Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL4069

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
267964 / HA ZA 09-1224
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal van elektriciteit in het kader van exploiteren van een hennepkwekerij. Gedaagde is strafrechterlijk veroordeeld tot een straf en is tevens veroordeeld om het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen. Het verweer dat Eneco niet ontvankelijk is in de onderhavige vordering, en dat zij zich als benadeelde partij in de strafprocedure had moeten voegen ter verhaal van haar schade, gaat niet op. Evenmin heeft gedaagde voldoende f/o aangevoerd ter bestrijding van het geschatte, niet geregistreerde verbruik van elektriciteit aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

267964 / HA ZA 09-122410 februari 2010

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 267964 / HA ZA 09-1224

Vonnis van 10 februari 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENECO SERVICES B.V.,

in haar hoedanigheid van lasthebber van de na te noemen lastgevers:

- de besloten vennootschap Eneco Retail B.V., en

- de besloten vennootschap Stedin B.V.,

allen gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat: mr. J.M. van Noort,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. G. van der Steen.

Partijen zullen hierna Eneco en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 19 augustus 2009;

• het proces-verbaal van comparitie van 11 november 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eneco Retail B.V. is een leverancier van elektriciteit. Teneinde levering mogelijk te maken maakt zij gebruik van een netbeheerder, in casu Stedin B.V., via welke vennootschap het transport van de te leveren elektriciteit plaatsvindt. Beide vennootschappen hebben Eneco gemachtigd namens hen te factureren en zonodig in rechte op te treden. Deze drie rechtspersonen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als Eneco.

2.2. Sinds 24 oktober 2006 bestaat tussen Eneco en [gedaagde] een overeenkomst voor de levering en de aansluiting en transport van elektriciteit ten behoeve van de woning aan de [adres] (hierna te noemen: de woning).

2.3. Op 2 augustus 2007 heeft de politie in de aanwezigheid van een fraudemedewerker van Eneco in de woning een hennepkwekerij met 309 hennepplanten die ongeveer 56 dagen waren aangetroffen. Na controle heeft deze fraudemedewerker vastgesteld dat de door Eneco aangebrachte elektriciteitaansluiting en installatie waren gemanipuleerd. De verzegeling van de installatie en de aansluiting waren verbroken om een illegale aansluiting te plaatsen. De hennepkwekerij was aangesloten op deze illegale aansluiting, waardoor de afgenomen elektriciteit niet werd geregistreerd door de meetinrichting.

2.4. Bij vonnis van 1 april 2008 is [gedaagde] door de politierechter veroordeeld tot een werkstraf voor onder meer het plegen van diefstal van elektriciteit.

2.5. Bij vonnis van 1 april 2008 (hierna te noemen: het vonnis) heeft de politierechter het door [gedaagde] wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van EUR 14.504,75 vastgesteld en [gedaagde] veroordeeld om dit bedrag aan de Staat te betalen. Het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna te noemen: het CJIB) heeft dit bedrag bij [gedaagde] geïnd.

2.6. Bij brief van 8 augustus 2007 heeft Eneco i) [gedaagde] in gebreke gesteld en aansprakelijk gesteld voor de door Eneco geleden schade, alsmede ii) op basis van een geschatte afname van elektriciteit van 55.060 kWh en overige begrote schade een totaalbedrag van EUR 10.911,80 bij [gedaagde] in rekening gebracht. Bij de berekening van haar schade is Eneco uitgegaan van de periode van 18 januari 2007 tot en met 2 augustus 2007, waarin op illegale wijze elektriciteit zou zijn afgenomen.

2.7. Voormeld bedrag van EUR 10.911,80 heeft [gedaagde], ondanks herhaalde sommaties door of namens Eneco, onbetaald gelaten.

2.8. Na daartoe verkregen verlof heeft Eneco op 6 mei 2009 conservatoir verhaalsbeslag doen leggen op de aan [gedaagde] toebehorende onroerende zaken, staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats].

3. Het geschil

3.1. Eneco vordert na vermeerdering van eis, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, veroordeling van [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting aan Eneco te betalen een bedrag van EUR 11.928,72, vermeerderd met de wettelijke ex atikel 6:119 BW over EUR 11.815,80 – zijnde de oorspronkelijke hoofdsom ad EUR 10.911,80 vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten ad EUR 904,-- – vanaf 31 maart 2009, althans de dag van de dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder de beslagkosten ad EUR 369,18.

3.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van Eneco.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tegen de vermeerdering van eis als zodanig heeft [gedaagde] geen bezwaar gemaakt, zodat de rechtbank op de eis van Eneco zal beslissen zoals deze na wijziging is komen te luiden.

4.2. Ter onderbouwing van haar vordering heeft Eneco gesteld dat zij als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst schade heeft geleden. De door Eneco gevorderde schade, gespecificeerd in de als productie 3 bij dagvaarding overgelegde “rapportage diefstal energie”en de als productie 8 overgelegde verzamelnota, bestaat uit kosten van het geschatte verbruik van niet geregistreerde elektriciteit en overige kosten. De omvang van de gevorderde kosten ten aanzien van de verbruikte elektriciteit wordt bepaald door het vermogen van de gebruikte apparatuur, het aantal uren per dag gedurende welke de apparaten zijn gebruikt en de periode waarin daarmee buiten de meter om elektriciteit is afgenomen. Eneco is bij het bepalen van het geschatte verbruik uitgegaan van de duur van de hennepkwekerij van 196 dagen. Eneco baseert haar schatting van de fraudeperiode op de volgende punten: de mate van vervuiling van de aangetroffen koolstoffilterdoeken, de laag stof op de kappen van de assimilatielampen, de mate van kalkaanslag op het zeil en op de potten, alsmede plantresten van geoogste planten. De mate waarin de koolstoffilterdoeken vervuild waren, wijst er volgens Eneco op dat deze koolstoffilterdoeken gedurende minimaal twee hennepoogsten in gebruik zijn geweest. Omdat een gemiddelde hennepoogst 70 dagen duurt en de op 2 augustus 2007 aangetroffen hennepplanten 56 dagen oud waren, komt Eneco op een fraudeperiode van 196 dagen, te weten van 18 januari 2007 tot en met 2 augustus 2007. Eneco heeft berekend dat de kosten voor het niet-geregistreerde verbruik van elektriciteit EUR 10.113,18 bedragen. De overige kosten zijn door Eneco begroot op EUR 798,62.

4.3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen hem en Eneco gesloten overeenkomst, doordat via een illegale aansluiting elektriciteit is afgenomen en het verbruik van deze elektriciteit niet is geregistreerd. Evenmin is tussen hen in geschil dat Eneco door dit handelen schade heeft geleden, die voor vergoeding in aanmerking komt.

4.4. [gedaagde] heeft ter afwering van de vordering van Eneco in de eerste plaats gesteld dat Eneco [gedaagde] niet in rechte had mogen betrekken c.q. dat Eneco niet ontvankelijk is in haar vordering, omdat Eneco zich als benadeelde partij in de strafprocedure tegen [gedaagde] moeten voegen om vergoeding van haar schade te verkrijgen. [gedaagde] had dan een bedrag aan Eneco kunnen betalen en een lager bedrag dan EUR 14.504,75 aan de Staat. Voorts had Eneco zich tot het CJIB kunnen wenden, zodat na begroting van de schade van Eneco het CJIB (een deel van) het door [gedaagde] betaalde bedrag van EUR 14.504,75 direct had kunnen doorbetalen aan Eneco.

4.5. De rechtbank verwerpt dit verweer van [gedaagde]. Het staat Eneco vrij om ter verkrijgen van een executoriale titel ter verhaal van haar schade op [gedaagde] te kiezen voor de procedure bij de burgerlijke rechter. Het bepaalde in artikel 577b lid 2 Sv – alsmede het bepaalde in artikel 51a Sv – staat die keuzevrijheid van Eneco niet in de weg. Dat [gedaagde] bij vonnis van de politierechter is veroordeeld om een bedrag ter zake van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen en hij dit heeft gedaan, staat de ontvankelijkheid van Eneco (dan wel een veroordeling van [gedaagde]) in deze civielrechtelijke procedure dan ook niet in de weg. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat in het geval dat [gedaagde] in deze procedure zal worden veroordeeld om een bedrag aan Eneco te betalen, [gedaagde] zich op grond van het bepaalde in artikel 577b lid 2 Sv tot de politierechter kan wenden met het verzoek om te bevelen dat (een deel van) het door hem aan de Staat betaalde bedrag aan Eneco zal worden uitgekeerd ter vergoeding van haar schade.

4.6. Voorts betwist [gedaagde] de door Eneco uitgevoerde berekening van het niet geregistreerd verbruik van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij, op de grond dat deze berekening niet door een onafhankelijke deskundige is opgesteld maar door een fraudemedewerker van Eneco, en op de grond dat deze berekening niet is gebaseerd op het daadwerkelijke verbruik.

4.7. De omstandigheid dat Eneco haar schade heeft geschat, maakt naar het oordeel van de rechtbank de door haar fraudemedewerker opgestelde berekening niet onbruikbaar. Immers, de omvang van de verbruikte elektriciteit kan niet nauwkeurig worden vastgesteld omdat deze niet is geregistreerd. Op de voet van artikel 6:97 Burgerlijk Wetboek (BW) dient het verbruik dan te worden geschat. De onzekerheid die inherent is aan een dergelijke schatting dient voor rekening van [gedaagde] te komen nu deze onzekerheid rechtstreeks het gevolg is van zijn handelen. Ook de omstandigheid dat de berekening door een fraudemedewerker is opgesteld die in een gezagsverhouding tot Eneco staat, is op zichzelf geen reden om deze berekening ter zijde te schuiven.

4.8. [gedaagde] heeft ook de berekening betwist, en wel in de eerste plaats de door Eneco gestelde fraudeperiode. [gedaagde] weerspreekt niet dat de op 2 augustus 2007 aangetroffen hennepplanten 56 dagen oud waren, maar stelt ter betwisting van de door Eneco gestelde fraudeperiode wel dat er slechts één keer is geoogst en dat de door Eneco genoemde punten – zie onder nummer ?4.2. – niet voldoende aanwijzingen opleveren om van een fraudeperiode van 196 dagen c.q. van twee oogsten uit te gaan. Ter onderbouwing van deze stelling voert [gedaagde] aan dat de aangetroffen mate van vervuiling en stof ook na één oogst aanwezig kunnen zijn en dat tweedehandse apparaten en spullen zijn gebruikt.

4.9. Dit verweer van [gedaagde] gaat niet op. Immers, Eneco heeft gesteld en [gedaagde] heeft niet weersproken, dat de mate van vervuiling van koolstoffilterdoeken een sterke aanwijzing is voor het aantal oogsten gedurende welke de koolstoffilterdoeken zijn gebruikt. De stelling dat in dit geval gebruik is gemaakt van onder meer (elders eerder) gebruikte koolstoffilterdoeken is door [gedaagde] niet onderbouwd en vindt geen steun in de stukken. De rechtbank wijst in dit verband op de waarneming van de fraudemedewerker (die op 2 augustus 2007 in de woning aanwezig was en onderzoek heeft ingesteld) zoals verwoord in het door hem opgesteld “rapportage diefstal energie”, die [gedaagde] niet (gemotiveerd) heeft betwist, waaruit blijkt dat de aangetroffen koolstoffilterdoeken onder de banden waaraan de koolstoffilters in de woning waren opgehangen niet vervuild waren. De mate van vervuiling van de aangetroffen koolstoffilterdoeken in samenhang bezien met de overige aangetroffen omstandigheden ter zake van vervuiling, stof en plantresten, levert naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen op grond waarvan Eneco heeft kunnen aannemen dat in de woning ten minste twee keer is geoogst.

4.10. Tot slot betwist [gedaagde] de door Eneco gehanteerde uitgangspunten ter zake van het standaardverbruik van apparatuur en de duur van het verbruik per dag. Ter onderbouwing van deze betwisting heeft [gedaagde] aangevoerd dat niet alle in de woning aangetroffen assimilatielampen in gebruik waren en dat een aantal ventilatoren “over de meter liepen”. Ter onderbouwing van zijn stelling dat niet alle assimilatielampen in gebruik waren wijst [gedaagde] op enkele door Eneco in het geding gebrachte foto's waarop loshangende stekkers zijn te zien.

4.11. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn stelling dat niet alle assimilatielampen in gebruik waren, nu hij deze stelling niet voldoende heeft onderbouwd. Immers, de foto's waarnaar [gedaagde] verwijst tonen niet dat de zichtbare loshangende stekkers in verbinding stonden met (enkele) assimilatielampen. Voorts is van belang dat uit de “rapportage diefstal energie” volgt dat de fraudemedewerker die op 2 augustus 2007 de woning en de hennepkwekerij heeft geïnspecteerd, alleen het vermogen van apparaten die op illegale wijze op het lichtnet waren aangesloten bij de berekening van het geschatte verbruik heeft betrokken. Deze waarneming ter zake van het op illegale wijze in gebruik zijn van apparaten waaronder assimilatielampen en ventilatoren, die [gedaagde] niet (gemotiveerd) heeft weersproken, doet afbreuk aan de betwisting van [gedaagde] ter zake van het gebruik van die apparaten. Nu [gedaagde] niet in zijn stelling wordt gevolgd dat niet alle aangetroffen apparaten in gebruik waren dan wel op illegale wijze in gebruik waren, heeft hij de door Eneco gehanteerde uitgangspunten ter zake van het standaardverbruik van apparatuur en de duur van het verbruik per dag onvoldoende weersproken.

4.12. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] het door Eneco geschatte verbruik van elektriciteit niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken, zodat om die reden tussen partijen in rechte vaststaan dat in de periode van 18 januari 2007 tot en met 2 augustus 2007 55.060 kWh elektriciteit op illegale wijze is verbruikt. [gedaagde] zal worden veroordeeld om de schade die Eneco daardoor heeft geleden te vergoeden.

4.13. Nu [gedaagde] de aansprakelijkheid voor de overige gevorderde kosten ad EUR 798,62 (zoals in de door Eneco als productie 8 overgelegde verzamelnota is opgenomen) niet heeft betwist, zal hij ook tot vergoeding daarvan worden veroordeeld.

4.14. Eneco heeft een bedrag van EUR 904,-- aan buitengerechtelijke (incasso-)kosten gevorderd. De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Eneco heeft weliswaar gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar uit de gegeven omschrijving van deze werkzaamheden dient het tegendeel te worden afgeleid. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten moet daarom worden afgewezen. Gelet hierop komt de over de buitengerechtelijke incassokosten gevorderde wettelijke rente evenmin voor toewijzing in aanmerking.

4.15. Eneco heeft de wettelijke samengestelde rente over het bedrag van EUR 11.815,80 (zijnde de oorspronkelijke hoofdsom ad EUR 10.911,80 vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten ad EUR 904,-- ) gevorderd. [gedaagde] heeft tegen de gevorderde wettelijke rente als zodanig geen verweer heeft gevoerd. Mede gelet hierop zal de rechtbank deze deelvordering toewijzen, doch met dien verstand dat de gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. De rechtbank wijst hier op hetgeen onder nummer ?4.14. is overwogen.

4.16. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Eneco worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- vast recht EUR 214,00

- salaris advocaat EUR 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.203,98

4.17. Eneco vordert veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van kosten ter verkrijging van een uittreksel uit de Gemeentelijke Basis Administratie. Nu niet is gesteld dan wel is gebleken dat deze kosten door de deurwaarder zijn gemaakt en (separaat) in rekening worden gebracht, houdt de rechtbank het er voor dat de advocaat van Eneco deze kosten heeft gemaakt. Deze informatiekosten moeten als kosten ter voorbereiding van de procedure worden aangemerkt en worden geacht in het bedrag aan salaris te zijn begrepen dat in het kader van de proceskostenveroordeling wordt toegewezen. Om die reden zal deze deelvordering worden afgewezen.

4.18. Eneco vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. Het opgevoerde vast recht voor het beslagrekest zal echter worden afgewezen, omdat dit vast recht al is verrekend met het vast recht dat in deze zaak verschuldigd is. De beslagkosten worden begroot op EUR 267,18 voor verschotten en EUR 452,00 voor salaris advocaat (1 punt à tarief EUR 452,00).

4.19. Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] gevorderd dat het door Eneco gelegde conservatoir beslag wordt opgeheven, maar daartoe heeft [gedaagde] geen eis in reconventie ingediend. Nu een zelfstandige eis niet bij conclusie van antwoord kan worden ingediend, zal de rechtbank om die reden voorbij gaan aan deze vordering en de stellingen die [gedaagde] ter onderbouwing van die vordering heeft ingenomen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Eneco te betalen een bedrag van EUR 10.911,80 (tienduizendnegenhonderdelf euro en tachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 2 augustus 2007 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Eneco tot op heden begroot op EUR 1.203,98,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 719,18,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2010.