Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL5305

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
16-601039-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

zware poging doodslag, messteken en verwurgingshandelingen, huiselijk geweld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601039-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 januari 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1969] te [geboorteplaats],

verblijvende te PI Noord Holland, Huis van Bewaring Zwaag, De Compagnie 1.

raadsman mr. J. Bredius, advocaat te Zeist.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 januari 2010, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd -al dan niet met voorbedachten raad- [slachtoffer] van het leven te beroven.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op het volgende. Op grond van de aangifte van [slachtoffer] en haar aanvullende verklaring over wat er is gebeurd op 22 september 2009 alsmede de verklaring van de verdachte, kan bewezen worden dat verdachte het slachtoffer heeft gestoken met een mes. Op grond van de letselbeschrijving van [slachtoffer] en de aangifte kan ook bewezen worden dat verdachte de keel van het slachtoffer heeft dichtgeknepen. Met betrekking tot de vraag of verdachte een of meerdere vingers in de keel van het slachtoffer heeft gestoken, is de officier van justitie van oordeel dat het dossier daartoe onvoldoende bewijs biedt en dat verdachte daarvoor dient te worden vrijgesproken.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van voorbedachten raad, zodat de verdachte van het primair tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit is de verdediging van oordeel dat slechts de twee messteken bewezen kunnen worden, omdat onvoldoende bewijs aanwezig is voor het dichtknijpen/dichtdrukken van de keel van [slachtoffer] en het een of meerdere vingers in haar mond/keelholte drukken. De raadsman heeft aangevoerd dat de laatste twee punten door het slachtoffer alleen werden genoemd in haar aangifte, maar dat zij in haar latere verklaring heeft gezegd dat verdachte haar keel niet goed kon dichtknijpen vanwege het bloed. Nu technisch onderzoek ook geen aanvullend bewijs levert voor deze handelingen, dient verdachte hiervan te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

Op 22 september 2009 krijgen verbalisanten omstreeks 23:23 uur de melding van mogelijk huiselijk geweld in een woning aan de [adres] te Wijk bij Duurstede. Wanneer zij bij nummer 128 aankomen en de deur voor hen wordt opengedaan, treffen zij in deze woning een man aan met een bebloed T-shirt en een vrouw zittend op de bank in de woonkamer met haar kleding onder het bloed en een gat in haar borstkas. De vrouw, die [slachtoffer] blijkt te zijn, doet een dag later aangifte van hetgeen die avond is voorgevallen. Zij verklaart dat er al langere tijd problemen waren tussen haar en haar man omdat hij veel drinkt en erg agressief kan zijn wanneer hij onder invloed is. Een week daarvoor heeft ze hem verteld dat ze wilde stoppen met de relatie. Toen ze op 22 september 2009 thuiskwam van een vriendenbezoek en het uitlaten van de hond, kreeg ze een brief van de verdachte en begon hij haar uit te schelden en zei dat ze een ander had. Daarna pakte hij een mes uit de keuken, kwam op haar af en begon haar met opzet meerdere malen in haar lichaam te steken: een keer in haar linkerborst en een keer in haar buik. Toen het lemmet brak en hij niet verder kon steken, pakte hij haar keel beet en kneep die dicht om haar te laten stikken. Aangeefster verklaart dat ze bijna geen lucht kreeg, dat ze probeerde tegen te stribbelen en dat verdachte toen twee vingers in haar keel deed. Aangeefster verklaart voorts dat ze dacht dat ze dood ging, Ze was heel erg bang en heeft hard om hulp geschreeuwd. Verder heeft ze geprobeerd om de deur uit te rennen en om een raam te openen. Ook verklaart ze dat ze verdachte opdracht gaf 112 te bellen, wat hij –zij het na enige tijd– heeft gedaan.

De verklaring van aangeefster wordt op onderdelen bevestigd door de verklaring van getuige [getuige], woonachtig op het adres [adres]. Zij verklaart dat ze op de betreffend(e) datum en tijdstip in bed lag en dat ze plotseling veel en luid geschreeuw hoorde, afkomstig van een mannenstem, een vrouwenstem en een kinderstem. Ze hoorde dat het geluid uit het perceel 128 kwam en ze dacht dat er door iemand een raam werd geopend, omdat ze opeens woordelijk kon verstaan wat er werd gezegd. Ze hoorde een vrouwenstem die ze herkende als de stem van [slachtoffer] ([slachtoffer], zo begrijpt de rechtbank) op luide toon roepen: “[verdachte] niet doen!” “[verdachte] niet doen!” Ze hoorde haar luidkeels en meermalen om hulp roepen en hoorde een enorme paniek in de stem van [slachtoffer]. Ook hoorde ze dat het hulpgeroep van [slachtoffer] eerst duidelijk en daarna gesmoord klonk, alsof er iemand een hand over haar mond legde om te voorkomen dat ze om hulp zou roepen. Getuige [getuige] heeft gelijk 112 gebeld en zag even later de politie komen.

In het ziekenhuis wordt geconstateerd dat aangeefster twee steekverwondingen heeft opgelopen, één tegen het borstbeen en één net onder het borstbeen. De arts die aangeefster kort daarna in het ziekenhuis heeft onderzocht op letsel in haar hoofd-, hals- en nekgebied verklaart dat rechts in de hals- nekstreek met het blote oog met moeite een verkleuring is te zien . Wanneer de arts dit gebied nader onderzoekt met behulp van ultra-violet licht constateert hij zowel links als rechts aan weerszijden van de hals twee ronde en/of streepvormige onderhuidse bloedingen, variërend van anderhalf tot vier centimeter in diameter/lengte, zowel links als rechts gelokaliseerd bij de overgang van nek-hals naar romp en halverwege nek-hals. Zijn conclusie luidt dat er sprake is geweest van uitwendig geweld/kracht dat heeft geleid tot de beschreven onderhuidse bloedingen. Verder concludeert hij dat de bloedingen in de hals- nekstreek zeer waarschijnlijke met de handen/vingers zijn toegebracht. De bevindingen en conclusies van deze arts passen bij de door aangeefster afgelegde verklaring over de door verdachte op haar toegepaste geweldshandelingen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op de betreffende avond 10 tabletten Seroxat had ingenomen en alcohol had gebruikt en dat er op een bepaald moment bij hem iets is geknapt door de spanning die er al langere tijd tussen hem en zijn vrouw bestond. Van het gebeuren zelf weet hij nog maar heel weinig, maar hij herinnert zich nog dat hij op enig moment een gat ontdekte in het lichaam van zijn vrouw in de buurt van haar keel en dat hij bemerkte dat hij zelf onder het bloed zat.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte aangeefster met een mes in de borst en buik heeft gestoken, dat hij haar keel heeft dichtgeknepen en dat hij meerdere vingers in haar keelholte heeft gestoken. Voor wat betreft dit laatste onderdeel merkt de rechtbank op dat hetgeen aangeefster daaromtrent heeft verklaard steun vindt in de verklaring van getuige [getuige] die hoort dat de stem van aangeefster wordt gesmoord, alsof er iemand een hand op haar mond legt. De rechtbank overweegt voorts dat nu de overige door aangeefster beschreven handelingen van de verdachte passen binnen de letselbeschrijving en conclusies van de arts die haar heeft onderzocht en ook passen binnen de door de getuige gehoorde geluiden, zij geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster op dit punt.

De rechtbank acht niet bewezen dat er sprake is geweest van voorbedachten raad bij het handelen van verdachte. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot moord.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wel bewezen dat verdachte in een hevige impulsbeweging heeft geprobeerd zijn vrouw te doden. Deze impuls is mogelijk bij verdachte opgekomen door de gespannen situatie tussen verdachte en zijn vrouw. Het feit dat verdachte op dat moment zwaar onder invloed verkeerde van alcohol en antidepressiva waardoor natuurlijke remmingen vervagen, kan daarbij van invloed zijn geweest. Verdachte heeft betoogd dat het nooit zijn bedoeling is geweest zijn vrouw te doden. Naar het oordeel van de rechtbank spreken de opeenvolgende handelingen van de verdachte –het pakken van het mes, het steken, het daarna dichtknijpen van de keel en het stoppen van vingers in de keel– een duidelijke taal, namelijk dat zijn opzet op dat moment gericht was op het doden van zijn vrouw.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 22 september 2009 te Wijk bij Duurstede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

als volgt heeft gehandeld, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar:

- met een mes in de borst en de buik, in elk geval in het lichaam, van die [slachtoffer] gestoken en

- de keel van die [slachtoffer] dicht geknepen (waardoor zij geen lucht kon krijgen) en

- meerdere vingers in de keelholte van die [slachtoffer] gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Subsidiair: Poging tot doodslag

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht en uitgaande van de volledig toerekeningsvatbaarheid van verdachte, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, waarvan een half jaar voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering, uit te voeren door Centrum Maliebaan, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de behandeling van de agressie- en alcoholproblematiek van verdachte.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft uitvoerig betoogd dat de strafmaat bij een poging tot doodslag door middel van een scherp voorwerp zeer uiteenlopend is, maar dat het uitgangspunt van de rechtbank Dordrecht, 18 maanden gevangenisstraf, ook in deze zaak een goed uitgangspunt is. De raadsman heeft daarbij gewezen op het feit dat verdachte door middel van een brief zijn spijt heeft betuigd richting het slachtoffer en hun dochtertje.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat het psychiatrisch rapport betreffende de persoon van de verdachte d.d. 18 november 2009 niet aan de gestelde eisen voldoet, omdat het rapport is opgesteld door een basisarts die als psychiater in opleiding is. De conclusie met betrekking tot de mate van toerekenbaarheid van het gepleegde feit aan de verdachte is volgens de raadsman onjuist en dit vormverzuim dient tot strafvermindering te leiden. De raadsman verzoekt om de conclusie uit het rapport terzijde te stellen en zijn conclusie, inhoudende dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van het strafbare feit, daarvoor in de plaats te stellen. Tot slot verzoekt de raadsman om verdachte geen voorwaardelijk strafdeel op te leggen, omdat zijn recht op voorwaardelijke invrijheidstelling dan vervalt.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat de psychiatrische rapportage niet aan de eisen voldoet omdat die is opgesteld door een psychiater in opleiding, overweegt de rechtbank het volgende. De rapportage vermeldt onder het kopje ‘onderzoeksopzet’ dat het onderzoek met betrekking tot verdachte uit drie gesprekken bestond, waarbij de eerste twee gesprekken plaatsvonden tussen verdachte en drs. Marx, psychiater in opleiding. Bij het derde gesprek was ook supervisor drs. De Boer, psychiater NIFP, aanwezig. Voorts vermeldt de rapportage dat omtrent het onderzoek, de advisering en de beantwoording van de vragen uitvoerig overleg heeft plaatsgevonden tussen de supervisant en de supervisor, dat de verslaglegging werd verzorgd door de supervisant, maar dat de inhoud en conclusie van de rapportage de volledige instemming van de supervisor hebben. De rapportage is ondertekend door zowel drs. Marx als drs. De Boer. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de totstandkoming van de rapportage aan de voorgeschreven eisen voldoet. Het verweer van de raadsman dat het rapport onvoldoende deskundig is opgesteld, wordt dan ook verworpen.

De rechtbank ziet geen reden om de conclusie uit de rapportage, dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is, terzijde te stellen, zoals door de verdediging is betoogd. De rechtbank neemt deze conclusie van de psychiater dan ook over en maakt die tot de hare.

Verdachte heeft geprobeerd zijn (toenmalige) echtgenote van het leven te beroven door haar met een mes te steken en haar de adem te benemen. Dit is een zeer ernstig strafbaar feit, waarop in beginsel alleen een gevangenisstraf een passende en noodzakelijke straf is. In dit geval is er sprake geweest van een heel zware poging tot doodslag die grenst aan een poging tot moord, gelet op de door verdachte gepleegde opeenvolgende handelingen die ieder afzonderlijk, maar nog veel meer in de volgorde waarin hij deze handelingen op zijn slachtoffer heeft toegepast, tot haar dood hadden kunnen leiden. Hoewel de rechtbank op grond van hiervoor genoemde bewijsmiddelen tot het oordeel is gekomen dat sprake is geweest van een impuls bij de verdachte om zijn vrouw te doden en niet van een vooropgezet plan daartoe, merkt zij in het kader van de aan verdachte op te leggen straf wel op, dat verdachte zeer lang is doorgegaan met zijn handelingen en dat hij zelfs bij het breken van het mes in het lichaam van zijn slachtoffer niet tot bezinning is gekomen. Ook daarna heeft verdachte nog met wurggrepen en verstikkende bewegingen getracht om zijn slachtoffer dat al gewond was en hevig bloedde, van het leven te beroven. Dit weegt de rechtbank als strafverzwarende omstandigheid mee.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat het feit in huiselijke sfeer plaatsvond, gericht tegen zijn echtgenote terwijl in dezelfde woning hun dochtertje aanwezig was die door de geluiden die het incident veroorzaakte wakker werd. Duidelijk is dat het delict en de gevolgen enorme impact heeft op het leven van het slachtoffer. Allereerst heeft zij nog steeds last van de verwondingen die ze heeft opgelopen. Daarnaast heeft zij psychisch een klap gekregen van de gebeurtenissen, temeer daar haar dochtertje door de gebeurtenis uit huis is geplaatst en blijkens de slachtofferverklaring van aangeefster nog steeds niet bij haar moeder is teruggeplaatst. Onduidelijk is wat de handelingen van verdachte aan sporen zal achterlaten bij zijn dochter, maar de ervaring leert dat de impact van dergelijke gebeurtenissen op kinderen zeer groot is. Daarbij komt nog dat diverse buren door het bewezenverklaarde feit zijn opgeschrikt en dat dit feit ook voor de samenleving schokkend is en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg brengt.

De rechtbank weegt voorts nog mee, dat dit niet de eerste keer is dat verdachte -al dan niet onder invloed van alcohol- delicten pleegt, zoals is gebleken uit een recent uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte. Verdachte heeft het slachtoffer al eerder mishandeld. Verdachte wist dus waartoe hij, al dan niet onder invloed van alcohol, in staat was en desondanks heeft hij deze eerdere feiten niet aangegrepen om met zijn verslavingsproblematiek aan het werk te gaan. Ook dit neemt de rechtbank de verdachte zeer kwalijk.

De rechtbank merkt op dat verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde het alarmnummer 112 heeft gebeld waardoor het slachtoffer tijdig van medische hulp is voorzien. De rechtbank zal dit gegeven bij de strafbepaling meewegen in het voordeel van verdachte, naast het feit dat verdachte zich coöperatief heeft opgesteld tijdens het voorbereidend onderzoek en dat hij in een brief zijn spijt heeft betuigd aan het slachtoffer.

Tenslotte deelt de rechtbank het standpunt van de deskundige, dat een behandeling van verdachtes alcohol- en agressieproblematiek van groot belang is bij een terugkeer van verdachte in de maatschappij, zoals ook wordt verwoord in het rapport van Centrum Maliebaan d.d. 24 november 2009. De rechtbank volgt de officier van justitie echter niet waar zij vordert een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden die gericht zijn op die behandeling van de verdachte. De rechtbank merkt op dat sinds de inwerkingtreding van de Wet Voorwaardelijke Invrijheidstelling het mogelijk is voor deskundigen om bij de voorwaardelijke invrijheidstelling -of al eerder tijdens de detentie-, speciaal op de verdachte en het moment toegesneden bijzondere voorwaarden te stellen.

Een gevangenisstraf van 18 maanden, zoals is voorgesteld door de verdediging, doet geen recht aan de aard en de ernst van het feit zoals hierboven is omschreven. De omstandigheden van het delict brengen de rechtbank wel tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier is gevorderd. Alles overziend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden.

6. Het beslag

6.1. De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen kleding en brief aan aangeefster, omdat zij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen kleding aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

6.2. De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van deze voorwerpen. Verder zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Subsidiair: Poging tot doodslag

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 6 en 7;

- gelast de teruggave aan aangeefster van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1, 2, 3, 4, 5 en 8;

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 9, 10, 11, 12 en 13.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Wassing, voorzitter, mr. M.J. Veldhuijzen en

mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 januari 2010.

Mr. Veldhuijzen was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.