Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL4059

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
16/710963-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op een woning. Medeplegen van poging tot doodslag, bedreiging met verkrachting en met zware mishandeling van ander slachtoffer. De rechtbank veroordeelt verdachte tot zes jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710963-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 februari 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein,

raadsman mr. R.M. Maanicus, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 februari 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1.

Primair

samen met (een) ander(en) heeft geprobeerd- al dan niet met voorbedachten rade- [slachtoffer A] van het leven te beroven

Subsidiair

samen met (een) ander(en) heeft geprobeerd goederen en/of geld van die [slachtoffer A] te stelen en daarbij geweld heeft

gebruikt.

Meer subsidiair

samen met (een) ander(en) die [slachtoffer A] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht

2.

[slachtoffer B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, met verkrachting, dan wel met zware mishandeling

3.

[slachtoffer C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 heeft begaan.

Voor het eerste feit baseert zij zich op de aangifte van [slachtoffer A] en diens medische verklaring, de getuigenverklaringen van [getuige A] en [getuige B] die de aangifte ondersteunen, de op de plaats delict aangetroffen tiewrap waarop DNA-materiaal is gevonden dat volgens het NFI en ISF matcht met het DNA-profiel van verdachte, waarbij een kansberekening is toegepast met als uitslag dat de kans 1: 300.000 respectievelijk

1: 1.000.000.000 dat een dergelijke match plaatsvindt met het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon. Naast genoemde bewijsmiddelen baseert zij zich op de getuigenverklaring van [slachtoffer B] en de daarin voorkomende daderinformatie en de bevestiging van getuige [getuige C] dat zij en verdachte in 1997 op de camping van [slachtoffer A] hebben verbleven. Op basis van het gegeven dat de overvallers niet met elkaar spraken tijdens het uitoefenen van het geweld en dat zij probeerden de mond van het slachtoffer af te tapen, leidt de officier van justitie af dat zij van te voren met elkaar hebben afgesproken wat zij zouden doen en dat zij een moment hebben gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van hun handelen. Daarmee staat volgens de officier van justitie de voorbedachten raad vast.

Het tweede feit kan bewezen worden verklaard op basis van de aangifte van [slachtoffer B], de onderzoeksbevindingen van de politie en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting. Het derde feit kan bewezen worden verklaard op basis van de aangifte van [slachtoffer C], de verklaring van [slachtoffer B] bij de rechter-commissaris, de ondersteunende verklaring van getuige [getuige D] en gelet op de samenhang en het verband met het tweede feit.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen terzake het eerste en het derde feit.

Dat er DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen op de tiewrap bewijst niet dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1 ook heeft begaan, aldus de raadsman. Het gaat hier namelijk om verplaatsbaar DNA-materiaal. Niet kan worden uitgesloten dat iemand een tiewrap van verdachte op de plaats delict heeft gelegd. De verklaringen van [slachtoffer B] zijn volgens de raadsman onbetrouwbaar en ongeloofwaardig. Dat zij beschikt over daderwetenschap kan wijzen op haar betrokkenheid bij feit 1 en kan tevens verklaren hoe het DNA-materiaal van de verdachte op de plaats delict is terechtgekomen, namelijk door toedoen van [slachtoffer B]. Verdachte heeft ter zitting verklaard waarom [slachtoffer B] wraak wilde nemen op [slachtoffer A] en waarom zij de verdachte voor delict wil laten opdraaien. De rechtbank kan volgens de raadsman niet aan dit alternatieve scenario voorbij gaan.

Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, kan dit naar de mening van de raadsman niet leiden tot kwalificatie van een poging tot moord, omdat er sprake is geweest van een voltooide handeling die niet heeft geleid tot de dood van [slachtoffer A] . Bovendien is er geen sprake geweest van voorbedachten raad of opzet op de moord op [slachtoffer B]. Ten aanzien van het onder 1. subsidiair tenlastegelegde is slechts sprake van een suggestie van [slachtoffer B] dat de opzet gericht was op het buitmaken van geld.

Met betrekking tot het tweede feit is de raadsman van oordeel dat een bewezenverklaring kan volgen nu dit feit door de verdachte is bekend.

Verdachte dient van het derde feit te worden vrijgesproken, omdat uit de aangifte blijkt dat aangever geen dreigementen heeft gehoord en daarnaast slechts de aantoonbaar onjuiste verklaring van [slachtoffer B] aanwezig is. Dit levert onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

In de nacht 17 op 18 maart 2005, na 24.00 uur, is [slachtoffer A] uit Snelrewaard, gemeente Oudewater, in zijn woning ernstig toegetakeld door twee mannen. Hij heeft daarvan aangifte gedaan en daarbij als volgt verklaard. [slachtoffer A] lag te slapen toen er op de deur van zijn woning (het achterste deel van de boerderij) werd geklopt. Door een mannenstem werd de naam “[voornaam]” geroepen. Toen hij de deur opendeed zag hij twee gemaskerde mannen staan, waarvan één een soort knuppel in de handen droeg. De mannen drongen zijn woning binnen. [slachtoffer A] voelde dat hij direct met de knuppel een paar keer op zijn hoofd werd geslagen, wat hem erg veel pijn deed en waardoor hij op de grond terechtkwam. Daar werd hij nogmaals een aantal keren met de knuppel op zijn hoofd geslagen en door een van de mannen werd hij met een geschoeide voet hard op de linkerzijkant van zijn hoofd getrapt. Ook kreeg hij enkele vuistslagen tegen zijn hoofd. [slachtoffer A] voelde hevige pijn en verkeerde in doodsangst. Hij ging schreeuwen en de daders probeerden zijn mond af te tapen. [slachtoffer A] heeft zich toen zo hevig verzet dat de mannen zijn weggegaan zonder iets mee te nemen. [slachtoffer A] heeft tengevolge van dit voorval 7 hoofdwonden opgelopen en hematomen op zijn linkeroor en linkerhand.

De technische recherche treft in de slaapkamer van [slachtoffer A] twee tiewraps aan. Ook wordt een stuk rondhout en een grillig gevormd stuk lood aangetroffen dat gelet op de vorm en de gaatjes paste in het stuk rondhout en daarmee samen een geprepareerde knuppel betrof. De tiewraps worden veiliggesteld voor onderzoek en voorzien van de identiteitszegels BNA805 respectievelijk BNA806.

Op 23 februari 2009 rapporteert het NFI dat het DNA-profiel van de verdachte matcht met het spoor met DNA-identiteitszegel [BNA806]#01.

Op 9 april 2009 verklaart [slachtoffer B] bij de politie dat zij een aantal jaren geleden naar een uitzending van Opsporing verzocht keek over een overval op boer [voornaam] , bij wie zij en verdachte in 1997 op de camping hadden verbleven. In die uitzending werd een deel van een knuppel getoond, die [slachtoffer B] herkende als de honkbalknuppel van verdachte. Deze honkbalknuppel was volgens [slachtoffer B] gemaakt van een oude ronde trapleuning. Deze knuppel had altijd naast de voordeur gestaan van de woning van de verdachte en [slachtoffer B], maar was sinds enkele weken verdwenen. Toen verdachte thuis kwam, had [slachtoffer B] hem geconfronteerd met het feit dat zijn honkbalknuppel was getoond in Opsporing verzocht. Verdachte vertelde haar toen dat hij die overval op boer [voornaam] had gepleegd, met iemand anders. Verdachte vertelde tevens dat boer [voornaam] in de periode dat zij bij hem op de camping hadden gestaan in dikbilkoeien handelde en dat daar veel contant geld in omging. [slachtoffer A] zou daarom wel veel contant geld in huis hebben. Omdat boer [voornaam] nogal verzet bood, hadden ze geen geld kunnen buitmaken.

[slachtoffer B] is naar aanleiding van haar verklaring nader ondervraagd door de politie en haar verklaringen zijn vergeleken met de aangifte en met de informatie die is verstrekt in de desbetreffende aflevering van het programma Opsporing verzocht. Uit dit nadere onderzoek bleek dat [slachtoffer B] over zogenoemde daderwetenschappen beschikte, die niet in de genoemde aflevering was getoond. Dit betrof de plaats in de woning waar het gevecht had plaatsgevonden, de verandering van de woning sinds 1997 en enkele incidenten die hadden plaatsgehad tijdens het gevecht tussen [slachtoffer A] en zijn overvallers, zoals een geblufte herkenning door [slachtoffer A] van een van de overvallers en de manier waarop [slachtoffer A] tussen de bedden op de grond was gevallen.

Naar aanleiding van deze nieuwe informatie is de zoon van [slachtoffer A] nogmaals door de politie als getuige gehoord op 5 en 7 mei 2009. Hij bevestigt dat verdachte in 1997 één seizoen bij hen op de camping heeft gestaan, vanaf het voorjaar tot de herfst. Hij bevestigt voorts dat verdachte wel eens binnen in de boerderij is geweest, maar dat de situatie in de boerderij toen heel anders was dan ten tijde van de overval, omdat er tussentijds een verbouwing had plaatsgevonden.

Ook de ex-vrouw van verdachte, [getuige C], bevestigt dat verdachte in 1997 op de camping van [slachtoffer A] heeft gestaan.

Volgens het NFI is de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met het afgeleide hoofd DNA-mengprofiel van het DNA op de aangetroffen tie-wrap (BNA806#1) één op de driehonderdduizend. Het Independent Forensic Services (IFS) heeft uit het extract BNA806#1 ook een DNA-mengprofiel verkregen dat voor het merendeel overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte. Daarnaast zijn uit eigen bemonsteringen van het IFS DNA-mengprofielen verkregen waarvan het hoofdprofiel matcht met het profiel van verdachte. Volgens het IFS is de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met de aangetroffen DNA-profielen kleiner dan één op de miljard.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een van de personen is geweest die [slachtoffer A] op 18 maart 2005 heeft overvallen. De rechtbank overweegt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer B] het volgende. Enkele vergissingen in jaartallen of over hoe feit 3 heeft plaatsgevonden, maken haar verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar of ongeloofwaardig. Ook het feit dat aangeefster mogelijk ambivalent is geweest in haar gevoelens richting verdachte, zoals namens de verdachte is gesteld, maken de door haar afgelegde verklaringen in 2009 niet onbetrouwbaar. De rechtbank betrekt bij haar oordeel over de betrouwbaarheid van een verklaring ook de vraag in hoeverre deze verklaring steun vindt in andere feiten en omstandigheden of in andere verklaringen en ook om díe reden acht zij de verklaring van [slachtoffer B] betrouwbaar. De door [slachtoffer B] gegeven informatie komt immers overeen met de aangifte van [slachtoffer A] en de verklaring van de zoon van [slachtoffer A]. Haar verklaring bevat voorts daderinformatie die niet in de uitzending van Opsporing verzocht is verschaft.

Verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat er een complot zou zijn gesmeed, waarvan hij het slachtoffer is geworden. [slachtoffer B] zou volgens de verdachte over daderinformatie beschikken omdat zij zelf de overval op [slachtoffer A] heeft gepleegd of heeft laten plegen, omdat ze wraak wilde nemen op [slachtoffer A] vanwege ongewenste seksuele handelingen in 1997 van die [slachtoffer A] jegens [slachtoffer B].[slachtoffer B] wil verdachte voor die overval op laten draaien en heeft daarom tiewraps van verdachte op de plaats van het delict achter gelaten of neer laten leggen. De rechtbank gaat aan de lezing van verdachte voorbij. Niet alleen acht zij deze lezing ongeloofwaardig, omdat verdachte daarmee pas in een zo laat stadium van de procedure komt, ook acht zij het onaannemelijk dat [slachtoffer B] eerst in 2005 wraak zou nemen voor handelingen van [slachtoffer A] in 1997. De rechtbank acht het eveneens ongeloofwaardig dat [slachtoffer B] in 2005 tijdens de overval tiewraps van verdachte zou hebben achtergelaten om hem voor de overval op te laten draaien, nu, zoals ook blijkt uit de door de raadsman ter terechtzitting voorgelezen briefjes van [slachtoffer B] aan verdachte uit die periode, indertijd tussen hen nog steeds sprake was van een liefdesrelatie die pas in 2008 is verbroken.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer A] van het leven te beroven. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het dossier waaruit kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een kalm beraad en rustig overleg en zal verdachte van de primair impliciet tenlastegelegde poging tot moord vrijspreken.

De handelwijze van verdachte en zijn mededader kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm wel worden aangemerkt als gericht op de dood van het slachtoffer. Het is een algemene ervaringsregel dat delen van het hoofd dusdanig kwetsbaar zijn dat, indien daarop geweld wordt uitgeoefend, de aanmerkelijke kans bestaat dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg kan hebben. Door met een houten knuppel gevuld met lood meermalen te slaan op het hoofd van [slachtoffer A] en daarnaast met een geschoeide voet tegen [slachtoffer A]s hoofd te schoppen terwijl hij al op de grond lag, hebben verdachte en diens mededader bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer A] hierdoor zou kunnen overlijden. Hieruit volgt de opzet van verdachte op de dood van [slachtoffer A].

Ten aanzien van feit 2:

Op 2 maart 2009 doet [slachtoffer B] aangifte van bedreiging door verdachte. Zij verklaart dat zij twaalf jaar lang een relatie met hem heeft gehad, dat deze relatie eind augustus 2008 is beëindigd en dat verdachte vanaf dat moment is begonnen haar telefonisch en per sms te bedreigen. Verdachte heeft dit feit op de terechtzitting bekend.

Gelet hierop acht de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3:

Voor wat betreft het derde feit komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring. [slachtoffer C] verklaart in zijn aangifte dat hij van zijn vrouw heeft gehoord dat verdachte haar telefonisch heeft medegedeeld dat verdachte hem, [slachtoffer C], de tanden uit de mond zou slaan, hem de nek zou breken en een kogel tussen zijn ogen zou schieten. Tenlastegelegd is echter dat verdachte opzettelijk [slachtoffer C] deze woorden heeft toegevoegd. Op grond van de stukken in het dossier kan dit niet worden bewezen. De verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Primair

op 18 maart 2005 te Snelrewaard, gemeente Oudewater,

tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer A] van het leven te beroven,

met dat opzet tezamen en in vereniging met een ander als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader die [slachtoffer A] met een houten knuppel gevuld met lood, meerdere malen tegen het hoofd geslagen, en nadat deze ten val kwam, vervolgens meerdere malen met geschoeide voet tegen het hoofd geschopt en meerdere malen met gebalde vuist tegen het lichaam geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 01 augustus 2008 tot en met 02 maart 2009 te Monster, gemeente Westland en te Drachten, [slachtoffer B] heeft bedreigd met verkrachting en met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer B] dreigend de woorden toegevoegd (telefonisch en/of per sms):

(in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 24 november 2008 per sms)

"Zal het nog 1 keer zeggen gooi geen olie op het voer daan want je gaat er

spijt van krijgen" en/of

"Als je zo flinkt bent zeg dan hoe ik heb jou ook precies verteld wat ik gan

doen en hoe ik ga doen denk dat het beter voor je is dat je niet de straat

aangaat met me" en/of

"Ga niet met [x] mij pakken want dan maak je het alleen maar erger probeer

jij nou maar dat je me niet kwaad maakt is het best voor ons alle 3" en/of

"Je geeft me geen keus jou spijt komt nog maa ris dan te laat hoe dan ook of

wanneer dan ook maar pak jou terug er komt een dag dat ik terug pak en het je

betaald zet je bent een vijand die heel erg op moet passen jou verdriet wacht

op je" en/of

"... jij zal voorlopig geen geluk vinden beter voor jou dat je geen nieuwe

vriend neemt dan gebeurd er ook niks maar blijf op je letten" en/of

"Heb je vervloekt via andere heks dus zou van alles kunnen gebeuren hi hi"

en/of

"als jij aangifte doet van ... waardoor ik in de gevangenis kom hou er

rekening mee dat mij deur open gaat en jij de eerste ben die ik te grazen

neem" en/of

"als jij niet doet wat ik wil dan kom ik elke vrijdag langs en dan heb ik seks

met je en geef ik je geld, als je dat niet doet dan ziet je leven er niet

rooskleurig uit"en/of

"als je niet me zin doet dan zorg ik ervoor dat je niet meer buiten komt en

kan werken" en/of

"als je denkt dat je mij zomaar aan de kant kan zetten dan heb je het mis...

als ik er achter kom da je een anders heb dan zal ik daar een bezoekje aan

brengen, verder zal ik de tijd die wij hebben gehad (12 jaar lang) je zuur

maken" en/of

(in maart 2009 en april 2009 telefonisch)

"Je kunt maar beter luisteren, anders ga ik mijn boekje te buiten. Ik stuur

iemand af op [x] jij" en/of

"Je wilt dat ik de fout in ga, dat kan geregeld worden" en/of

"Ik heb het geregeld. Ze kunnen nu allemaal achterom kijken vanaf nu" en/of

"Ik heb iemand op pad" en/of

"Denk je dat ik er de ballen niet voor heb om het te doen? Ik neem de

consequenties wel. Neem jij de consequenties dan ook?" en/of

(in maart 2009 per sms)

"Je krijgt zo'n spijt" en/of

"Oké nu is er geen weg meer terug mijn hart was al gebroken, dus gevangenis

kan me niet meer breken je wilt oorlog dan krijg je dat vanzelf wat ben je

dom ze zullen je dankbaar zijn pas goed op jezelf regel met met [x] kan

hem niet langer meer zien geld ook voor Ingrid vanaf nu wordt alles anders"

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 primair:

medeplegen van een poging tot doodslag

Feit 2:

bedreiging met verkrachting en met zware mishandeling

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met zijn mededader willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer A] van het leven zou beroven door hem op een bijzonder hardhandige en brute wijze herhaaldelijk met een knuppel op zijn hoofd te slaan en hem met geschoeide voet tegen het hoofd te schoppen.

Uit de foto’s in het dossier blijkt dat overal in de woning van het slachtoffer bloedspatten zijn aangetroffen en dat hij ernstig gewond is geraakt. De rechtbank vindt het bijna een wonder dat het slachtoffer deze brute aanval heeft overleefd. Dit is in ieder geval niet aan de handelwijze van verdachte of diens mededader te danken. Het hoeft geen betoog dat deze poging tot doodslag zeer schokkend is geweest voor het slachtoffer en zijn naasten. Daarnaast brengt een dergelijke poging tot doodslag ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer angst en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect voor andermans leven getoond en zich enkel laten leiden door zijn behoefte aan geld.

Daarnaast heeft verdachte ernstige bedreigingen geuit in de richting van [slachtoffer B]. Verdachte heeft over deze bedreigingen gezegd dat hij ze niet ten uitvoer zou brengen en dat [slachtoffer B] dat moet hebben geweten omdat ze hem kende. De rechtbank is echter van oordeel dat juist omdat [slachtoffer B] verdachte kende zij deze bedreigingen zeer serieus moet hebben genomen. Zij was immers bekend met de gewelddadige kant van verdachte vanwege zijn verhaal over de overval op Verweij. De rechtbank neemt bij het bepalen van de strafmaat mede in overweging het uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 15 juni 2009 van verdachte, waaruit blijkt dat hij meermalen is veroordeeld wegens geweldsdelicten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

De rechtbank heeft bij het bepalen van deze strafmaat tevens rekening gehouden met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer A] vordert een schadevergoeding van € 3.557,47 voor feit 1 primair.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen. Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [slachtoffer B] vordert een schadevergoeding van € 550,-- voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 400,-- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [slachtoffer C] vordert een schadevergoeding van € 250,-- voor feit 3.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit deze schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij [slachtoffer C] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

7 Het beslag

7.1 De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 63, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot moord en van het onder 3 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 primair:

medeplegen van een poging tot doodslag

Feit 2:

bedreiging met verkrachting en met zware mishandeling

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 4;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer A] van € 3.557,47, waarvan € 557,47 ter zake van materiële schade en € 3.000,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 18 maart 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij [slachtoffer A] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A], € 3.557,47 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 47 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer B] van € 400,--, ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf

1 augustus 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij [slachtoffer B] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer B] in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer B], € 400,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer C] niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.E. Bernini, voorzitter, mr. A. van Maanen en

mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 februari 2010.