Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL4050

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
249507 / HA ZA 08-1053
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ7517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is na apoplexie hypofysetumor blind geworden en gebleven. Hij verwijt de oogarts onzorgvuldig handelen, waardoor hij niet tijdig nader is onderzocht en de tumor niet eerder verwijderd is. Zijn vorderingen worden afgewezen. De Rechtbank overweegt dat ook als de stellingen van eiser juist zijn, het handelen van de oogarts niet in zodanig verband staat tot de gestelde schade, dat die schade aan de vermeende fouten kan worden toegerekend. Uit het deskundigen rapport komt namelijk naar voren dat ook als eiser eerder was onderzocht en de tumor eerder was ontdekt, dat nog geen aanleiding zou zijn geweest om die tumor ook met spoed te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

249507 / HA ZA 08-105310 februari 2010

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 249507 / HA ZA 08-1053

Vonnis van 10 februari 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M.J.J. de Ridder,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. L.A.M. van Kippersluis.

Partijen zullen hierna [eiser] en[gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

•het tussenvonnis van 15 oktober 2008, waarin de comparitie van partijen is gelast;

•het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 5 maart 2009;

•de zaak is vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 13 februari 2003 bezocht [eiser] wegens klachten van verminderd zien het spreekuur van [gedaagde], destijds als oogarts praktijkhoudende in het Oogcentrum Houten te Houten.[gedaagde] adviseerde een afwachtend beleid, waarbij met [eiser] werd afgesproken dat hij over 6 maanden terug zou komen voor controle.

2.2. Op 27 mei 2003 bezocht [eiser] opnieuw de praktijk van[gedaagde]. [eiser] heeft na dit bezoek aan[gedaagde] zelf contact opgenomen met de polikliniek oogheelkunde van het UMCU en een afspraak gemaakt voor 14 oktober 2003.

2.3. Op 14 oktober 2003 bezocht [eiser] de afdeling Oogheelkunde van het Universitair Medisch Centrum te Utrecht (UMCU). Daar werd een ernstige verslechtering van de gezichtsscherpte geconstateerd van het rechteroog van [eiser] tot 1/60ste, terwijl de gezichtsscherpte links verslechterd was tot 0,6. Er werden, behalve de verminderde gezichtsscherpte en een moedervlek in het linker vaatvlies aan de ogen, verder geen afwijkingen gevonden. Aanvullend onderzoek werd afgesproken in de vorm van onder meer een gezichtsveldonderzoek.

2.4. Het gezichtsveldonderzoek werd bij [eiser] uitgevoerd op 16 oktober 2003, en dat leidde tot een vervolgonderzoek op de polikliniek Neurologie op 24 oktober 2003.

2.5. Op 28 oktober 2003 zou een MRI scan van de hersenen worden uitgevoerd. Op 27 oktober 2003 trad er echter een acute volledige uitval van het gezichtsvermogen op. Een met spoed uitgevoerde CT-scan toonde een grote afwijking in het gebied van de hypofyse en [eiser] werd met spoed geopereerd, waarbij een subtotale resectie van een hypofysetumor kon worden bewerkstelligd. Pathologisch-anatomisch onderzoek van het bij de operatie verwijderde materiaal wees op een niet functionerende hypofysetumor met uitgebreide bloeding en weefselverval (apoplexie). Later werd nog een heroperatie verricht.

2.6. Na de operatieve ingrepen bleek [eiser] volledig blind aan beide ogen.

2.7. De door de rechtbank benoemde deskundige oogarts P.T.V.M. de Jong (hierna te noemen: De Jong) heeft in zijn rapport van 26 februari 2006 op de vraag hoe hij het handelen van [gedaagde] beoordeelt onder meer het volgende geantwoord (pagina 8 en volgende):

Voorzover ik uit het consult en de naderhand verkregen aanvullende gegevens van [gedaagde] heb kunnen opmaken, heeft hij adequaat gehandeld tijdens het consult van 13 februari 2003. [eiser] was al jaren bekend met een lichte daling van de gezichtsscherpte. Uit de brief van [X], werkend bij [Y] Opticien, bleek dat in 1998 de gezichtsscherpte rechts 80% en links 75% bedroeg. Vijf jaar laten was hij rechts 60% en links 80%. Over de loop van de dag kan de gezichtsscherpte een beetje veranderen en de verschillen die hier worden aangegeven behelzen in principe niet meer dan enkele letters van één regel hoger of lager op de letterkaart wel of niet kunnen lezen. [gedaagde] heeft blijkens de kopie van zijn status zorgvuldig gekeken of hij de gezichtsscherpte kon verbeteren met brillenglazen. De pupillen zijn verwijd en hij heeft beschreven dat er lichte afwijkingen in de reflex van het centrum van het netvlies aanwezig waren. De papillen zijn nauwkeurig en goed beschreven en ze zagen er normaal uit. Hij heeft daarna nog accommodatieverlammende druppels gegeven om te kijken of er toch nog een sterkere brillenglasafwijking aanwezig zou zijn, wanneer de accommodatie verlamd werd. Dit was niet het geval.

Men moet ervoor oppassen om, achteraf gezien, allerlei zaken te gaan invullen die hadden kunnen gebeuren. (…) Het enige wat [gedaagde] in 2003 aanvullend normaliter in zijn praktijk had kunnen doen, was het beoordelen van de pupilreacties en het verrichten van een confrontatief gezichtsveldonderzoek, ook wel gezichtsveldonderzoek volgens Donders genaamd. (…)

Ik mis bij de gegevens van 27 mei 2003 de gezichtsscherpte van beide ogen. Ook toen werden de papillen en het netvlies weer bekeken en beschreven. Nu werd er opgemerkt dat bij spleetlamponderzoek in beide lenzen fijne troebelingen aanwezig waren. (…)

In de optimale situatie zou [gedaagde] tijdens de consulten van 13 februari en 27 mei 2003 naar de pupilreacties hebben gekeken en een zogenaamd confrontatief gezichtsveldonderzoek hebben gedaan. Verder was het achteraf gezien beter geweest, maar toen niet duidelijk geïndiceerd, dat hij [eiser] wegens een onbegrepen, mogelijke daling van de gezichtsscherpte, naar een academisch centrum had verwezen. De bestudering van de pupilreacties en het confrontatieve gezichtsveld zou ik in de niet-academische, oogheelkundige praktijk geen routinematige handeling noemen. (…)

Had [gedaagde] die onderzoeken tijdens de consulten van 13 februari en 27 mei 2003 verricht, dan zou daar waarschijnlijk niets uit voort gekomen zijn. Immers, in de brief van 4-12-2003 van Sonnenberg, assistent neuroloog in het UMCU (…) staat dat op 24-10-2003 de lichtreacties van de ogen normaal waren zonder afferent pupildefect. De proef van Donders was ongestoord. Mijn conclusie is dus dat [gedaagde] in het allerbeste geval twee onderzoeken extra had kunnen verrichten tijdens die consulten. Had hij dat echter gedaan, dan hadden die zeer waarschijnlijk toen ook niet de gewenste informatie opgeleverd, waaruit hij zou moeten hebben concluderen dat spoedverwijzing noodzakelijk was.Het ontbreken van een notitie over de gezichtsscherpte maakt het moeilijk voor mij te beoordelen of doorverwijzing op grond van daling van gezichtsscherpte geïndiceerd was. Anderzijds is het moeilijk voor mij voor te stellen dat de gezichtsscherpte niet opgenomen is als een patiënt met klachten daarover komt, terwijl er wel weer beschreven wordt hoe de lenzen van de papillen onderzocht zijn.

2.8. Op de vraag hoe groot de kans is dat een patiënt als gevolg van een hypofysetumor blind raakt, antwoordt De Jong:

De kans dat een ongeveer 40-jarige patiënt die een oogarts bezoekt en die niet bekend is met een hypofysetumor, blind wordt door een niet-hormoonafscheidende tumor kan men globaal berekenen door de prevalentie van de tumoren te vermenigvuldigen met de gemiddelde kansen volgens de literatuur op een apoplexie van een tumor en op blindheid na een apoplexie. Volgens deze berekening kom ik dan uit op een kans van 5 x 10-7 of wel 1 persoon op de 2 miljoen mensen.

2.9. Op de vraag of het voor kans op het ontwikkelen van blindheid uitmaakt of de tumor eerder wordt ontdekt, antwoordt hij (op pagina 10 van zijn rapport) als volgt:

Hoe eerder de hypofysetumor ontdekt wordt hoe eerder men gaat behandelen. Een aantal patiënten met een hypofysetumor wordt niet direct geopereerd. Men probeert dan eerst met medicamenteuze therapie de groei van de tumor af te remmen. Heel weinig mensen (…) worden helemaal blind door een hypofysetumor. De belangrijkste oorzaak van blindheid lijkt het optreden van apoplexie te zijn in de tumor. Het risico voor een apoplexie wordt getalsmatig het sterkst vergroot door de aanwezigheid van hoge bloeddruk (27%) en grote voorafgaande operaties (11%). Er blijken mij uit de literatuur geen voorspellende tekenen voor het optreden van een apoplexie. Bij mensen zonder hoge bloeddruk of grote operaties blijft een apoplexie dus eigenlijk altijd een zeer onfortuinlijk maar toevallig incident. (…)Met deze kanttekeningen denk ik te kunnen stellen dat eerder ontdekken van de tumor de kans op apoplexie en dus blindheid alleen dan duidelijk verkleint wanneer de tumor vóór het optreden van de apoplexie al geopereerd is.

2.10. Op de vraag in hoeverre het waarschijnlijk is dat [eiser] ook blind zou zijn geworden indien de tumor medio februari respectievelijk mei 2003 was ontdekt, antwoordt hij als volgt:

[eiser] is eigenlijk blind geworden door het optreden van de apoplexie, zeer ongelukkig net de dag voor het MRI-onderzoek was afgesproken waarop de tumor ontdekt zou zijn. Was er geen apoplexie van de hypofysetumor opgetreden dat zou de kans dat hij blind was geworden kleiner dan 1% zijn. Operatie voor een hypofysetumor is maar zelden een spoedindicatie; meestal wel bij apoplexie, (maar ook daar verschillen de meningen over). Een apoplexie lijkt dus nauwelijks te voorspellen. Was de tumor in februari of mei 2003 ontdekt, en was [eiser] daaraan geopereerd voor 27-10-2003, dan lijkt het waarschijnlijk dat hij met 99% zekerheid enig zicht had behouden, hierbij voorbijgaand aan eventuele operatiecomplicaties.

2.11. In een aanvulling op zijn deskundigenrapport schrijft De Jong op 19 maart 2007 als antwoord op de vraag in hoeverre een verwijzing van een perifere oogarts naar een multidisciplinair team op 27 mei 2003 ertoe zou hebben geleid dat de hypofysetumor eerder dan 10 oktober 2003 zou zijn vastgesteld:

Had een disciplinair team eerder de diagnose gesteld en was daar snel operatief ingegrepen, dan had [eiser] met 99% zekerheid enig zicht behouden. Gezien het feit dat de oogheelkundige assistent in het Academisch Ziekenhuis Utrecht de diagnose aanvankelijk niet stelde, gezien de wachttijd voor de beeldvormende diagnostiek, evenals de vaak lange wachttijden voor ingrepen aan hypofysetumoren, blijft het gissen of [eiser] dan voor 27 oktober 2003 geopereerd zou zijn, met een betere visuele prognose.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert:

(a) een verklaring voor recht dat [gedaagde] bij de geneeskundige behandeling op 27 mei 2003 jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten waardoor het hypofyse adenoom niet eerder werd ontdekt;

(b) een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] lijdt doordat hij op 27 oktober 2003 als gevolg van het hyopfyse adenoom volledig blind is geworden;

(c) veroordeling van [gedaagde] om aan [eiser] te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

(d) veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, de kosten van het voorlopige deskundigenbericht daaronder begrepen.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] bij de oogheelkundige behandeling op 27 mei 2003 toerekenbaar tekort is geschoten als gevolg waarvan [eiser] blind is geworden.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De gang van zaken tijdens het consult op 27 mei 2003 is in deze procedure in geschil. [eiser] stelt dat hij nog binnen de eerder afgesproken periode van zes maanden een afspraak had gemaakt omdat zijn zicht achteruitging. Hij stelt dat [gedaagde] tijdens het consult geen gezichtsscherptemeting verrichtte en net als op 13 februari 2003 geen diagnose kon stellen en voorstelde het verdere verloop af te wachten. Aan het eind van consult kreeg hij zijn patiëntenkaart mee om een andere oogarts te zoeken, omdat [gedaagde] in september dat jaar met seizoen zou gaan. [eiser] verwijt [gedaagde] dat hij geen gezichtsscherptemeting heeft verricht en dat hij hem niet adequaat heeft doorverwezen voor nader onderzoek. Hij gaat er vanuit dat door het tekortschieten van [gedaagde] vertraging is opgetreden in de diagnostiek en dat die vertraging ertoe heeft geleid dat de tumor niet tijdig werd ontdekt en behandeld, met zijn blindheid als gevolg.

4.2. [gedaagde] stelt dat hij wel de gezichtsscherpte heeft gemeten op 27 mei 2003. Hij stelt dat die meting, ook wel visusbepaling, een standaard basisonderzoek is, dat altijd uitgevoerd wordt bij een vervolgconsult, en dat hij de gezichtsscherpte niet heeft genoteerd omdat die niet relevant veranderd was ten opzichte van de meting op 13 februari 2003. [gedaagde] wijst erop dat hij [eiser] juist uitgebreid heeft onderzocht. Bij die gelegenheid is hem echter niets gebleken dat (met spoed) nader onderzocht zou moeten worden. [gedaagde] stelt dat hij [eiser] wel heeft verwezen in die zin, dat op 27 mei 2003 is besproken dat hij zich voor nader onderzoek zou moeten wenden tot een multidisciplinair centrum. Hij stelt dat hij [eiser] de patiëntenkaart heeft meegegeven, opdat [eiser] bijvoorbeeld met zijn huisarts zou kunnen bespreken bij welke arts of welk ziekenhuis hij nader onderzoek zou laten doen. [gedaagde] betwist aldus te zijn tekortgeschoten in de uitvoering van de behandelovereenkomst. Bijsterveld stelt dat hij heeft gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot dat zou hebben gedaan en dat de gestelde schade niet het gevolg is van de hem verweten fouten.

4.3. Of [gedaagde] op 27 mei 2003 de gezichtsscherpte heeft gemeten is op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde stukken thans niet vast te stellen. Ook is niet komen vast te staan dat – zoals [eiser] stelt – zijn gezichtsscherpte op 27 mei 2003 sterk was verslechterd en dat een spoedverwijzing voor nadere diagnostiek aangewezen was. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Op grond van de niet weersproken bevindingen van De Jong (op grond van de hem overgelegde stukken, op pagina 3 van zijn rapport) staat vast dat de gezichtsscherpte van [eiser] op 18 januari 2003 is gemeten en dat die scherpte niet veel afwijkt van de op 13 februari 2003 door [gedaagde] gemeten gezichtsscherpte. Vast staat ook dat op 14 oktober 2003 het zicht, gemeten in het UMCU, aanmerkelijk slechter was. Volgens de eigen stellingen van [eiser] is zijn zicht in de periode van begin 2003 tot 14 oktober 2003 geleidelijk achteruit gegaan. Hij verklaarde daarover ook tijdens de comparitie dat hij geleidelijk aan voor meer computeraanpassingen is gaan zorgen en minder is gaan autorijden. Ook als van die geleidelijke verslechtering wordt uitgegaan, kan niet aangenomen worden dat in de drie maanden na het eerste consult de gezichtsscherpte zodanig was verslechterd dat bij een meting destijds waarden (zouden) zijn gemeten die aanleiding zouden zijn geweest voor een spoedverwijzing teneinde nader onderzoek te laten doen. Dan zou er in feite sprake geweest moeten zijn van een plotselinge verslechtering in die drie maanden 2003, zeker in vergelijking met de periode daarvoor waarin nu juist nauwelijks verandering was opgetreden. Een plotselinge verslechtering is er volgens [eiser] niet geweest. Ook blijkt uit de overgelegde stukken, houdende medische gegevens uit die periode, niet dat [eiser] in mei 2003 weer een afspraak maakte omdat de gezichtsscherpte aanmerkelijk (verder) was afgenomen of vanwege andere klachten die aanleiding zouden kunnen geven voor een spoedverwijzing. Aanleiding voor de afspraak lijkt te zijn geweest dat hij ondanks een inmiddels aangemeten bril, nog steeds niet scherp zag.

Ook is niet komen vast te staan of [gedaagde] en [eiser] hebben gesproken over nader onderzoek.

4.4. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om ten aanzien van deze partijen verdeeld houdende geschilpunten nader onderzoek te doen en hen bewijs van hun stellingen op te dragen. Ook als de stellingen van [eiser] juist zouden blijken te zijn en vast zou komen te staan dat [gedaagde] op 27 mei 2003 de gezichtsscherpte niet heeft gemeten, dat op dat moment een spoedverwijzing voor nadere diagnostiek aangewezen was en dat [gedaagde] [eiser] niet heeft verwezen, dan leidt dit naar het oordeel van de rechtbank niet tot aansprakelijkheid voor de gestelde schade omdat het vereiste verband tussen de vermeende fouten en de schade ontbreekt en niet kan worden aangenomen dat zonder die vermeende fouten de tumor niet alleen eerder ontdekt zou zijn, maar ook zou zijn verwijderd voordat apoplexie optrad.

4.5. Daarbij is van belang dat, zoals blijkt uit de rapportage van de deskundige De Jong, het niet vaak voorkomt dat een apoplexie optreedt bij een patiënt zoals [eiser] en met name ook dat als een tumor wordt ontdekt in het hypofysegebied, dat op zich nog geen aanleiding is om met spoed opereren teneinde een eventuele apoplexie te voorkomen. Het achterwege laten van een gezichtsscherptemeting kan dan, naar overigens uit de rapporten blijkt, als onzorgvuldig worden aangemerkt, maar staat niet in zodanig verband met de opgetreden schade door de blindheid van [eiser], dat die schade daaraan kan worden toegerekend. Ook als [gedaagde] het ertoe had geleid dat [eiser] op korte termijn nader was onderzocht, en dat bij dat nader onderzoek (veel) eerder dan in oktober 2003 de tumor was ontdekt, kan niet aangenomen worden dat de tumor dan ook vóór 27 oktober 2003 operatief zou zijn verwijderd.

4.6. Een en ander leidt tot de slotsom dat ook als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat stellingen van [eiser] over het handelen van de [gedaagde] op 27 mei 2003 juist zijn, niet kan worden geoordeeld dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de gestelde schade zodat er geen grond is om [gedaagde] te veroordelen die schade te vergoeden. Ook de gevorderde verklaring voor recht is niet toewijsbaar omdat als uitgangspunt geldt dat een partij onvoldoende belang heeft bij een dergelijke verklaring, als er geen sprake is van een vergoedingsplicht voor de uit de gestelde fout voortvloeiende schade. Daarom laat de rechtbank in het midden of [gedaagde] tijdens het consult op 27 mei 2003 heeft gehandeld zoals het een redelijk handelend en redelijk vakbekwaam oogarts betaamt en dienen de vorderingen van [eiser] te worden afgewezen.

4.7. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] begroot op:

- vast recht € 254,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten * tarief € 452,00) € 1.158,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.158,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp, mr. E.A. Messer en mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2010.