Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL5404

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
SBR 09-218
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheid. Wajong. Beoordeling dient niet een jaar voor datum aanvraag te geschieden maar per datum einde wachttijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 09/218

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. A.M.P.M. Adank, advocaat te Mijdrecht

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde: F. Snatager

Inleiding

1.1 Bij besluit van 8 augustus 2008 heeft verweerder geweigerd om eiseres op en na 25 mei 2007 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

Bij besluit van 10 december 2008 heeft verweerder het door eiseres tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 14 januari 2010, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Bij de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wajong in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning, Stb. 2009, 580) is de Wajong aanzienlijk gewijzigd en hernoemd. De rechtbank gaat voor de behandeling van dit geding uit van de bepalingen van de Wet Wajong zoals zij luidden ten tijde hier in geding.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wajong is - voor zover hier van belang - arbeidsongeschikt de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is de voor hem in aanmerking komende arbeid te verrichten.

In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong, is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij 17 jaar wordt arbeidsongeschikt is.

Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wajong heeft de jonggehandicapte recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij onafgebroken 52 weken , onmiddellijk volgend op de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b bedoelde dag, arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van dat tijdvak nog arbeidsongeschikt is.

Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wajong gaat de arbeidsongeschiktheidsuitkering in op de dag, met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet.

Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de uitkering niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning van de uitkering werd ingediend. Het Uwv kan voor bijzondere gevallen hiervan afwijken.

2.2 Eiseres, geboren 6 augustus 1987, heeft zich op 25 mei 2008 tot verweerder gericht met het verzoek haar in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wajong.

2.3 Deze aanvraag heeft, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, geleid tot de hiervoor in de rubriek Inleiding genoemde besluitvorming waarbij verweerder heeft geweigerd om eiseres per 25 mei 2007 in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering omdat zij in staat wordt geacht inkomsten uit arbeid te verwerven.

2.4 Ter zitting heeft verweerders gemachtigde desgevraagd, onder verwijzing naar het verweerschrift en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 april 2008, LJN BD1411, toegelicht dat nu er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong, niet is overgegaan tot een beoordeling per aanvang en/of einde van de wachttijd (17e respectievelijk 18e jaar) maar per 25 juli 2007, te weten één jaar voor de datum van de aanvraag.

2.5 Dit uitgangspunt van verweerder is onjuist. Daargelaten de vraag of de reden van de late indiening van de aanvraag al dan niet kan worden aangemerkt als een bijzonder geval, dient de weigering van verweerder om eiseres een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen, inhoudelijk beoordeeld te worden op en na einde wachttijd, 6 augustus 2005. Uit de artikelen 5 en 6 van de Wajong volgt immers dat iemand om jonggehandicapt te zijn hetzij op zijn 17e verjaardag, hetzij na een jaar waarin hij minstens 6 maanden studerende was, arbeidsongeschikt moet zijn, waarna de jonggehandicapte recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft zodra hij onafgebroken 52 weken, onmiddellijk volgend op die dag, arbeidsongeschikt is geweest en dit na afloop van dat tijdvak nog is. Eerst nadat aldus is vastgesteld of er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wajong komt in voorkomende gevallen de beoordeling en toepassing van artikel 29, tweede lid, van die wet aan de orde.

2.6 Verweerder heeft de mogelijke arbeidsongeschiktheid van eiseres na afloop van die wachttijd niet beoordeeld. Hoewel de verzekeringsarts in het medische onderzoekverslag van 3 juli 2008 heeft vermeld dat het waarschijnlijk is dat eiseres op haar 18e verjaardag dezelfde klachten en problemen had als ten tijde van het onderzoek op 3 juli 2008, kan de rechtbank aan dit onderzoeksverslag, noch aan de medische rapportage in de bezwaarschriftprocedure van 9 december 2008 en het verhandelde ter zitting ontlenen dat de gezondheidstoestand van eiseres is beoordeeld per 6 augustus 2004 respectievelijk na 52 weken wachttijd per 6 augustus 2005. Het arbeidskundige aspect van de beoordeling heeft eveneens plaats gevonden naar de datum 25 juli 2007.

2.7 In de door verweerder genoemde uitspraak van de CRvB van 29 april 2008, ziet de rechtbank geen aanleiding om na vaststelling dat er geen sprake is van een bijzonder geval, onder toepassing van artikel 29 van de Wajong, 25 juli 2007 als datum van beoordeling te nemen. De omstandigheden, gelegen in het niet meer voorhanden zijn van de Arbeids Complexen Documentatie en het Functie Informatie Systeem, waaronder de CRvB in die zaak de mogelijkheid aanwezig achtte om de beoordeling een jaar voor de datum van de aanvraag te doen plaats vinden, doen zich in het onderhavige geval niet voor.

2.8 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder zijn weigering om eiseres naar aanleiding van haar aanvraag in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering heeft genomen in strijd met de hiervoor in nummer 2.5 genoemde bepalingen van de Wajong, waardoor het tevens is gebaseerd op een onjuiste feitelijke grondslag, reden waarom dit besluit in rechte geen stand kan houden. Aan een bespreking van de gronden van beroep komt de rechtbank dan ook niet toe.

2.9 Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

de rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 10 december 2008;

draagt verweerder op om binnen 13 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 39,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,- te betalen aan eiseres.

Aldus vastgesteld door mr. J.W. Willems, als rechter en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2010 .

De behandelend griffier De rechter:

is verhinderd de uitspraak

mede te ondertekenen

mr. J.W. Willems

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.