Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL7122

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
253298 / HA ZA 08-1659
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig beslag? Eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 253298 / HA ZA 08-1659

Vonnis van 10 maart 2010

in de zaak van

de vennootschap onder firma

[eiseres] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

advocaat: mr. J.M. van Noort,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SNS PROPERTY FINANCE B.V.,

gevestigd te Leusden,

gedaagde,

advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Bouwfonds genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 oktober 2008;

- het proces-verbaal van comparitie van 25 maart 2009 en de ter gelegenheid daarvan door [eiseres] bij brief van 9 maart 2009 toegezonden producties;

- de akte bewijsaanbod van Bouwfonds;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek;

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnota van [eiseres].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [bedrijf 1] V.O.F. (hierna: [bedrijf 1]) heeft de volgende drie vennoten:

- [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]);

- Edo Bouw B.V.;

- Jawel Bouw B.V. (hierna: Jawel Bouw).

2.2. [eiseres] heeft de volgende drie vennoten:

- Participatiemaatschappij Deventer I B.V. (hierna: PMD);

- Edo Projectontwikkeling B.V. (hierna: Edo Projectonwikkeling);

- Jawel Ontwikkeling B.V. (hierna: Jawel Ontwikkeling).

2.3. [bedrijf 3] V.O.F. (hierna: [bedrijf 3]) heeft de volgende vijf vennoten:

- PMD;

- Edo Projectontwikkeling;

- Jawel Ontwikkeling;

- P.V.P. Projectontwikkeling B.V.;

- PMDS I B.V.

2.4. Prinsegracht Project B.V. (hierna: Prinsegracht) en [bedrijf 1] hebben op 13 januari 2000 een overeenkomst van aanneming van werk, op 17 mei 2000 een overeenkomst inzake realisering van het project en op 17 december 2001 een aanvulling op de aannemingsovereenkomst gesloten. In deze aanvulling op de aannemingsovereenkomst heeft Prinsegracht zich verplicht tot ‘het leveren van een harde zekerheid voor het betalen van de aanneemsom’. De overeenkomsten hebben betrekking op de bouw van tien appartementen aan de Prinsegracht in Den Haag.

2.5. Prinsegracht heeft ten behoeve van dit project een financieringsovereenkomst gesloten met Bouwfonds, waarbij zij overeengekomen zijn dat Bouwfonds een depot ter beschikking zou stellen ten behoeve van de betaling van crediteuren van Prinsegracht, waaronder [bedrijf 1]. Prinsegracht kwalificeerde dit depot als ‘harde zekerheid’. [bedrijf 1] eiste echter als ‘harde zekerheid’ een bankgarantie. Toen Prinsegracht weigerde een bankgarantie te verstrekken heeft [bedrijf 1] het werk stil gelegd en heeft zij op 27 augustus 2003 een (spoed)procedure aanhangig gemaakt bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw.

2.6. Bij vonnis van 8 december 2003 hebben de arbiters Prinsegracht in het gelijk gesteld en zijn de overeenkomsten tussen [bedrijf 1] en Prinsegracht ontbonden voor het gedeelte dat de werkzaamheden nog niet waren verricht. Ook is in dat vonnis voor recht verklaard dat [bedrijf 1] geen retentierecht toekwam.

2.7. [bedrijf 1] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan. In het arbitraal tussenvonnis van 26 mei 2005 is het vonnis van 8 december 2003 vernietigd, wat afwijzing betekende van de vordering van Prinsegracht tot gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomsten met [bedrijf 1]. Het oordeel over de verklaring voor recht dat [bedrijf 1] geen retentierecht toekwam, is daarbij aangehouden.

2.8. Gedurende de hierboven beschreven arbitrale procedure heeft Prinsegracht haar vordering op [bedrijf 1] gecedeerd aan Bouwfonds. Bouwfonds heeft van deze cessie mededeling gedaan aan [bedrijf 1] door op 31 augustus 2004 een kopie van de akte van cessie zowel per fax als per aangetekende post naar

[bedrijf 1] te sturen.

2.9. Op 20 december 2005 is een perceel bouwterrein in Sint Willebrord (hierna: het perceel) door Ruimte voor Ruimte C.V. verkocht aan [bedrijf 1] voor een bedrag van EUR 1.700.000,- exclusief BTW. In de koopovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“Juridische levering

Artikel 6

1. Het verkochte zal worden overgedragen met alle daarbij behorende rechten en aanspraken en vrij van beslagen, hypotheken en van inschrijvingen daarvan (…)

Ingebrekestelling, verzuim, ontbinding en boete

Artikel 13

1. (…)

2. Indien één van de partijen, na bij deurwaardersexploit in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht (8) dagen tekortschiet in de nakoming van één of meer van haar verplichtingen – daaronder begrepen het niet tijdig betalen van de waarborgsom of het niet tijdig doen stellen van een correcte bankgarantie – is deze partij in verzuim en heeft de wederpartij de al dan niet subsidiaire keus tussen:

a. uitvoering van de overeenkomst te verlangen, in welk geval de partij die in verzuim is na afloop van voormelde termijn van acht (8) dagen voor elke sedertdien ingegane dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd is van drie promille (3‰) van de koopprijs inclusief omzetbelasting; of

b. de overeenkomst door een schriftelijke verklaring voor ontbonden te verklaren en betaling van een onmiddellijk opeisbare boete te vorderen van tien procent (10%) van de koopprijs inclusief omzetbelasting.”

2.10. Uit de leveringsakte van het perceel van 21 december 2005 blijkt dat

[bedrijf 1] het perceel tussentijds heeft doorverkocht aan [eiseres], waarbij het recht op levering van het perceel door [bedrijf 1] aan

[eiseres] is gecedeerd. Op grond daarvan is de eigendom van het perceel op 21 december 2005 door Ruimte voor Ruimte C.V. rechtstreeks geleverd aan (de vennoten van)

[eiseres]. [bedrijf 1] (en haar vennoten) heeft daarom nooit de eigendom van het perceel verkregen.

2.11. Tot zekerheid van de door Prinsegracht aan Bouwfonds gecedeerde vordering (zie onder 2.8 van dit vonnis) heeft Bouwfonds beslag willen laten leggen onder de vennoten van [bedrijf 1]. Uit de kadastrale registratie bleek dat Jawel Bouw, één van de vennoten van [bedrijf 1], voor 1/20 mede-gerechtigde was tot het perceel. Op 25 juli 2006 heeft Bouwfonds daarom conservatoir beslag gelegd op het aandeel van Jawel Bouw in het perceel. In de kadastrale registratie was echter ten onrechte Jawel Bouw in plaats van Jawel Ontwikkeling – vennoot van [eiseres] – als (mede-)eigenaar van het perceel opgenomen. [eiseres] heeft het kadaster bij brief van 23 januari 2006 verzocht deze omissie te herstellen. Hetzelfde heeft [bedrijf 1] bij brief van 14 november 2007 gedaan. Het kadaster heeft de registratie niet aangepast.

2.12. In een brief van 1 september 2006 heeft mr. L.J. van Langevelde namens [bedrijf 1] en haar drie vennoten Bouwfonds gesommeerd om – mede onder verwijzing naar het arbitraal tussenvonnis van 26 mei 2005 – het gelegde beslag onmiddellijk op te heffen.

2.13. Bouwfonds heeft op 7 september 2006 het beslag op het perceel vanwege juridisch-technische redenen opgeheven en op diezelfde dag opnieuw gelegd.

2.14. [eiseres] heeft op 9 oktober 2006 een overeenkomst gesloten voor de verkoop van het perceel aan [bedrijf 3] voor dezelfde prijs en onder dezelfde voorwaarden als de prijs en voorwaarden bij de (ver)koopovereenkomst van

20 december 2005 tussen Ruimte voor Ruimte C.V. en [bedrijf 1]. In de overeenkomst van 9 oktober 2006 is verder opgenomen dat de koper – [bedrijf 3] – het perceel uiterlijk op 23 oktober 2006 dient af te nemen.

2.15. Notaris Geleijns, die de opdracht had gekregen om zorg te dragen voor de overdracht van het perceel van [eiseres] aan [bedrijf 3], heeft achteraf (op 14 februari 2008) verklaard dat het in de tweede helft van oktober 2006 niet mogelijk was om het perceel over te dragen omdat het perceel belast was met het door Bouwfonds gelegde beslag.

2.16. In een brief van 30 oktober 2006, betekend bij deurwaardersexploot, heeft [bedrijf 3] het volgende aan [eiseres] geschreven:

“Op 9 oktober 2006 zijn wij overeengekomen dat u de 10 bouwkavels uiterlijk 23 oktober 2006 van ons af zou nemen. De eigendomsoverdracht heeft vorige week echter niet plaatsgevonden. U heeft aangegeven dat dit komt doordat het beslag op de grond nog steeds niet opgeheven is. Dit is echter uw probleem.

Via deze brief stel ik u conform art. 13 in gebreke en indien het transport van de grond niet uiterlijk 8 dagen na heden alsnog plaatsvindt, dan bent u in verzuim. Wij eisen dan nakoming, waarbij u een boete van 3 promille per dag aan ons verschuldigd bent.

Ik ga er van uit dat u het niet zover laat komen.”

2.17. In een brief van 17 november 2006 heeft mr. Van Langevelde – onder verwijzing naar zijn brief van 1 september 2006 – Bouwfonds opnieuw gesommeerd het beslag op het perceel op te heffen, omdat zijn cliënten vanaf 9 november 2006 schade zouden lijden van EUR 6.069,- per dag in verband met het niet kunnen leveren van tien bouwkavels in Rucphen, welke deel uitmaken van het perceel.

2.18. Het beslag op het perceel is per 18 december 2006 opgeheven, omdat Bouwfonds de vordering op [bedrijf 1] op haar beurt weer gecedeerd heeft aan een derde. Het perceel is vervolgens pas op 26 januari 2007 door [eiseres] geleverd aan

[bedrijf 3].

2.19. In het eindvonnis van de Raad van Arbitrage van de Bouw van 11 september 2007 is [bedrijf 1] veroordeeld tot het (terug)betalen aan Prinsegracht van een bedrag van EUR 7.477,-. Prinsegracht is in dat vonnis veroordeeld om aan [bedrijf 1] een bedrag van EUR 9.750,- ter verrekening van de kosten in eerste aanleg en een bedrag van EUR 12.868,80 ter verrekening van de kosten in hoger beroep te betalen.

2.20. Bij brief van 2 oktober 2007 heeft mr. Van Langevelde het arbitraal eindvonnis van 11 september 2007 aan Bouwfonds toegestuurd. In deze brief is onder meer het volgende opgenomen:

“Op basis van dit eindvonnis staat de onrechtmatigheid vast van het door u gelegde conservatoire (derden)beslag, nu de uitkomst van de procedure erin heeft geresulteerd dat Prinsegracht nog een bedrag aan mijn cliënte diende te voldoen.

Cliënte is thans doende de schade te berekenen als gevolg van het feit dat zij door het gelegde beslag niet tijdig heeft kunnen leveren.

Ik zal u op korte termijn daarover informeren.”

2.21. In zijn brief van 11 oktober 2007 heeft mr. Van Langevelde Bouwfonds onder meer medegedeeld dat het beslag op het perceel van Jawel Bouw in de weg had gestaan aan de levering van het perceel door [eiseres] aan [bedrijf 3]. Bij brief van

25 oktober 2007 heeft (de advocaat van) Bouwfonds dit weersproken.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Bouwfonds te veroordelen tot het betalen aan [eiseres] van een bedrag van

EUR 247.877,73 ten titel van schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van EUR 236.691,- vanaf 16 april 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, althans Bouwfonds te veroordelen tot het betalen aan [eiseres] van een bedrag door deze rechtbank ex aequo et bono te bepalen ten titel van schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander met veroordeling van Bouwfonds in de kosten van het geding, de kosten van de procureur en het griffierecht daaronder begrepen, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis en – voor het geval voldoening van de kostenveroordeling binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de kostenveroordeling vanaf bedoelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel een beslissing te nemen die deze rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

3.2. [eiseres] stelt dat Bouwfonds onrechtmatig jegens (de vennoten van)

[eiseres] heeft gehandeld, omdat zij tot twee keer toe beslag heeft gelegd ten laste van Jawel Bouw op het perceel van [eiseres].

3.3. [eiseres] betoogt allereerst dat het beslag als zodanig onrechtmatig was, omdat Bouwfonds dit beslag – gezien het arbitraal tussenvonnis van 26 mei 2005 – willens en wetens lichtvaardig en voor een veel te hoog bedrag heeft gelegd. Ook uit het arbitraal eindvonnis van 11 september 2007 blijkt volgens haar dat Bouwfonds onrechtmatig beslag heeft gelegd voor een vordering die achteraf gezien ongegrond was. In dat eindvonnis is [bedrijf 1] weliswaar veroordeeld tot het betalen van een bedrag

EUR 7.477,- aan Prinsegracht, maar Prinsegracht heeft op grond daarvan geen vordering op

[bedrijf 1], omdat Prinsegracht in datzelfde eindvonnis is veroordeeld om in totaal EUR 22.618,80 aan [bedrijf 1] te betalen voor vergoeding van proceskosten.

3.4. Op de tweede plaats stelt [eiseres] dat Bouwfonds met het door haar gelegde beslag onrechtmatig heeft gehandeld doordat Bouwfonds inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van (de vennoten van) [eiseres]. [eiseres] kon het perceel door het beslag niet vrij van beslag leveren aan (de vennoten van) [bedrijf 3], waartoe zij wel verplicht was op grond van de overeenkomst van 9 oktober 2006. De betrokken notaris weigerde vervolgens vanwege de aantekening van het beslag in de openbare registers, zo betoogt [eiseres], het perceel te transporteren. [eiseres] stelt dat zij hierdoor vanaf 9 november 2006 tot 18 december 2006 (datum opheffing beslag) een boete heeft verbeurd aan [bedrijf 3] van EUR 6.069,- per dag, zijnde een totaalbedrag van EUR 236.691,- inclusief BTW. [eiseres] betoogt voor zover dit geen inbreuk op een (eigendoms)recht van (de vennoten van) [eiseres] is, dit in ieder geval strijd oplevert met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Er is volgens haar daarom hoe dan ook sprake van een onrechtmatige daad.

3.5. Bouwfonds voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van

[eiseres] in haar vorderingen, althans tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. Bouwfonds betwist dat zij door het leggen van beslag op het perceel van [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld jegens (de vennoten van) [eiseres].

3.6. Het gelegde beslag is als zodanig volgens Bouwfonds niet onrechtmatig, aangezien de vordering van Prinsengracht in het arbitraal eindvonnis van 11 september 2007 deels is toegewezen. Het feit dat [bedrijf 1] dit bedrag heeft kunnen verrekenen met hetgeen zij van Prinsengracht te vorderen had op basis van datzelfde vonnis doet volgens Bouwfonds niet af aan de rechtmatigheid van de vordering van Bouwfonds. Verder betoogt Bouwfonds dat het beslag ook niet voor een te hoog bedrag is gelegd, omdat er – kort gezegd – op het moment van het wijzen van het arbitraal tussenvonnis nog niets was bepaald ten aanzien van de definitieve vordering van Bouwfonds.

3.7. Bouwfonds stelt dat zij nooit inbreuk heeft gemaakt op enig aan (de vennoten van) [eiseres] toekomend eigendomsrecht, omdat Bouwfonds slechts beslag heeft gelegd op het aandeel van Jawel Bouw in de eigendom van het perceel, maar geen beslag heeft gelegd op het perceel grond zelf of op de aandelen van de drie vennoten van [eiseres] in de eigendom van het perceel. Bouwfonds betoogt dat zij in feite beslag heeft gelegd op een niet bestaand vermogensrecht van Jawel Bouw, waardoor het beslag nooit doel heeft getroffen. [eiseres] is daarom volgens Bouwfonds altijd in staat geweest om over het perceel te beschikken en tot levering van het perceel aan [bedrijf 3] over te gaan.

3.8. Voorts stelt Bouwfonds dat zowel (de vennoten van) [eiseres] als (de vennoten van) [bedrijf 3] wisten dat de eigendomsregistratie van het perceel in het kadaster niet klopte. Deze aantekening had volgens Bouwfonds door [eiseres] eenvoudig uit het kadaster kunnen worden verwijderd door daar op aan te dringen bij het kadaster of door een verklaring van waardeloosheid in te laten schrijven in het kadaster. Bovendien – zo betoogt Bouwfonds – was de eis van [bedrijf 3] dat het perceel zonder aantekening van het beslag aan haar werd geleverd, in het licht van de wetenschap over de foutieve inschrijving van [eiseres] en [bedrijf 3], hoogst onredelijk. Het is voor Bouwfonds onbegrijpelijk dat [eiseres] en [bedrijf 3] op grond van een hun kenbare fout in het kadaster een situatie hebben laten voortbestaan waarbij een boete van EUR 6.069,- per dag verbeurd zou worden. [eiseres] heeft volgens Bouwfonds de ontstane situatie volledig zelf in de hand gewerkt doordat [eiseres] een koopovereenkomst met [bedrijf 3] is aangegaan, zonder de onjuiste kadastrale registratie tijdig te doen herstellen of Bouwfonds in te lichten over de onjuiste kadastrale registratie en de koopovereenkomst met [bedrijf 3]. Bouwfonds stelt dat

[eiseres] haar bewust in de waan gelaten dat het beslag onder Jawel Bouw doel had getroffen. Bouwfonds is daarom van mening dat [eiseres] eventuele schade wegens eigen schuld volledig zelf dient te dragen. Bouwfonds betoogt dat zij redelijkerwijs heeft mogen vertrouwen op de juistheid van de door het kadaster verstrekte gegevens.

3.9. Ten slotte betoogt Bouwfonds dat [eiseres] geen enkele schade heeft geleden, omdat [eiseres] en [bedrijf 3] in feite dezelfde partij zijn, omdat alle vennoten van [eiseres] eveneens vennoot zijn van [bedrijf 3]. De betaalde boete vloeit volgens Bouwfonds daardoor voor 60% terug in het vermogen van dezelfde vennoten. Bovendien betwist Bouwfonds dat [eiseres] de boete daadwerkelijk betaald heeft aan [bedrijf 3].

3.10. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop, dat [eiseres] – gezien haar brief van 23 januari 2006 aan het kadaster – wist dat Jawel Bouw ten onrechte in de kadastrale registratie vermeld stond als mede-eigenaar van het perceel, toen [eiseres] op 9 oktober 2006 een overeenkomst voor de verkoop van het perceel sloot met [bedrijf 3]. In die overeenkomst is [eiseres] met [bedrijf 3] overeengekomen dat zij het perceel uiterlijk 23 oktober 2006 vrij van beslagen zou leveren, met een (onder meer) daaraan gekoppelde boeteclausule, terwijl [eiseres] wist dat door Bouwfonds ten laste van Jawel Bouw beslag was gelegd op het perceel en zij door dat beslag mogelijk niet in staat zou zijn om het perceel vrij van beslagen aan [bedrijf 3] te leveren. Dat Bouwfonds ook bij kennis van de werkelijke eigendomsverhoudingen het beslag zou willen handhaven, ligt niet voor de hand. Daarmee heeft [eiseres], nu zij heeft nagelaten om Bouwfonds te informeren over de onjuiste kadastrale registratie, willens en wetens het risico genomen dat zij niet in staat zou zijn het perceel vrij van beslagen aan [bedrijf 3] te leveren en (daardoor) een boete zou verbeuren aan [bedrijf 3].

Of [eiseres] al dan niet een noodzaak had het perceel te verkopen vanwege de toetreding van twee nieuwe vennoten, zoals [eiseres] stelt, doet er dan ook niet toe, omdat

[eiseres] de overeenkomst met [bedrijf 3] op zichzelf wel had mogen sluiten, maar zij Bouwfonds had moeten informeren over de onjuiste kadastrale registratie. De rechtbank is derhalve van oordeel dat voor zover het door Bouwfonds gelegde beslag al onrechtmatig zou zijn – wat de rechtbank verder in het midden laat – de (gevorderde) schade die [eiseres] als gevolg daarvan heeft geleden, vanwege eigen schuld geheel voor haar eigen rekening dient te komen.

4.2. Het betoog van [eiseres] dat zij er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat het beslag op korte termijn zou worden opgeheven, gelet op het arbitraal tussenvonnis van

26 mei 2006, maakt voornoemd oordeel niet anders. Het had op de weg van [eiseres] gelegen toen zij de overeenkomst met [bedrijf 3] aanging, op grond waarvan zij het perceel vrij van beslag moest leveren, om – los van de inhoud van dit arbitraal tussenvonnis – Bouwfonds mede te delen dat Bouwfonds het beslag ten onrechte had gelegd ten laste van Jawel Bouw op het vermeende aandeel van Jawel Bouw in het perceel van

[eiseres].

Mr. Van Langevelde heeft Bouwfonds in zijn brieven van 1 september 2006 en

17 november 2006 weliswaar gesommeerd het beslag op te heffen, maar hij heeft die sommatie niet gebaseerd op de onjuiste kadastrale registratie en het reeds op die grond ten onrechte leggen van beslag door Bouwfonds ten laste van Jawel Bouw op het vermeende aandeel van Jawel Bouw in het perceel van [eiseres]. Bovendien blijkt niet dat

mr. Van Langevelde deze brieven namens (de vennoten van) [eiseres] heeft geschreven.

In de brief van 1 september 2006 heeft mr. Van Langevelde immers expliciet vermeld dat hij de brief namens [bedrijf 1] en diens vennoten schreef. In de brief van

17 november 2006 heeft hij niets gezegd over de cliënt(en), namens wie hij de brief schreef, maar uit de titel van de brief – “Inzake: Aan de Stegge/Bouwfonds Property Finance B.V.” – en de verwijzing in de brief naar de brief van 1 september 2006, volgt dat hij ook de brief van 17 november 2006 namens [bedrijf 1] en haar vennoten heeft geschreven. Het betoog van [eiseres] dat [bedrijf 1] reeds met Bouwfonds correspondeerde en daarom ook penvoerder was over de schade die (de vennoten van) [eiseres] had(den) geleden als gevolg van het door Bouwfonds gelegde beslag en dat [bedrijf 1] bovendien gevolmachtigd was om namens (de vennoten van) [eiseres] op te treden, ziet voorbij aan de kern dat niet (namens)

[eiseres] aan Bouwfonds duidelijk is gemaakt dat Bouwfonds rekening diende te houden met de specifieke belangen van [eiseres]. Als mr. Van Langevelde in deze brieven mede namens (de vennoten van) [eiseres] met Bouwfonds correspondeerde, had hij dit en het belang van [eiseres] bij opheffing van het beslag kenbaar moeten maken aan Bouwfonds.

4.3. Ten slotte heeft [eiseres] aangevoerd dat als (de vennoten van) [eiseres] al niet voldaan zouden hebben aan hun schadebeperkingsplicht, Bouwfonds geen beroep kan doen op de eigen schuld van (de vennoten van) [eiseres]. Bouwfonds was namelijk volgens [eiseres] in de gelegenheid om de schade zelf te voorkomen of te beperken door raadpleging van het zogenoemde brondocument, dat zij via het kadaster had kunnen opvragen, maar wat zij niet heeft gedaan. In dat brondocument staat volgens [eiseres] vermeld dat Ruimte voor Ruimte C.V. het perceel heeft verkocht en geleverd en dat Jawel Ontwikkeling als een van de vennoten van [eiseres] dit perceel heeft verkregen. Daaruit zou Bouwfonds dus hebben kunnen opmaken dat Jawel Bouw ten onrechte als eigenaar van het perceel in het kadaster stond vermeld.

Bouwfonds heeft in reactie hierop aangevoerd dat zij gerechtvaardigd vertrouwd heeft op de door het kadaster verstrekte gegevens en dat zij daar redelijkerwijs ook op mocht vertrouwen. Zij betoogt dat de informatie in het kadaster voor haar geen aanleiding gaf om het brondocument op te vragen.

4.4. De rechtbank laat in het midden of het op de weg van Bouwfonds had gelegen om het brondocument via het kadaster op te vragen. Als dat namelijk al zo zou zijn, dan weegt die verplichting van Bouwfonds niet op tegen de verplichting die [eiseres] had om Bouwfonds te informeren over de onjuiste kadastrale registratie. De rechtbank gaat derhalve voorbij aan het betoog van [eiseres] dat Bouwfonds geen beroep op eigen schuld van [eiseres] mag doen, omdat Bouwfonds zelf in de gelegenheid zou zijn geweest om de schade te voorkomen of beperken.

4.5. De conclusie van het hiervoor overwogene is dat voor zover Bouwfonds al onrechtmatig jegens (de vennoten van) [eiseres] zou hebben gehandeld door beslag te leggen ten laste van Jawel Bouw op het perceel van [eiseres], de schade die daaruit voortvloeit vanwege eigen schuld geheel voor rekening van [eiseres] dient te komen.

De rechtbank zal de vorderingen van [eiseres] daarom afwijzen.

4.6. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Bouwfonds heeft de rechtbank verzocht om [eiseres] in verband met de kwade trouw van [eiseres] – in afwijking van de liquidatietarieven – een hogere proceskostenveroordeling op te leggen. De rechtbank overweegt dat er slechts onder buitengewone omstandigheden aanleiding bestaat om van het liquidatietarief af te wijken. Of er in de onderhavige zaak al dan niet sprake is van dergelijke buitengewone omstandigheden kan in het midden blijven, nu Bouwfonds niet heeft aangegeven wat de omvang van die hogere proceskostenveroordeling moet zijn. De kosten aan de zijde van Bouwfonds worden derhalve zoals gebruikelijk begroot op:

- vast recht EUR 4.784,00

- salaris advocaat 10.000,00 (5,0 punt × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 14.784,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Bouwfonds tot op heden begroot op EUR 14.784,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, mr. M.J. Slootweg en mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2010.

JvdL