Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL5441

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-01-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
16-600804-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden. Dit voor onder andere poging tot oplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600804-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 januari 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1953] te [geboorteplaats],

zonder bekend woon- of verblijfplaats in Nederland,

raadsman mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 januari 2010. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman mr. E.H. Bokhorst. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd medewerkers van de [bedrijf 1] te bewegen tot afgifte van geldbedragen door zich voor te doen als rechthebbende op die gelden;

Feit 2 en 4: gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst rijbewijs alsof dat rijbewijs niet vals of vervalst was;

Feit 3: een medewerker van de [bedrijf 2] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag door zich voor te doen als rechthebbende op dat geldbedrag.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangiften en getuigenverklaringen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 3 en 4 en heeft daartoe het volgende bepleit. Nergens blijkt dat verdachte zich heeft uitgegeven voor [naam]. Het bewuste rijbewijs zit niet in het dossier. Voorts levert feit 2 een ééndaadse samenloop op met feit 1 en levert feit 4 een ééndaadse samenloop op met feit 3.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak:

Het rijbewijs dat genoemd wordt in het onder 4 ten laste gelegde feit is niet in kopie aan het dossier toegevoegd, er is geen onderzoeksrapport over opgemaakt en uit de aangifte blijkt niet welke foto op het rijbewijs was aangebracht. Uit de bewijsmiddelen volgt dientengevolge niet dat het rijbewijs niet is afgegeven door het bevoegde gezag en/of dat de op het rijbewijs aangebrachte foto niet de persoon is wiens personalia op dat rijbewijs staan vermeld.

De rechtbank acht daarom niet wettig bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan.

De raadsman heeft betoogd dat feit 1 en 2 een ééndaadse samenloop betreffen.

De rechtbank volgt het betoog van de raadsman niet en overweegt daartoe dat het strafbaarstellen van een “poging tot oplichting” en het strafbaarstellen van “opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid Sr, als ware het echt en onvervalst” verschillende belangen dienen, zodat zij naast elkaar in de vorm van meerdaadse samenloop ten laste kunnen worden gelegd.

De rechtbank acht het feit tenlaste gelegd onder 1 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie;

- de aangifte van [getuige 1];

- de getuigenverklaring van [getuige 2];

- het onderzoek van de politie naar het rijbewijs, waaruit blijkt dat het rijbewijs vervalst is .

De verdachte heeft verklaard dat hij op 20 juli 2009 in Houten was om een bedrag van ongeveer € 46.000,- over te maken naar een andere rekening. De rekeningen waren niet van hem, net zo min als het rijbewijs van hem was. Verdachte heeft verklaard te begrijpen dat hij zich aan oplichting schuldig maakte, omdat hij geld wilde overmaken met een rijbewijs dat niet van hem was . Verdachte moest geld overmaken naar een rekening in [plaats]. Hij zou 10% van het overgeboekte geld krijgen. Het geld voor de overboeking kwam van de rekening van de persoon van wie hij het rijbewijs bij zich had . Verdachte had twee pasfoto’s van hemzelf aan ene [betrokkene 1] gegeven. Verdachte kreeg (vervolgens) van die [betrokkene 1] het rijbewijs. Verdachte had gezien dat het niet zijn gegevens waren die op het rijbewijs stonden . Verdachte heeft het rijbewijs met de factuur van [bedrijf 3] aan de medewerker van de bank gegeven met het verzoek tot een spoedboeking .

De bekennende verklaring van verdachte wordt ondersteund door de aangifte van bankmedewerker [getuige 1] en getuige [getuige 2] .

De rechtbank acht het feit tenlaste gelegd onder 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie, zoals hierboven is weergegeven;

- de getuigenverklaring van [getuige 2] (zie noot 7);

- het onderzoek van de politie naar het rijbewijs, waaruit blijkt dat het rijbewijs vervalst is (zie noot 1).

De rechtbank acht het feit ten laste gelegd onder 3 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de aangifte van bankmedewerker [aangever 1]

- de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie;

Aangeefster [aangever 1] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Op 3 juli 2009 kwam een man de [bedrijf 2] in Biddinghuizen binnen die mij vertelde dat hij € 4.500,- wilde opnemen. Ik vroeg hem zijn legitimatie en hij toonde mij een rijbewijs. Ik heb het rijbewijsnummer 3195156881genoteerd. Het sofinummer in mijn computer was identiek aan het sofinummer op het rijbewijs. De geboortedatum was 12-04-1940. Uit de computer bleek dat het om [naam], geboren d.d. 12-04-1940 te [geboorteplaats] ging.

Er kon maximaal € 2.500,- opgenomen worden . De man vond dat goed en ik heb hem

€ 2.500,- gegeven. De man die het geld aannam had een kaal hoofd. Later diezelfde dag kwam een meneer [naam] bij een filiaal van de bank omdat er geld was opgenomen van zijn rekening en hij dat geld niet had opgenomen. Die meneer [naam] overhandigde zijn rijbewijs met nummer 3165766086. Die man was niet kaal .

De verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie, ondersteunt de aangifte. Verdachte heeft namelijk, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

Gelet op de foto die u mijn toont zal ik op 3 juli 2009 in die bank in Biddinghuizen aanwezig zijn geweest . Ik heb daar geld op opgenomen, niet op eigen naam. Ik heb een rijbewijs gekregen en mijn werk gedaan . Ik heb € 500,- gekregen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 20 juli 2009 te Houten ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam medewerkers van de [bedrijf 1] te bewegen tot de afgifte van geldbedragen, met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid zich in dat filiaal tegenover die medewerkers van die bank heeft voorgedaan als zijnde de heer [betrokkene 2], de rechthebbende van de bankrekening met nummer 67.39.42.333 op naam van [bedrijf 3] en zich heeft gelegitimeerd met een vervalst rijbewijs op naam van [betrokkene 2] en die medewerkers van de [bedrijf 1] een (vervalste) factuur voorzien van factuurnummer 21453 betreffende de aankoop van appartementen heeft overhandigd met een factuurbedrag van 48.611,50 euro en vervolgens aan die medewerkers van de [bedrijf 1] opdracht heeft gegeven om voornoemde factuur door middel van een spoedboekingsopdracht ten laste van voornoemde bankrekeningnummer te brengen en aan die medewerkers van de [bedrijf 1] een kasopname opdracht van een geldbedrag van 5.000,- euro van rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 3] heeft gegeven, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij op 20 juli 2009 te Houten opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst

rijbewijs op naam van [betrokkene 2], geboren op [1949] te [geboorteplaats] en

voorzien van het nummer [nummer] - zijnde een geschrift dat bestemd was om

tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte dit rijbewijs heeft gebruikt om zich bij de [bedrijf 1] te Houten te legitimeren en bestaande die vervalsing hierin dat de persoon op de op dat rijbewijs aangebrachte foto niet de persoon is wiens personalia op dat rijbewijs staan vermeld;

3.

hij op 03 juli 2009 te Biddinghuizen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid een medewerker van de [bedrijf 2] heeft bewogen tot de afgifte van een bedrag, te weten 2500 euro, hebbende verdachte met bovenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid zich in dat filiaal tegenover die medewerker van die bank voorgedaan als zijnde de tot de transactie bevoegde persoon van de bankrekening met nummer 34.81.23.337 op naam van [naam], hetgeen heeft geleid tot de afgifte door die medewerker van die bank van een bedrag van 2500 euro.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: poging tot oplichting;

Feit 2: opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;

Feit 3: oplichting

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede onttrekking aan het verkeer van een rijbewijs op naam van [betrokkene 2] en een rijbewijs op naam van [naam].

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft medegedeeld zich voor wat betreft de op te leggen straf te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft door middel van het aannemen van een valse identiteit dan wel valse naam en met gebruikmaking van een vals of vervalst identiteitsbewijs gepoogd medewerkers van banken te bewegen tot afgifte van grote sommen geld. In één geval is dit ook gelukt en is verdachte daadwerkelijk een geldbedrag overhandigd.

Dergelijke feiten schaden het vertrouwen in het financiële verkeer en berokkenen privé personen en banken financieel nadeel.

De rechtbank acht het noodzakelijk verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de door de officier van justitie gevorderde straf. Nu verdachte wordt vrijgesproken van feit 4, terwijl de officier van justitie is uitgegaan van een bewezenverklaring van dat feit, wordt een zwaardere straf opgelegd dan is gevorderd. Hiertoe heeft de rechtbank besloten omdat zij de bewezenverklaarde feiten dusdanig ernstig vindt dat zij een gevangenisstraf van 6 maanden gepast acht, te meer daar verdachte al eerder is veroordeeld wegens oplichting.

7. Het beslag

7.1. De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat de voorwerpen bij het onderzoek naar de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten zijn aangetroffen, terwijl ze dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

De voorwerpen behoren verdachte toe en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36d, 45, 57 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 4 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: poging tot oplichting;

Feit 2: opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;

Feit 3: oplichting

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de navolgende inbeslaggenomen voorwerpen:

- een rijbewijs op naam van [betrokkene 2]

- een rijbewijs op naam van [naam]

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 januari 2010.