Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL7609

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-03-2010
Datum publicatie
16-03-2010
Zaaknummer
SBR 08-3346
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen weigering vrijstelling en bouwvergunning voor de uitbreiding van een onderneming waar onder meer paarden worden gefokt. De rechtbank is van oordeel dat de gemeenteraad, op basis van de voor dit gebied van belangzijnde beleidskaders, in redelijkheid de gevraagde vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO heeft kunnen weigeren. In de stukken en tijdens het verhandelde ter zitting is voldoende onderbouwd waarom de ruimtelijke belangen hebben geprevaleerd boven de (financiële) belangen van eiseres. Het college was, gelet op het dwingende karakter van artikel 56a van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, gehouden de gevraagde bouwvergunning te weigeren in strijd met het bestemmingsplan en de bezwaren van eiseres ongegrond te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/3346

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

VRG-projects BV, gevestigd te Scherpenzeel, eiseres,

gemachtigde: ing. H.W. Ebbers, werkzaam bij Accon AVM adviseurs en accountants te Zaltbommel,

en

1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renswoude (hierna: het college),

2. de raad van de gemeente Renswoude (hierna: de raad),

verweerders,

gemachtigde: J.C. van Essen, werkzaam bij de gemeente Renswoude.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft de raad geweigerd medewerking te verlenen aan een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor de door eiseres gevraagde bouwvergunning 1e fase voor het oprichten van een vrijstaande woning met garage en het vergroten van de bestaande paardenstal op het perceel Grote Fliertsedijk te Renswoude (verder: het perceel). Bij besluit van 2 november 2006 heeft het college geweigerd aan eiseres de aangevraagde bouwvergunning te verlenen.

1.2 Bij besluit van 24 april 2007 heeft het college het bezwaar van eiseres tegen de weigering om bouwvergunning te verlenen ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld en deze rechtbank heeft bij uitspraak van 3 april 2008 (SBR 07/1428) dat beroep gegrond verklaard op grond van de overweging dat het college niet op het bezwaar van eiseres tegen de weigering om een bouwvergunning te verlenen, had mogen beslissen dan nadat de raad een beslissing had genomen op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 3 oktober 2006 van de raad. De rechtbank heeft om die reden het besluit van 24 april 2007 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen nadat de raad op het bezwaarschrift van eiseres tegen het besluit van 3 oktober 2006 zou hebben beslist.

1.3 Bij besluit van 2 september 2008 (hierna: het bestreden besluit I) heeft de raad het bezwaar van eiseres tegen de weigering om vrijstelling te verlenen, ongegrond verklaard.

Bij besluit van 30 september 2008 (hierna: het bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen de weigering om bouwvergunning te verlenen ongegrond verklaard. Tegen beide besluiten heeft eiseres onderhavig beroep ingesteld.

1.4 Het beroep is behandeld ter zitting van 25 november 2009, waar eiseres en verweerder

bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. Tevens was namens eiseres ter zitting [X] aanwezig.

Overwegingen

2.1 Op 2 juni 2006 is door eiseres een aanvraag om een bouwvergunning 1e fase ingediend, voor het oprichten van een vrijstaande woning met garage en het vergroten van de bestaande paardenstal op het perceel. Ten behoeve van deze aanvraag heeft eiseres een “Ruimtelijke onderbouwing en Bedrijfsplan Stoeterij Coral Estate”, gedateerd juli 2005, van Accon Consultants B.V. overgelegd.

2.2 Op het perceel is thans (behalve een schuurtje) één gebouw aanwezig dat is ingericht als woonruimte en één gebouw dat dienst doet als paardenstalling/schuur. Tussen beide gebouwen ligt een rijbak/buitenbaan voor paarden. Eiseres is voornemens haar huidige onderneming verder uit te breiden tot een volwaardige onderneming, met als hoofdactiviteiten het ter plaatse fokken van paarden ten behoeve van de sport, het stallen van dragende merries en veulens en het inscharen van jonge paarden. Voor eiseres is de aanwezigheid van een bedrijfswoning bij het plan essentieel.

2.3 Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied Renswoude 1995”(hierna: het bestemmingsplan Buitengebied) de bestemming “Agrarisch gebied”.

Op de bestemmingsplankaart staat op het perceel geen bouwblok ingetekend.

Het perceel is voorts gelegen in het gebied waarvoor Provinciale Staten van Gelderland op grond van de Reconstructiewet concentratiegebieden het Reconstructieplan Gelderse Vallei / Utrecht-Oost (hierna: het Reconstructieplan) heeft vastgesteld. Het Reconstructieplan is op 17 maart 2005 in werking getreden. Het perceel ligt binnen het gebied dat in het Reconstructieplan is aangeduid als “landbouwontwikkelingsgebied (LOG)”.

2.4 Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan en daarom, gelet op het bepaalde in artikel 56a in samenhang met artikel 44 eerste lid onder c van de Woningwet, slechts kan worden vergund met een vrijstelling van het bestemmingsplan op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO.

2.5 Het geschil spitst zich toe op de vraag of raad heeft kunnen weigeren vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen, op grond van de motivering die daarvoor is gegeven.

De rechtbank overweegt in dit verband dat de wetgever de bevoegdheid om al dan niet ten behoeve van een bouwplan vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen heeft toegedeeld aan de raad; vanwege deze discretionaire bevoegdheid heeft de raad op dit punt een eigen beleidsvrijheid die de bestuursrechter hoort te respecteren. Deze mag een dergelijke beslissing dan ook slechts marginaal toetsen. Dat wil zeggen dat de bestuursrechter zich moet beperken tot de vraag of de raad in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit om de vrijstelling te weigeren.

2.6 In het besluit van 2 november 2006 is overwogen dat de weigering om vrijstelling te verlenen mede tot stand gekomen is na toetsing aan het bestemmingsplan Buitengebied, het streekplan 2005-2015 en het Reconstructieplan. Bij de bestreden besluiten hebben raad en college de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard, onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de Commissie voor de behandeling van bezwaarschriften van 5 april 2007. In dit advies is herhaald dat het gemeentebestuur van mening is dat het verzoek om vestiging van een stoeterij niet past in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied en dat het Reconstructieplan daarvoor evenmin opening biedt. Daarmee is tevens te kennen gegeven dat het gemeentebestuur niet wenst terug te komen op het in het bestemmingsplan Buitengebied vastgestelde beleid, dat nieuwvestiging van grondgebonden veehouderij hier in het geheel niet mogelijk is.

2.7 Eiseres stelt in beroep thans dat de tekst van het Reconstructieplan, met name pagina 79, de vestiging van andere bedrijven dan intensieve veehouderij niet uitsluit, zodat vestiging van een grondgebonden bedrijf zoals de aangevraagde stoeterij, ook onder het Reconstructieplan mogelijk is. Eiseres stelt dat daar temeer reden voor is nu er sprake is van een reeds op het perceel gevestigde paardenhouderij en het dus niet gaat om een volledige nieuwe vestiging waardoor omliggende bedrijven worden beperkt.

2.8 De rechtbank overweegt dat, voordat beoordeeld kan worden of de aangevraagde stoeterij binnen het Reconstructieplan past en de raad dus niet mede op basis daarvan tot een weigering van de gevraagde vrijstelling had kunnen komen, beoordeeld dient te worden of er sprake is van een reeds bestaand bedrijf. Verweerders stellen zich op het standpunt dat er thans op het perceel geen sprake is van een bestaande legale paardenhouderij, omdat ter plaatse op grond van het bestemmingsplan slechts het hobbymatig houden van paarden mag worden uitgeoefend. Eiseres heeft ter zitting nader toegelicht dat het bedrijf in het verleden op een andere locatie was gevestigd, maar dat zij de gronden en bebouwing daar heeft verkocht en zich thans heeft gevestigd op het perceel. Eiseres beschikt over acht fokmerries. In de reeds bestaande paardenstal op het perceel staan vier fokmerries. De andere vier fokmerries heeft eiseres in verband met ruimtegebrek elders gestald.

De rechtbank stelt vast dat er op dit perceel op grond van het bestemmingsplan Buitengebied geen agrarisch bouwperceel ligt, zodat bebouwing ter plaatse niet is toegestaan. De aanwezigheid van de activiteiten van eiseres ter plaatse is voorts niet op grond van een eerdere vrijstelling van het bestemmingsplan toegestaan. Het gebruik van het ene gebouw als paardenstalling voor vier paarden wordt door verweerders als hobbymatig gebruik aangemerkt, terwijl het gebruik van het andere gebouw voor woondoeleinden eerder onderwerp is geweest van een handhavingsprocedure waarbij eiseres in het ongelijk is gesteld en volgens verweerders toelichting ter zitting slechts wordt gedoogd in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure. Uit het voorgaande volgt dat er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een ter plaatse legaal gevestigde paardenhouderij. Bij de huidige omvang van de agrarische activiteiten op het perceel acht de rechtbank de typering ‘hobbymatig’ passend. Het gegeven dat eiseres, naar zij stelt, uit ruimtegebrek nog vier fokmerries elders heeft gestald, maakt niet dat er op dit perceel sprake is van een feitelijk ter plaatse bestaand bedrijf.

Verweerder is er daarom terecht uitgegaan van de beoordeling van de aanvraag van eiseres als nieuwvestiging.

2.9 Verweerders zijn van mening dat nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf, in tegenstelling tot het uitbreiden van een reeds bestaand bedrijf, op grond van het Reconstructieplan in het landbouwontwikkelingsgebied niet mogelijk is.

De rechtbank overweegt dat op pagina 79 van het Reconstructieplan onder meer het volgende is vermeld:

“I Ontwikkelingsmogelijkheden landbouw

In de landbouwontwikkelingsgebieden ligt het primaat bij de landbouw en wordt het behoud en uitbreiding van productieruimte zo veel mogelijk veilig gesteld. Uitbreiding en ook nieuwvestiging van intensieve veehouderij is mogelijk, maar maximaal gebruik van bestaande locaties staat voorop. Overname van intensieve veehouderij is altijd mogelijk terwijl omschakeling naar intensieve veehouderij binnen deze gebieden in principe ook mogelijk is. Ook grondgebonden bedrijven moeten zich verder kunnen ontwikkelen. (…) Nieuwvestiging van intensieve veehouderij in binnen landbouwontwikkelingsgebieden alleen mogelijk als het volwaardige bedrijven betreft. De vestiging van bedrijven, die van elders verplaatst (moeten) worden, vindt bij voorkeur plaats binnen dit gebied

II Ongewenste ontwikkelingen

Bepaalde functies kunnen de beoogde ontwikkeling van intensieve veehouderij belemmeren. Er mogen geen nieuwe hinderende activiteiten voor intensieve veehouderij komen, voor zover dergelijke functies beperkingen kunnen opleggen aan de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw in het algemeen en de intensieve veehouderij in het bijzonder. (..)”

Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat in het gebied waar het perceel ligt prioriteit gegeven wordt aan bestaande veehouderijbedrijven, zowel grondgebonden als intensieve veeteelt, en aan nieuwvestiging van dergelijke, van elders te verplaatsten bedrijven. Weliswaar kan ook een stoeterij als grondgebonden bedrijf worden aangemerkt, en wordt op genoemde pag. 79 gesteld dat ‘ook grondgebonden bedrijven zich verder moeten kunnen ontwikkelen’, maar dat kan niet los gezien worden van hetgeen er overigens over de voorgestane ontwikkeling in dit gebied in het Reconstructieplan is neergelegd. Daaruit blijkt, zoals ook in het verweerschrift is weergegeven, dat in dit gebied een dergelijke vestiging belemmerend zou kunnen zijn voor de bedrijven waar het landbouwontwikkelingsgebied primair voor bedoeld is, terwijl in de structuur van het Reconstructieplan juist andere gebieden bedoeld zijn voor (groei en ontwikkeling van) grondgebonden landbouw. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat de enkele omstandigheid dat eiseres het perceel in eigendom heeft en daarom nieuwvestiging elders financieel niet aantrekkelijk is, niet een voldoende zwaarwegende reden is om voorbij te gaan aan de kennelijke doelstelling van het Reconstructieplan.

2.10 Voorts voert eiseres aan dat de raad bij een onbevoegde instantie advies heeft gevraagd ten aanzien van de toetsing en uitvoering van het Reconstructieplan. Eiseres stelt zich op het standpunt dat niet de Stichting Vernieuwing Gelderse Vallei (hierna: de SVGV), bij wie de raad advies heeft ingewonnen, maar de Reconstructiecommissie het bevoegde orgaan is om aan de raad advies uit te brengen. Om die reden kan het besteden besluit I niet in stand blijven. Bovendien is het advies van de SVGV onvoldoende gemotiveerd, volgens eiseres.

Anders dan eiseres stelt is de rechtbank echter van oordeel dat er van een onbevoegde advisering geen sprake is. In het verweerschrift en ter zitting is door verweerders toegelicht dat de SVGV verschillende taken heeft en actief is als Programmabureau Vallei, als Reconstructiecommissie Gelderse Vallei/Utrecht-Oost en als Adviescommissies voor Provincies. De SVGV fungeert tevens als Reconstructiecommissie, ingesteld in het kader van de Reconstructiewet en beide worden gevormd door dezelfde personen. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat de raad niet bij de juiste instantie advies heeft gevraagd waar het gaat om toetsing aan en uitleg van het Reconstructieplan. Dat het advies onvoldoende gemotiveerd is, is de rechtbank niet gebleken.

2.11 Eiseres heeft verder gesteld dat de raad bij het besluit om al dan niet vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen, al het relevant ruimtelijk beleid en dus ook “de Toekomstvisie Renswoude” bij de besluitvorming had moeten betrekken. Hieromtrent overweegt de rechtbank dat ter zitting gemotiveerd is toegelicht dat dit stuk niet in de afweging van de raad is betrokken omdat deze toekomstvisie wat betreft de agrarische bedrijvigheid zo algemeen is gesteld dat deze niet als toetsingskader kan gelden.

De rechtbank kan de raad hierin volgen, zodat ook deze beroepsgrond niet slaagt.

Met de stelling van eiseres dat een stoeterij als een economische drager moet worden gezien en om die reden bij kan dragen aan een gezond buitengebied, kan de rechtbank op zichzelf instemmen. Dit laat echter onverlet dat er naast, of zelfs boven, die economische belangen ruimtelijke belangen zijn die de raad bij zijn afweging omtrent het al dan niet verlenen van vrijstelling moet betrekken.

2.12 Hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht over het tekortschieten van verweerders in de procedurele afdoening van de zaak, volgt de rechtbank niet. Voor zover eerder de bezwaren van eiseres op een onjuiste wijze zijn behandeld, is daarover al in de eerdergenoemde uitspraak een oordeel gegeven.

2.13 Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de raad, op basis van de voor dit gebied van belangzijnde beleidskaders, in redelijkheid de gevraagde vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO heeft kunnen weigeren. In de stukken en tijdens het verhandelde ter zitting is voldoende onderbouwd waarom de ruimtelijke belangen hebben geprevaleerd boven de (financiële) belangen van eiseres.

2.14 Nu de raad naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vrijstelling te weigeren, was het college, gelet op het dwingende karakter van artikel 56a van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, gehouden de gevraagde bouwvergunning te weigeren in strijd met het bestemmingsplan en de bezwaren van eiseres ongegrond te verklaren.

2.15 Hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. V.M.M. van Amstel, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2010.

De griffier: De rechter

mr. E.C.J. Mulder mr. V.M.M. van Amstel

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.