorend, en alleen wanneer er vlakbij haar oor wordt gepraat, verstaat ze dit. Ik heb haar daarom een exemplaar van de volmacht gegeven zodat zij kon meelezen. Alvorens de volmacht te laten ondertekenen door mevrouw [eiseres sub 3] heb ik de akte met haar en haar zoon volledig doorgesproken. Mevrouw [eiseres sub 3] heeft daarbij meegelezen met het exemplaar dat zij in haar hand hield. Wanneer mevrouw [eiseres sub 3] moest hoesten ben ik gestopt met lezen en heb ik gewacht tot zij weer verder kon meelezen. Bij de koopprijs heb ik haar nog aangekeken en stak ze een duim op en knikte ze. Uit vorenstaande heb ik dan ook geconcludeerd dat de volmacht haar wil bevatte.

Vervolgens heeft mevrouw [eiseres sub 3] de volmacht op de laatste pagina ondertekend en op elke pagina een paraaf gezet. Ik heb met mijn telefoon een foto van haar identiteitsbewijs gemaakt en daarbij nog aangegeven dat deze eind mei verloopt. Ook heb ik haar rekeningnummer genoteerd, waarop de verkoopopbrengst gestort gaat worden. Ik heb vervolgens om een kopie van een rekeningafschrift gevraagd, zodat ik zou kunnen controleren dat de rekening op naam van mevrouw [eiseres sub 3] staat. Haar zoon brengt dit de volgende dag langs.

2.7. Eisers hebben een door mevrouw [eiseres sub 3] ondertekende, op 18 april 2009 gedateerde verklaring in het geding gebracht. In de verklaring staat het volgende:

Hierbij verklaar ik mvr. [eiseres sub 3], dat ik mijn zoon [gedaagde] géén toestemming heb gegeven om mijn woning [adres] te betrekken. Vrij van huur en nuts aansluiting. Zonder toestemming of enig overleg over verkoopprijs te verkopen. Het aandele pakket is zonder mijn toestemming verkocht. De inboedel is zonder mijn toestemming grotendeels opgeruit/weggedaan.

Bovengenoemde is zonder overleg of toestemming buiten mijn wil om gebeurt,

Ondergetekende [eiseres sub 3]

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen primair dat [gedaagde] wordt veroordeeld om tegenover eisers deugdelijk rekening en verantwoording af te leggen met betrekking tot de verkoop van de woning aan [adres], de verblijfplaats van de inboedel en de verkoop van het aandelenpakket;

en subsidiair dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot vergoeding van door eisers als gevolg van de door [gedaagde] jegens hen gepleegde onrechtmatige daad geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Eisers leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] zonder overleg met de moeder en zonder haar toestemming het huis heeft verkocht en een haar in eigendom toebehorend aandelenpakket heeft verkocht of verduisterd. Zij stellen dat de prijs die voor het huis is betaald onder de marktwaarde lag. Zij stellen voor wat betreft de inboedel dat [gedaagde] het huis in de periode tussen de verhuizing van de moeder naar het verzorgingstehuis en de overdracht aan derden heeft bewoond zonder daarvoor een gebruiksvergoeding te betalen en dat inboedelgoederen in die periode zijn verdwenen.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De primaire vordering ziet op het afleggen van rekening en verantwoording door [gedaagde]. Dat veronderstelt dat er sprake is van een rechtsverhouding tussen [gedaagde] en de moeder op grond waarvan hij tot het afleggen van rekening en verantwoording (over de verkoopopbrengst van het huis en meer in het algemeen over het beheer van haar vermogen) gehouden zou zijn. Feiten en omstandigheden die – indien bewezen – kunnen leiden tot de conclusie dat er sprake zou zijn van een dergelijke rechtsverhouding hebben eisers echter niet aangevoerd. Dat [gedaagde] – zoals [eiser sub 1] tijdens de comparitie van partijen verklaarde – in de periode dat hij in het huis van de moeder verbleef en haar post beheerde, contactpersoon was voor het verzorgingstehuis en de beslissingen over het vermogen van de moeder naar zich toe getrokken heeft, is daartoe niet voldoende.

Dat betekent dat hetgeen is aangevoerd die vordering niet kan dragen zodat de primaire vordering zal worden afgewezen.

4.2. Aan de subsidiaire vordering is ten grondslag gelegd dat [gedaagde] onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld en zij daardoor schade lijden. In dat verband stelt de rechtbank voorop dat de verwijten die [gedaagde] worden gemaakt zien op het vermogen van de moeder: haar huis, haar aandelenpakket en haar inboedelgoederen. Als juist zou zijn hetgeen eisers stellen over de handelwijze van [gedaagde], dan kan daarmee nog niet aangenomen worden dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser sub 1] en zijn echtgenote, en dat zij daardoor schade hebben geleden. Bij dagvaarding is aangevoerd dat [gedaagde] 'een voorschot heeft genomen op de erfenis' en dat zij als toekomstige erfgenamen worden benadeeld, doordat [gedaagde] zich heeft verrijkt ten koste van hetgeen zij bij het overlijden van de moeder erven. Dat [gedaagde] is verrijkt door de gestelde handelingen is in het geheel niet onderbouwd. [eiser sub 1] en zijn vrouw miskennen voorts dat pas als de moeder (voor)overlijdt sprake kan zijn van enige aanspraak op een deel van haar vermogen. Een vordering op de nalatenschap is te zeer toekomstig en onzeker om die reeds nu tot hun vermogen te rekenen. Daarom is ook niet aannemelijk dat zij schade lijden door het gestelde handelen van [gedaagde] zodat jegens hen de vordering niet toewijsbaar is.

4.3. Resteert de vordering van de moeder tot schadevergoeding. Het gestelde onrechtmatige handelen van [gedaagde] ziet in de eerste plaats op de verkoop van het huis. [gedaagde] heeft ter afwering van de vorderingen onder meer gewezen op het hiervoor onder 2.6. weergegeven gespreksverslag waaruit blijkt dat de moeder van de verkoop van het huis op de hoogte was en daarmee instemde, ook met de koopprijs. Eisers hebben de inhoud van dit verslag niet betwist. Zij hebben gewezen op de onder 2.7. weergegeven verklaring van de moeder – zelf partij in deze procedure – waarin voor wat betreft het huis staat dat [gedaagde] het huis zonder overleg of toestemming heeft verkocht. Concrete feiten en omstandigheden die – indien bewezen – de conclusie kunnen rechtvaardigen dat het huis buiten de moeder door [gedaagde] is verkocht blijken daar niet uit en zijn overigens niet door eisers aangedragen. Nu het gaat om een registergoed dat niet zonder meer kan worden verkocht en geleverd en uit het verslag van de kandidaat-notaris blijkt dat de moeder wel degelijk van de verkoop en de levering op de hoogte was, had dat wel op hun weg gelegen. Ook de stelling dat het huis tegen een te lage prijs is verkocht is in het geheel niet onderbouwd. In deze procedure is dan ook niet komen vast te staan dat [gedaagde] in dit verband enig verwijt treft en evenmin is aannemelijk geworden dat de moeder schade heeft geleden.

4.4. Voor wat betreft het aandelenpakket is aangevoerd dat de moeder een aandelenpakket had en dat [gedaagde] dat heeft verkocht of verduisterd. [gedaagde] heeft een en ander betwist en gesteld dat de moeder kennelijk heeft besloten om het bij haar bank aanwezige aandelenpakket gefaseerd te verkopen en dat zij vervolgens aanzienlijke bedragen heeft overgemaakt aan haar beide zoons. Hij heeft ook rekeningafschriften in het geding gebracht waaruit blijkt dat in de afgelopen jaren aanzienlijke bedragen zijn overgemaakt, ook aan [eiser sub 1]. Eisers hebben een en ander niet gemotiveerd weersproken. Tijdens de comparitie van partijen heeft [eiser sub 1] in dit verband verklaard dat hij had begrepen dat de moeder, afgezien van de verkoopopbrengst van het huis, geen vermogen meer heeft omdat de aandelen zijn verkocht en dat hij zich niet kan voorstellen dat de moeder de aandelen heeft verkocht buiten hem en zijn vrouw om. Ook met deze nadere onderbouwing is niet voldoende gesteld om te kunnen oordelen dat [gedaagde] de hand heeft gehad in de verkoop van de aandelen van de moeder, laat staan dat hij daarmee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en haar daardoor heeft benadeeld.

4.5. Ook voor wat betreft de inboedel treft de vordering geen doel. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat hij inboedelgoederen heeft verduisterd en/of heeft laten verdwijnen en eisers hebben daartegenover geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die niettemin tot die conclusie zouden kunnen leiden.

4.6. Het voorgaande betekent dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de moeder en dat zij daardoor schade heeft geleden zodat ook ten aanzien van haar de subsidiaire vordering niet toewijsbaar is.

4.7. Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht € 262,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.166,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.166,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2010. PD