Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL7119

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
266594 / HA ZA 09-1038
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over advocatendeclaraties. Rechtbank onbevoegd. Gelet op artikel 35 WTBZ en Hoge Raad 12 oktober 2001, NJ 2002, 165, is de rechtbank ook onbevoegd ten aanzien van in de declaraties opgenomen verschotten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 266594 / HA ZA 09-1038

Vonnis van 10 maart 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE RIJK VAN DE WESTERLO ADVOCATEN B.V.,

gevestigd te Helmond,

eiseres,

advocaat mr. M.J.P.M. van de Westerlo,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. S. Demirtas.

Partijen zullen hierna Van de Westerlo en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 7 oktober 2009;

• de akte ter rolle van Van de Westerlo van 18 november 2009

• de antwoord-akte van [gedaagde] van 30 december 2009;

• het tussenvonnis van 27 januari 2010, waarin het verzoek van [gedaagde] om alsnog hoger beroep toe te staan tegen het tussenvonnis van 7 oktober 2009 is afgewezen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. [gedaagde] is in zijn antwoord-akte (alinea's 5 tot en met 9) nader ingegaan op zijn primaire verweer en op hetgeen de rechtbank daarover in het tussenvonnis heeft beslist. Partijen zijn door de rechtbank echter alleen verzocht zich uit te laten over enkele specifieke punten die geen betrekking hebben op dit primaire verweer. De rechtbank zal hetgeen [gedaagde] in voornoemde alinea's heeft aangevoerd dan ook buiten beschouwing laten.

2.2. In het tussenvonnis van 7 oktober 2009 heeft de rechtbank reeds beslist dat de vordering van Van de Westerlo zal worden toegewezen tot een bedrag van EUR 7.500,-- ter zake van onverschuldigde betaling. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het verweer van [gedaagde], inhoudend dat de kosten van rechtsbijstand van Van de Westerlo veel te hoog zijn en hij niet kan vaststellen of de gedeclareerde werkzaamheden en kosten noodzakelijk waren, ziet op de hoogte van de declaraties, op welk geschil de artikelen 32-40 WTBZ van toepassing zijn. In verband daarmee heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank om zich ten aanzien van dit geschil onbevoegd te verklaren. Daarbij zijn partijen verzocht een standpunt in te nemen over de vraag of de in 4.11 van het tussenvonnis vermelde kosten van Van de Westerlo vallen onder de reikwijdte van het begrip “salaris” in de zin van artikel 32 WTBZ. Tenslotte heeft de rechtbank in het tussenvonnis partijen in overweging gegeven om, vooruitlopend op de door hen te nemen akten, het dossier van Van de Westerlo met betrekking tot de letselschadezaak van [gedaagde] door mr. Demirtas te laten bekijken. Afhankelijk daarvan zou [gedaagde] vervolgens in zijn antwoordakte hebben kunnen aangeven of en zo ja, op welke gronden hij zijn verweer handhaaft dat de kosten van rechtsbijstand te hoog zijn.

2.3. Uit de door partijen ingediende akten blijkt dat partijen wel de intentie hebben gehad om het dossier met betrekking tot de letselschadezaak van [gedaagde] door mr. Demirtas te laten bekijken, maar dat het daar om diverse redenen nog niet van is gekomen. Om proceseconomische redenen houdt de rechtbank het er voor dat [gedaagde] zijn verweer handhaaft dat de kosten van rechtsbijstand te hoog zijn. Met uitzondering van de in 4.11 van het tussenvonnis vermelde kosten (zie ook 2.3 hierna) stellen partijen zich op het standpunt dat de rechtbank met betrekking tot het geschil over de hoogte van de declaraties onbevoegd is en dat dit geschil aan de Raad van Toezicht dient te worden voorgelegd. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

2.4. Van de Westerlo vordert vergoeding ter zake van de kosten die hij heeft gemaakt in het kader van de procedure tegen London (griffierecht en procureurskosten) alsmede terzake van de facturen van NRL en de medisch adviseur. Voornoemde kostenposten worden ook wel aangeduid met de term verschotten. Desgevraagd stellen partijen zich op het standpunt dat deze verschotten niet vallen onder het begrip salaris in de zin van artikel 32 WTBZ. Dit standpunt is juist. Gelet op de tekst van deze bepaling, bezien in samenhang met artikel 30 van de WTBZ, is met salaris het honorarium van de advocaat bedoeld. Nadere bestudering van de WTBZ en de rechtspraak brengt de rechtbank echter tot de conclusie dat de Raad van Toezicht deze kosten ook bij de begroting van declaraties dient mee te wegen. De rechtbank licht dit als volgt toe. Indien een advocaat met de begroting van de Raad van Toezicht geen genoegen neemt of de cliënt weigerachtig blijft het door de Raad van Toezicht begrote bedrag te betalen, kan de rechtbank worden verzocht de declaraties te begroten (artikelen 33-35 WTBZ). Daarbij dient de rechter lid 2 van artikel 35 WTBZ toe te passen, dat als volgt luidt:

Hij slaat bij de begrooting acht op de omstandigheid, of de gemaakte kosten en verschotten en de gedeclareerde vacatiën, naar den aard der zaak, nuttig, doelmatig of noodig kunnen geacht worden, of door den cliënt zijn verlangd, en wijzigt, roijeert of vermindert de zoodanige, welke daarbij geoordeeld worden overbodig te zijn, of de palen eener billijke gematigdheid te overschrijden, daarbij in aanmerking nemende het gewigt der zaak, en de moeijelijkheid die zij mogt hebben opgeleverd.

Deze bepaling verwijst expliciet naar verschotten. Niet alleen de rechter maar ook de Raad van Toezicht dient bij het begroten van declaraties te handelen met inachtneming van deze bepaling (Hoge Raad 12 oktober 2001, NJ 2002, 165). Gelet hierop concludeert de rechtbank dat de Raad van Toezicht ook de verschotten bij de begroting van declaraties dient mee te wegen. De exclusieve bevoegdheid van de Raad van Toezicht, voortvloeiend uit de artikelen 32-40 WTBZ, omvat dus tevens deze kostenposten. Daarom zal de rechtbank zich ook ten aanzien van de vordering van Van de Westerlo, voor zover deze zich tot de hoogte van de gedeclareerde verschotten uitstrekt, onbevoegd verklaren.

2.5. Van de Westerlo vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van EUR 99,-- terzake van het griffierecht in verband met het verzoekschrift tot het leggen van beslag en tot betaling van de met dat beslag samenhangende deurwaarderskosten (EUR 211,28). Deze vorderingen zijn gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden in totaal begroot op EUR 310,28.

2.6. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten (waaronder de gevorderde nakosten dienen te worden begrepen) worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Van de Westerlo te betalen een bedrag van EUR 7.500,00 (zevenduizendvijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 11 november 2008 tot de dag van betaling,

3.2. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 310,28,

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.5. verklaart zich ten aanzien van het meer of anders gevorderde onbevoegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op

10 maart 2010.