Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL7867

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
18-03-2010
Zaaknummer
271782 / HA ZA 09-1803
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Horizontale natrekking. Bunker is geheel eigendom van gedaagde, nu beide ingangen van de bunker zich op het perceel van gedaagde bevinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2010, 104
NJF 2011/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 271782 / HA ZA 09-1803

Vonnis van 17 maart 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. H. van Dijk,

tegen

1. de rechtspersoonlijkheidbezittende stichting

STICHTING BUBO,

gevestigd te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiser], de Stichting Bubo (gedaagde 1), de bestuurders (gedaagden 2 en 3) en de Stichting c.s. (alle drie de gedaagden) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 september 2009

- het proces-verbaal van comparitie ter plaatse van 23 december 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] en de Stichting Bubo zijn buren. [eiser] is sinds 31 december 2007 eigenaar van het perceel [adres] te [woonplaats]. De Stichting Bubo is eigenaar van het perceel [adres] te [woonplaats]. Op het perceel van zowel [eiser] als de Stichting Bubo staat een pand. Verdeeld over de tuinen van de twee percelen ligt een in de tweede wereldoorlog gebouwde officiersbunker. Het betreft een bunker die zich deels in de tuin/op het perceel van [eiser] en deels in de tuin/op het perceel van de Stichting c.s. bevindt.

2.2. In de notariële leveringsakte van 31 december 2007, waarbij het perceel aan de [adres] te [woonplaats] aan [eiser] is geleverd, wordt de bunker niet genoemd. Ook in de notariële leveringsakte waarbij op 14 februari 1995 het perceel aan de [adres] te [woonplaats] aan de Stichting Bubo is geleverd, wordt de bunker niet genoemd.

2.3. In een brief van 25 november 1978 van een rechtsvoorganger van de Stichting Bubo (NBLC) aan de rechtsvoorganger van [eiser] (mevrouw [X]) is het volgende te lezen:

“(…) bevestig ik (NBLC, toev. rechtbank) met genoegen bij deze de afspraken die wij als goede buren hebben gemaakt ten aanzien van de door ons als kantine-ruimte in te richten bunker, die zich ten dele op ons, ten dele op uw terrein bevindt. (…)

Verder verklaren wij door onze verbouwwerkzaamheden op geen enkele wijze uw eigendom (mevrouw [X], toevoeging rechtbank) te betwisten van de delen van de bunker die zich op uw terrein bevinden. (…)”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - dat de rechtbank (1) voor recht zal verklaren dat het gedeelte van de bunker zich bevindend op het perceel [adres] te [woonplaats] in eigendom toebehoort aan [eiser] en het gedeelte zich bevindend op het perceel [adres] te [woonplaats] in eigendom toebehoort aan de Stichting Bubo, c.q. bij wijze van verdeling het gedeelte van de bunker zich bevindend op het perceel aan de [adres] te [woonplaats] toe te delen aan [eiser] en een gedeelte van de bunker zich bevindend op het perceel aan de [adres] te [woonplaats] toe te delen aan de Stichting Bubo. Verder vordert [eiser] de Stichting c.s. hoofdelijk te bevelen om te hengen en te gedogen dat

(2) [eiser] op de kadastrale erfgrens van de percelen [adres] en [adres] te [woonplaats] een muur plaatst ter afscheiding/afscherming van de bunkergedeelten zich bevindend op de percelen [adres] en [adres] te [woonplaats] en dat (3) [eiser] in zijn in eigendom toebehorende gedeelte van de bunker op perceel [adres] te [woonplaats] voorzieningen mag aanbrengen die hem goeddunken, zoals onder andere het openen van de bunkerwand. Ook vordert [eiser] de Stichting c.s. hoofdelijk te veroordelen om (4) binnen twee weken na betekening van dit vonnis het gedeelte van de bunker zich bevindend op het perceel [adres] te [woonplaats] te ontruimen en ontruimd te houden en leeg en ter vrije beschikking aan [eiser] te stellen op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per dag dat de Stichting c.s. in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen en (5) voor zover de Stichting c.s. niet aan deze veroordeling voldoet [eiser] op grond van artikel 3:299 BW te machtigen om de zich in het gedeelte van de bunker op het perceel [adres] te [woonplaats] bevindende goederen te verwijderen en de kosten daarvan te verhalen op de Stichting c.s. door haar te gelasten deze kosten op vertoon van een deurwaarders exploot binnen acht dagen aan [eiser] te voldoen. Tot slot verzoekt [eiser] veroordeling van de Stichting c.s. in de kosten van deze procedure.

3.2. De Stichting c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ter gelegenheid van de comparitie heeft de Stichting c.s. haar stelling herhaald dat [eiser] geen procesbelang heeft, omdat het niet duidelijk is wat zijn belang is en waartoe de vordering dient. [eiser] is van mening dat het beroep op het ontbreken van procesbelang te laat gedaan is en dat hij wel degelijk belang heeft bij deze procedure. [eiser] voert aan dat hij voornemens is om het gedeelte van de bunker dat zich op het perceel [adres] bevindt open te maken, een scheidingsmuur in de bunker te plaatsen op de kadastrale erfgrens en op deze wijze de bunker middels een glazen serre te integreren bij het pand dat op het perceel [adres] staat. Verder wil hij op zijn deel van het dak van de bunker een dakterras aanleggen. Gelet op het door [eiser] geschetste voornemen is de rechtbank van oordeel dat [eiser] een voldoende belang in de zin van artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft, zodat hem een rechtsvordering toekomt.

4.2. [eiser] stelt dat voor zover de bunker op zijn perceel ligt hij eigenaar is van dit deel van de bunker. Krachtens artikel 5:3 BW is de eigenaar van het perceel ook eigenaar van al haar bestanddelen. Aangezien de bunker een zelfstandige zaak is, geldt verder op basis van de hoofdregel van artikel 5:20, eerste lid, aanhef en onder e BW dat [eiser] als eigenaar van het perceel ook eigenaar is van datgene wat zich in/op het perceel bevindt. Het deel van de bunker dat ligt op het perceel van de Stichting Bubo is eigendom van deze Stichting, zodat sprake is van gedeeld eigendom.

4.3. De Stichting c.s. voert aan dat de Stichting Bubo eigenaar is van de gehele bunker. Primair is de bunker één onroerend goed dat zich op twee percelen bevindt. Het kleinere deel van de bunker dat zich op het perceel van [eiser] bevindt, is een bestanddeel van het grotere deel van de bunker op het perceel van de Stichting Bubo. De stichting Bubo is als eigenaar van de zaak ook eigenaar van de bestanddelen (horizontale natrekking). In het geval geen sprake zou zijn van horizontale natrekking voert de Stichting c.s. subsidiair aan dat zij eigenaar is geworden van het gedeelte van de bunker op het perceel van [eiser] door verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:99, eerste lid BW. Er is sprake van een onafgebroken bezit van tien jaar en het bezit is te goeder trouw.

4.4. De vraag die aan de rechtbank ter beantwoording voorligt, is wie eigenaar is van de bunker. Is sprake van gezamenlijk eigendom, of is de Stichting Bubo enig eigenaar.

4.5. Voorafgaand aan de ter plaatse gehouden comparitie hebben partijen in aanwezigheid van de rechter en de griffier de bunker van binnen en van buiten bekeken. Hierbij is door de rechtbank vastgesteld dat ongeveer vijfachtste deel van de bunker zich bevindt op het perceel van de Stichting Bubo en ongeveer drieachtste deel van de bunker op het perceel van [eiser]. De bunker bevindt zich deels ondergronds en deels bovengronds en heeft muren en een plafond van ongeveer twee meter dik. De bunker is niet verbonden met de panden die zich ook op de beide percelen bevinden. De bunker heeft één ingang die zich op het perceel van de Stichting Bubo bevindt. De enige nooduitgang bevindt zich ook op het perceel van de Stichting Bubo.

4.6. Uit artikel 5:20 BW vloeit als hoofdregel voort dat de eigenaar van een perceel grond eigenaar is van de gebouwen en werken die duurzaam met die grond zijn verenigd. In afwijking van die regel geldt dat wanneer een bestanddeel van een gebouw zoals een kelder, uitbouw of balkon, zich bevindt in, op of boven grond die aan een ander dan de eigenaar van dat gebouw toebehoort, dit bestanddeel geen eigendom is van de grondeigenaar, maar toebehoort aan de eigenaar van het gebouw waarvan het deel uitmaakt.

4.7. De rechtbank overweegt allereerst dat het gegeven dat de rechtsvoorgangers van partijen er in het verleden kennelijk over eens waren dat ten aanzien van de bunker sprake is van gedeelde eigendom, niet tot beantwoording van de vraag kan leiden aan wie de eigendom van de bunker toebehoort. Alleen op de in de wet (boek 5 BW) genoemde wijzen kan eigendom ontstaan.

4.8. Op basis van de diverse leveringsaktes van [adres] en 5, waarin de bunker in het geheel niet wordt genoemd, kan niet worden vastgesteld bij wie het eigendom van de bunker berust. Vast staat dat de bunker slechts op twee manieren toegankelijk is, namelijk via de (reguliere) in-/uitgang en via de noodin-/uitgang. Beide toegangen bevinden zich op het perceel van de Stichting Bubo. Verder staat vast dat de bunker los staat en dus niet op enige wijze verbonden is met één van de beide panden op de beide percelen. Uit de brief van 25 november 1978 en de verklaring van 19 februari 2008 van de heer [Y] blijkt dat de bunker in ieder geval vanaf 1978 in gebruik was bij de (rechtsvoorganger van) Stichting Bubo. In de verklaring van 24 december 2007 verklaart [A] (zoon van mevrouw [X]) dat zij nooit gebruik hebben kunnen maken van de bunker. In een verklaring van 16 juni 2009 van [A] en [B] (dochter van mevrouw [X]) wordt erover gesproken dat zij in de jaren ’70 de bunker hebben ingericht voor het geven van schoolfeesten, dat zij daarbij gebruik mochten maken van de ingang van de bunker aan de achterzijde van [adres] en dat zij in die periode een onbelemmerde toegang tot de bunker hadden.

4.9. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de omstandigheid dat de beide toegangen van de bunker op het perceel liggen waarvan de Stichting c.s. eigenaar is, met zich dat de Stichting c.s. door (horizontale) natrekking eigenaar is van de daardoor te betreden en daarmee verbonden bunker. Voor [eiser] is het immers als eigenaar van de deels op zijn perceel bevindende bunker niet mogelijk om - zonder toestemming van de Stichting c.s. - de op en onder zijn perceel gelegen bunker te betreden. Dat de ingang van de bunker zich toevallig op deze plek bevindt, zoals [eiser] betoogt, doet hier niet aan af.

Terzijde overweegt de rechtbank dat de bunker feitelijk altijd in gebruik is geweest bij de (opvolgend) eigenaren van de Stichting c.s. De enkele omstandigheid dat volgens de verklaring van [A] en [B] zij in de jaren ’70 gebruik van de bunker mochten maken, maakt dit niet anders. Kennelijk betrof het hier incidenteel gebruik (schoolfeesten en dergelijke) en kennelijk was er door de toenmalige eigenaren van [adres] voor dit gebruik toestemming gegeven, nu zij via het perceel [adres] de bunker betraden.

4.10. Gelet op het voorgaande is [eiser] geen eigenaar van de gehele bunker, noch eigenaar van het deel van de bunker dat zich op zijn perceel bevindt. De vorderingen van [eiser] zullen dan ook worden afgewezen.

4.11. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Stichting c.s. worden begroot op:

- vast recht € 262,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.166,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Stichting c.s. tot op heden begroot op € 1.166,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Sneevliet en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2010.

YS/CSC