Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL7361

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-01-2010
Datum publicatie
12-03-2010
Zaaknummer
16-604202-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De politierechter spreekt verdachte vrij van het feit dat aan hem is ten laste gelegd als 'feitelijke aanranding van de eerbaarheid', subsidiair als een poging daartoe. Naar het oordeel van de politierechter ontbreekt bij heimelijk filmen onder een kleedhokje de voor dit feit vereiste dwang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/604202-08

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in bovengenoemde rechtbank op 15 januari 2010.

Aanwezig:

mr. E.F. Bueno, politierechter,

mr. J. Beumer-Gonggrijp, officier van justitie,

en mr. C.W.M. Maase-Raedts als griffier.

De politierechter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte],

geboren op [1979] te [geboorteplaats], België,

wonende te [woonplaats], [adres],

is NIET verschenen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort, die verklaart uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om de verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

De officier van justitie draagt de zaak voor.

De officier van justitie is van oordeel dat de tenlastelegging behoort te worden gewijzigd en legt daartoe de inhoud van de door haar noodzakelijk geachte wijziging aan de politierechter over. De officier van justitie vordert daarop dat deze wijziging zal worden toegelaten.

De politierechter wijst, gehoord de raadsman, de gevorderde wijziging toe en doet de inhoud van de aangebrachte wijziging in het proces-verbaal terechtzitting opnemen.

De inhoud van deze wijziging is weergegeven in de aan dit proces-verbaal gehechte bijlage en wordt geacht hier te zijn ingevoegd.

De wijziging houdt in dat een subsidiair feit wordt toegevoegd, inhoudende een poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Door de griffier wordt hierop een gewaarmerkt afschrift van de wijziging aan de raadsman van verdachte uitgereikt, zoals door de politierechter is bepaald, waarop het onderzoek met toestemming van de raadsman wordt voortgezet.

De raadsman voert het woord -zakelijk weergegeven- als volgt.

Ik kondig op voorhand aan dat ik een Salduz verweer zal gaan voeren.

De politierechter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van het voorbereidend onderzoek, zoals deze zich in deze strafzaak bevinden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte deelt de politierechter voorts mede de korte inhoud van:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 december 2009, waarin geen eerdere contacten met politie en justitie staan vermeld.

- een omtrent de verdachte opgemaakt voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland, unit Utrecht d.d. 06 januari 2010, opgemaakt door R. de Mul, reclasseringswerker.

De officier van justitie voert het woord -zakelijk weergegeven- als volgt.

Ervan uitgaande dat het te voeren Salduz verweer van de raadsman zal worden gehonoreerd, ben ik van mening dat ook zonder de bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het primair aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan. Ik baseer mij daarbij op het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 24 augustus 2008, het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 24 augustus 2008, alsmede op het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 augustus 2008.

Vervolgens leest de officier van justitie haar vordering voor en legt die aan de politierechter over.

De vordering houdt in voor het primair ten laste gelegde feit:

-een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact, inclusief een meldingsgebod en een behandelingsverplichting;

-een werkstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis.

De raadsman voert het woord tot verdediging.

De raadsman verklaart daartoe -zakelijk weergegeven- als volgt.

Met betrekking tot het aangekondigde Salduz verweer voer ik het volgende aan. Mijn cliënt had voorafgaand aan zijn eerste verhoor recht op consultatie door een raadsman in verband met het innemen van zijn proceshouding. Nu mijn cliënt niet op dit recht is gewezen, is sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Dit heeft tot gevolg dat het bewijs, dat is verkregen als rechtstreeks gevolg van dit verzuim, moet worden uitgesloten.

Ik ben van mening dat de bekennende verklaring, zoals afgelegd door mijn cliënt tijdens zijn eerste verhoor, van doorslaggevend belang is voor de bewijsvraag. De overige bewijsmiddelen zijn in mijn visie onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Mijn cliënt moet derhalve worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde feit.

De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt terstond mondeling vonnis te zullen geven.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.

AANTEKENING VAN HET MONDELING VONNIS

1. Inhoud van de tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 24 augustus 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, door (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot

het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het

fotograferen en/of het filmen van die (naakte) [slachtoffer] en bestaande die

feitelijkhe(i)d(en) uit het onder het kleedhokje leggen/brengen van een camera;

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 augustus 2008 te Utrecht, althans in het

arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door hem, verdachte,

voorgenomen misdrijf om door (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] te

dwingen tot het dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande

uit het fotograferen en/of filmen van die (naakte) [slachtoffer] en bestaande die

feitelijkhe(i)d(en) uit het onder het kleedhokje leggen/brengen van een

camera, als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte, een camera onder het kleedhokje van die [slachtoffer]

gelegd/gehouden en/of hiermee gefilmd,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid.

3. Overwegingen van de politierechter

De politierechter is van oordeel dat de raadsman terecht een beroep heeft gedaan op het Salduz arrest. De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd tijdens zijn eerste verhoor, zal dan ook van het bewijs worden uitgesloten. Deze bekennende verklaring is naar het oordeel van de politierechter echter niet nodig om tot een eventuele bewezenverklaring te kunnen komen van de ten laste gelegde feitelijke handelingen. Daartoe acht hij voldoende andere wettige bewijsmiddelen aanwezig. Uit die bewijsmiddelen blijkt – kort gezegd – dat verdachte de naakte [slachtoffer] heimelijk heeft gefilmd.

Daarmee komt de politierechter voor de vraag te staan of het heimelijk filmen van [slachtoffer] het strafbare feit ex artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht oplevert. Naar het oordeel van de politierechter is dat niet het geval. Voor een bewezenverklaring van het strafbare feit “feitelijke aanranding van de eerbaarheid” is vereist dat sprake is geweest van dwang. Voor dwang is enige actieve handeling nodig gericht op het slachtoffer. Het onder een schot van een kleedhokje leggen/brengen van een camera is daartoe onvoldoende.

Heimelijk filmen van een naakt persoon zou mogelijk het in artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht neergelegde strafbare feit kunnen opleveren, te weten schennis van de eerbaarheid. Dat feit is thans echter niet ten laste gelegd.

Nu het tenlastegelegde leggen/brengen van een camera onvoldoende is om te concluderen dat verdachte daardoor is gedwongen tot het dulden van (een) ontuchtige handeling(en) zal hij worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Ten overvloede overweegt de politierechter dat het enkele filmen of fotograferen van een naakt persoon (zoals tenlastegelegd) naar zijn oordeel niet dwingt tot de conclusie dat dus sprake is van (ee)n ontuchtige handeling(en).

Voor wat betreft het subsidiair tenlastegelegde overweegt de politierechter, dat de tenlastegelegde uitvoeringshandeling(en) in wezen dezelfde is/zijn als die waaruit – in de visie van de officier van justitie – het voltooide delict bestaat. Voor “dwingen tot” is/zijn de gestelde feitelijkhe(i)d(en) echter onvoldoende. Ook van het subsidiair tenlastegelegde zal verdachte dus worden vrijgesproken.

Nu de door verdachte gepleegde feitelijke handelingen niet het ten laste gelegde strafbare feit opleveren, zal hij worden vrijgesproken.

8. De beslissing met de gronden daarvoor

Vrijspraak

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de politierechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.