Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL6027

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
651938 UE VERZ 09-1934
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemer verzoekt ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst, nadat tussen hem en zijn werkgever een geschil is ontstaan over zijn bonus- en exitregeling. Werknemer verzoekt om toekenning van een hoge correctiefactor. Overwogen wordt dat het bepaalde in artikel 7:685 lid 8 BW het toekenning van een vergoeding mogelijk maakt, ook al hebben partijen een uitgebreide exit-regeling in de arbeidsovereenkomst opgenomen. In casu wordt een geringe vergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 651938 UE VERZ 09-1934 IV

beschikking d.d. 22 februari 2010

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verzoeker],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. K.W.M. Bodewes,

tegen:

de naamloze vennootschap

Finles N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Finles,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. J.P.R. Scholten.

1. Het verloop van de procedure

[verzoeker] heeft op 8 september 2009 een verzoekschrift ingediend.

Finles heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is ter zitting van 2 november 2009 behandeld.

Daarvan is aantekening gehouden.

Ter zitting hebben partijen afgesproken onder leiding van een mediator te trachten tot een vergelijk te komen. Bij brief van 21 januari 2010 heeft [verzoeker] laten weten dat de mediation zonder regeling is beëindigd. Vervolgens is uitspraak bepaald op heden.

1. De feiten

1.1. [verzoeker], geboren op [1965], is op 1 april 2006 bij Finles in dienst getreden als Director Client Relations & Business Development. Het laatstgenoten brutoloon bedraagt € 5.951,00 bruto per maand exclusief 8% vakantiebijslag en 2% eindejaaruitkering, een winstdeling- en een bonusregeling.

1.2. In de arbeidsovereenkomst is een bonus/exitregeling opgenomen.

In artikel 3.4. van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat Finles een voorschotbonus ontvangt van € 3.500,00 per maand vanaf 1 april 2006, welke is gegarandeerd tot 1 oktober 2007. De uitgekeerde maandelijkse bonusbedragen worden in mindering gebracht op de jaarlijks vast te stellen en uit te keren bonus. De wijze waarop de bonus berekend dient te worden is opgenomen in de artikelen 3.5, 3.6 en 3.7 van de arbeidsovereenkomst.

1.3. De exitregeling (artikel 3.8 van de arbeidsovereenkomst) is van toepassing bij iedere vorm van vrijwillig of gedwongen beëindiging van het dienstverband, inclusief pensionering, arbeidsongeschiktheid of overlijden (…).

1.4. Bij email van 1 mei 2009 legt Finles aan [verzoeker] een voorstel ter zake een nieuwe provisieregeling 2009 en aan aangepaste exitregeling voor. In het begeleidende schrijven deelt Finles mee dat zij beide zaken in combinatie wenst te regelen met de afwikkeling van de provisie over 2008, waarover partijen in principe een compromis van

€ 60.000,00 hebben bereikt.

1.5. Bij email van 16 mei 2009 stuurt [verzoeker] aan Finles een (eigen) voorstel voor de provisieregeling 2009.

1.6. Bij brief van 21 mei 2009 reageert [verzoeker] op de voorgestelde regelingen. Hij concludeert dat het voorstel van Finles een verduidelijking van exitregeling en een versimpeling van de berekening van de bonus inhoudt, hetgeen in lijn is met bestaande afspraken. Tevens concludeert [verzoeker] dat er sprake is van een verslechtering in overige condities. Dit is volgens [verzoeker] niet in lijn met de gemaakte afspraken. [verzoeker] verzoekt om een aangepaste provisieregeling 2009 en een aangepast voorstel voor de exitregeling, zonder de voorwaarde dat deze in combinatie geaccepteerd moeten worden.

1.7. In een email van 22 mei 2009 van 12.50 uur refereert [verzoeker] aan een gesprek op 21 mei 2009 en deelt hij mee akkoord te zijn met de provisieregeling 2009, met dien verstande dat er een nog een realistisch target voor 2009 geformuleerd dient te worden. Tevens deelt [verzoeker] mee dat hij niet akkoord gaat met de exitregeling.

1.8. Bij email van 22 mei 2009 van 13.55 uur deelt [verzoeker] dat hij zich ‘door de situatie naar voelt en zich ziek meldt’.

1.9. Bij brief van 4 juni 2009 constateert [verzoeker] dat door toedoen van Finles sprake is van een onomkeerbaar dieptepunt. Omdat [verzoeker] geen vertrouwen meer heeft in een vruchtbare samenwerking stelt hij voor te komen tot een beëindigingregeling.

1.10. In reactie hierop bericht Finles per email van 17 juni 2009 niets te voelen voor een grote afkoopsom. Finles stelt voor te komen tot goede werkafspraken. Voorts wijst Finles [verzoeker] erop dat Finles niet alleen te veel voorschotprovisie over 2008 heeft ontvangen, maar dat ook over 2009 een correctie op de uitbetaalde voorschotbedragen moet plaats vinden. Aangekondigd wordt dat de in 2009 betaalde voorschotten teruggevorderd worden.

1.11. Bij brief van 25 mei 2009 deelt Finles [verzoeker] onder meer mee dat er over 2008 een bedrag ad € 26.937,00 te veel aan [verzoeker] is uitgekeerd. Finles verzoekt [verzoeker] om aan te geven binnen welke termijn Finles dit bedrag terug kan zien. Voorts deelt Finles aan [verzoeker] mee dat vanaf juni 2009 het maandelijkse provisievoorschot van € 3.500,00 komt te vervallen.

1.12. Bij brief van 19 juni 2009 deelt Finles aan [verzoeker] mee dat zij nog geen terugbetalingvoorstel mocht ontvangen. Tevens deelt Finles mee dat de provisie met betrekking tot 2009 met grote mate van zekerheid op nihil zal uitkomen. Ook verzoekt zij [verzoeker] per direct het te veel betaalde voorschotbedrag ad € 8.400,00 netto terug te betalen.

1.13. Bij brieven van 9 en 27 juli 2009 deelt Finles mee dat indien zij de te veel ontvangen bedragen niet binnen 5 werkdagen heeft ontvangen, de vordering uit handen wordt gegeven.

1.14. Op verzoek van [verzoeker] heeft UWV op 21 juli 2009 een deskundigenoordeel gegeven met betrekking tot de vraag of de werkgever zich voldoende inspant om [verzoeker] te re-integreren. UWV is van oordeel dat Finles niet genoeg doet om [verzoeker] weer aan het werk te helpen. Van belang is dat Finles niet bereid is mee te werken aan mediation.

1.15. Bij brief van 29 juli 2009 stelt [verzoeker] wederom mediation voor.

1.16. Op 14 augustus 2009 wordt [verzoeker] hersteld verklaard en voor de duur van een in te gaan mediationtraject op non-actief gesteld.

1.17. Op 19 augustus 2009 vindt er een gesprek plaats tussen [X] en [verzoeker]. Bij email van dezelfde dag deelt [X] aan [verzoeker] mee dat Finles in ernstige liquiditeitscrisis verkeert. Tevens deelt [X] aan [verzoeker] mee dat hij hem 24 augustus 2009 weer op het werk verwacht.

1.18. Bij email van 19 augustus 2009 meldt [verzoeker] zich opnieuw ziek.

1.19. Bij email van 24 augustus 2009 betwist Finles dat [verzoeker] ziek is. De ziekmelding vat Finles op als werkweigering.

1.20. Vanaf 1 september 2009 betaalt Finles geen salaris meer aan [verzoeker].

2. Het verzoek

2.1. [verzoeker] verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen, bestaande uit verandering van omstandigheden.

2.2. [verzoeker] stelt dat er tussen partijen een conflict is ontstaan, toen Finles de bonus- en exit-regeling eenzijdig wenste te wijzigen. Voordien waren de verhoudingen tussen partijen uitstekend. [verzoeker] was zelfs bereid een compromis over 2008 te sluiten, zonder dat hij hiertoe gehouden was. [verzoeker] wilde duidelijkheid over de bonusregeling 2009, maar was niet uit op een conflictsituatie. Voorts stelt [verzoeker] dat Finles nimmer bereid is geweest mediation aan te gaan. Finles heeft gedreigd met incasso’s, stopzetten van het maandelijkse bonusvoorschot, het salaris en dreigen met een ontslagaanvraag via het UWV. Aldus heeft Finles gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap. Om deze reden is er plaats voor toekenning van een billijkheidsvergoeding naast de exit-regeling, omdat de exit-regeling geen vergoeding in houdt voor de onzorgvuldige bejegening. [verzoeker] verzoekt om toekenning van een vergoeding gebaseerd op C=2, zijnde een bedrag ad € 80.368,64 bruto en rekening te houden met één opzegtermijn van één maand.

3. Het verweer

3.1. Finles betwist dat er tussen partijen een conflict is ontstaan. Finles heeft slechts een wijziging voorgesteld van de manier van uitbetalen van de in de arbeidsovereenkomst opgenomen exit-regeling. Vanwege de economische malaise in de financiële wereld, heeft Finles voorgesteld de exit-regeling niet ineens, maar in termijnen te mogen uitkeren. Voorts is er in mei 2009 eveneens discussie geweest over de bonusregeling 2008. In tegenstelling tot hetgeen [verzoeker] stelt, was de bonusregeling telkens voor een jaar vastgesteld, de laatste keer tot 31 december 2008. Desalniettemin had [verzoeker] eind december 2008 al eenzijdig uitgerekend hoe hoog zijn bonus over dat jaar zou uitvallen. Hierbij had [verzoeker] de cijfers uit het derde kwartaal 2008 geëxtrapoleerd naar het vierde kwartaal. Het laatste kwartaal 2008 bleek echter voor Finles een dieptepunt te zijn, ten gevolge waarvan een veel lagere bonus aan [verzoeker] uitgekeerd zou worden. Finles was wel degelijk bereid om mediation aan te gaan, maar met het oog op terugkeer en niet met het oog op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Indien de arbeidsovereenkomst ontbonden wordt, is er geen plaats voor toekenning van een andere vergoeding dan de overeengekomen exit-regeling.

4. De beoordeling

4.1. Nu [verzoeker] zelf ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst verzoekt en overigens gebleken is dat de relatie tussen partijen inmiddels verstoord is, wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden. De kern van het geschil betreft dan ook uitsluitend de vraag of [verzoeker] - naast de in de arbeidsovereenkomst overeengekomen exit-regeling - aanspraak kan maken op een billijkheidsvergoeding. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:685 lid 8 BW kan de rechter, indien hij het ontbindingsverzoek inwilligt wegens verandering van omstandigheden, zo hem dat met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt, aan een van de partijen ten laste van de wederpartij een vergoeding toekennen. Dit betekent dat de kantonrechter bevoegd is, zelfs indien partijen een exit-regeling overeen zijn gekomen, een vergoeding naar billijkheid vast te stellen. De stelling van Finles dat de exit-regeling in de plaats komt van de vergoeding als bedoeld in artikel 7:685 lid 8 BW wordt derhalve verworpen.

4.2. [verzoeker] stelt dat een vergoeding van C=2 in casu gerechtvaardigd is. Voor toekenning van een vergoeding gebaseerd op C=2 moet vast staan dat de werkgever ernstig tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst dan wel anderszins in strijd met het bepaalde in artikel 7:611 BW heeft gehandeld. [verzoeker] stelt dat Finles bewust heeft aangestuurd op een conflict, door de bonus over 2008 en 2009 neerwaarts bij te stellen en vervolgens ook nog de exitregeling te willen aanpassen. Vervolgens heeft Finles - toen het conflict gerezen was - geweigerd mee te willen werken aan de oplossing van dat conflict.

4.3. Vast staat dat tussen partijen begin 2009 een debat is ontstaan over de bonus 2008 en 2009. Aanleiding voor dit debat was de door [verzoeker] gemaakte berekening van de hem toekomende bonus over 2008, in relatie tot het in 2008 behaalde resultaat en de financieel/bedrijfseconomische situatie van Finles. Bij het maken van deze berekening heeft [verzoeker] gebruik gemaakt van de geëxtrapoleerde cijfers tot en met september 2008. Een en ander heeft geleid tot de wens van Finles om de met [verzoeker] overeengekomen bonus- en exitregeling tegen het licht te houden. Anders dan [verzoeker] stelt is de kantonrechter van oordeel dat Finless, enkel door het uiten van deze wens en het met [verzoeker] in overleg treden teneinde een voor beide partijen bevredigende regeling te bereiken, niet conflictueus heeft gehandeld. Dat [verzoeker] dit anders heeft ervaren, leidt niet tot een ander oordeel. Immers, zonder nadere toelichting die evenwel ontbreekt, is onduidelijk waarom [verzoeker] niet bereid was verder te onderhandelen, teneinde ook over de exitregeling definitieve overeenstemming te bereiken. Naar het oordeel van de kantonrechter kon van [verzoeker], gelet op zijn hoge en verantwoordelijke positie binnen Finles redelijkerwijs verwacht worden dat hij niet alleen rekening hield met zijn eigen gerechtvaardigde belangen, maar ook met die van Finles.

4.4. Voorts is gebleken dat de ziekmelding van [verzoeker] bij Finles niet in goede aarde is gevallen. Wat hier verder ook van zij, vast staat dat de Arbodienst van Finles [verzoeker] tot 13 juli 2009 arbeidsongeschikt achtte. Nadien was er geen sprake van medische maar situatieve arbeidsongeschiktheid. Zonder enige vorm van overleg deelt (de gemachtigde van) [verzoeker] bij brief van 4 juni 2009 Finles mee, dat ‘door haar toedoen een onomkeerbaar dieptepunt is ontstaan’ en wordt - onverwacht - voorgesteld om te komen tot een beëindigingregeling. Uit de reactie hierop (productie 20 bij verzoekschrift) volgt dat dit voorstel in de ogen van Finles prematuur is. Immers, volgens Finles was er geen sprake van een conflict, maar van een zakelijk geschil dat opgelost kon worden. Vanaf dat moment is er sprake van een escalerend geschil, waar zowel de opstelling en beschuldigende toon van [verzoeker], als het eenzijdig wijzigen van de arbeidsvoorwaarden van [verzoeker], debet aan zijn geweest.

4.5. Partijen hadden het tij nog kunnen keren, indien zij gevolg zouden hebben gegegeven aan het advies van de Arbodienst om een mediationtraject in te gaan. Dit is echter niet gelukt omdat [verzoeker] onder leiding van een mediator wilde praten over een ‘totaal oplossing’, terwijl Finles aangaf te willen praten over re-integratie. Met [verzoeker] is de kantonrechter van oordeel dat het bereiken van een totaaloplossing de voorkeur verdiende. De opstelling van Finles verdient dan ook niet de schoonheidsprijs. Dit in combinatie met het eenzijdig genomen besluit van Finles om de bonussen terug te vorderen en de bevoorschotting per 1 juni 2009 stop te zetten rechtvaardigt een billijke vergoeding. Deze vergoeding is hier niet bedoeld ter compensatie van toekomstige inkomensschade, omdat de tussen partijen vigerende exit-regeling hierin voorziet. Nu de aan [verzoeker] toe te kennen vergoeding uitsluitend bedoeld is ter genoegdoening acht de kantonrechter een bedrag van

€ 25.000,00 billijk. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.

4.6 Nu een lagere vergoeding wordt toegekend dan is verzocht en Finles geen tegenverzoek heeft ingediend, dient [verzoeker] in de gelegenheid te worden gesteld het verzoek in te trekken.

4.7. Gelet op de aard van de procedure worden de kosten gecompenseerd.

5. De beslissing

De kantonrechter

stelt [verzoeker] in de gelegenheid uiterlijk 1 maart 2010 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 maart 2010;

kent aan [verzoeker] ten laste van Finles een vergoeding toe van € 25.000,00 bruto en veroordeelt Finles tot betaling van deze vergoeding aan [verzoeker];

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

en voor het geval het verzoek tijdig wordt ingetrokken:

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten aan de zijde van Finles, tot de uitspraak van deze beschikking begroot op

€ 400,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.M. Vanwersch, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2010.