Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL4500

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
16-446460-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop van zwak alcoholhoudende drank door het Kruidvat. Artikel 18 lid 1 van de Drank- en Horecawet. Ontslag van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/446460-09

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 15 februari 2010

in de strafzaak tegen

[bedrijf].,

gevestigd te [vestigingsplaats],

ter zitting vertegenwoordigd door K.D. Sijpkes.

Raadsvrouw: mr. E.C. Runia, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 februari 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair

in strijd met artikel 18 lid 1 van de Drank- en Horecawet zwak-alcoholhoudende drank heeft verkocht;

subsidiair

in strijd met artikel 25 van de Drank- en Horecawet alcoholhoudende drank aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.2 Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde niet betwist dat zij de betreffende wijn heeft verkocht, maar zich op het standpunt gesteld dat deze verkoop niet strafbaar was omdat door haar voldaan is aan de in artikel 18 lid 2 sub b van de Drank- en Horecawet genoemde uitzonderingsbepaling.

3.3 Oordeel van de rechtbank

Op basis van de informatie in het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

Verdachte, [bedrijf], heeft volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel een kleinhandel in drogisterijartikelen. Eén van haar filialen is gevestigd aan de Rechtestraat in [vestigingsplaats]. Verdachte heeft enkele jaren geleden - onder meer - in dit filiaal bij wijze van proef wijn verkocht. M.C.J. Houben, ambtelijk secretaris van de vereniging SlijtersUnie, constateerde de verkoop van deze zwakalcoholhoudende drank door verdachte. Hij kocht op 30 november 2006 in voornoemd filiaal van verdachte een fles wijn van het merk B d’Alsace.

Ten laste is gelegd dat de fles wijn is verstrekt in de uitoefening van een ander bedrijf dan het slijtersbedrijf. De rechtbank overweegt dat verdachte, gezien voornoemde inschrijving bij de Kamer van Koophandel en de hiervan in artikel 1 van de Drank- en Horecawet gegeven definitie, geen “slijtersbedrijf” betreft. Op grond van het bepaalde van artikel 18 lid 1 van de Drank- en Horecawet was het verdachte derhalve niet toegestaan de wijn te verkopen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

primair

op 30 november 2006 te [vestigingsplaats] (in haar filiaal aan de Rechtestraat) in de uitoefening van een ander bedrijf dan het slijtersbedrijf zwak-alcoholhoudende drank, te weten een fles B d'Alsace voor gebruik elders dan ter plaatse aan particulieren heeft verstrekt;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het feit

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat zich een van de uitzonderingen heeft voorgedaan zoals vermeld in artikel 18 lid 2 van de Drank- en Horecawet, waardoor deze verbodsbepaling niet zou gelden. Voor de beoordeling of dit inderdaad het geval is, komt in het verband van deze strafzaak alleen de in artikel 18 lid 2 sub b van de Drank- en Horecawet genoemde uitzondering voor bespreking in aanmerking. Deze uitzonderingsbepaling luidt als volgt:

“Het in het eerste lid vervatte verbod geldt niet ten aanzien van het verstrekken in een winkel waarin een gevarieerd assortiment aan levensmiddelen of tabak en aanverwante artikelen wordt verkocht.”

Omdat de Drank- en Horecawet slechts melding maakt van de begrippen “gevarieerd assortiment” en “levensmiddelen” en ook de wetsgeschiedenis behorend bij deze wet geen omschrijving geeft van voornoemde begrippen, zal de rechtbank voor de beantwoording van de hiervoor gestelde vraag stilstaan bij wat onder deze begrippen moet worden verstaan.

Levensmiddelen

In het dossier bevindt zich geen proces-verbaal waarin is weergegeven wat op 30 november 2006 in het betreffende filiaal in [vestigingsplaats] werd verkocht. Uit de verklaring van [X] blijkt evenwel dat verdachte destijds in het type filiaal waaronder ook de betreffende winkel valt, onder meer koffie, thee, hagelslag, pistolet, jam, cruesli, duopenotti, beschuit, noodels, spaghetti, cup a soep, pasta en pannenkoekenmix werd verkocht. Dit volgt deels ook uit de lijst behorende bij een memo van het [bedrijf] van januari 2002 die in het dossier is opgenomen. In deze lijst worden bovendien nog meer producten genoemd zoals kruiden en specerijen, chips, rijstwafels, babyvoeding, dieetproducten, koekjes, cola, houdbare melk en roggebrood. De verkoop van deze producten is door de gemachtigde van verdachte bevestigd ter terechtzitting.

Voor de beoordeling van de vraag of deze producten onder de term “levensmiddelen” geschaard kunnen worden, zoekt de rechtbank aansluiting bij de definitie van dit begrip uit de Algemene Levensmiddelen Verordening van 2002, naar welke definitie ook de Warenwet verwijst. Deze definitie luidt: “alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd. Dit begrip omvat tevens drank, kauwgom, alsmede iedere stof, daaronder begrepen water, die opzettelijk tijdens de vervaardiging, de bereiding of de behandeling aan het levensmiddel wordt toegevoegd.”

De door verdachte in het betreffende filiaal verkochte producten vallen onder het begrip levensmiddelen, nu zij allen dienen om door de mens te worden geconsumeerd.

Gevarieerd assortiment

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het aanbod van voornoemde levensmiddelen in het betreffende filiaal van verdachte een “gevarieerd assortiment” betreft. Bij de beantwoording van deze vraag zoekt de rechtbank aansluiting bij de assortimentsindeling van het Centraal Bureau Levensmiddelenbranche uit 2004. De rechtbank heeft geconstateerd dat de hiervoor genoemde en de in de lijst behorende bij de Memo van het [bedrijf] genoemde levensmiddelen onder (ten minste) 17 van de in deze assortimentsindeling genoemde hoofdgroepen kunnen worden ingedeeld. Het betreffen uiteenlopende producten. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het assortiment levensmiddelen dat verdachte in haar filiaal aan de Rechtestraat in [vestigingsplaats] aanbood een gevarieerd assortiment betreft.

Nu aan de in artikel 18 lid 2 sub b van de Drank- en Horecawet genoemde uitzondering is voldaan, is het bewezenverklaarde feit niet strafbaar. De rechtbank zal verdachte dan ook ontslaan van alle rechtsvervolging.

5 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is

omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart het bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mrs. L.M.G. de Weerd en

R.P. den Otter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 februari 2010.