Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL4035

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
243234 / HA ZA 08-220
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet op voorhand aannemelijk dat schade is ontstaan door tweede aanrijding. Daarom geen toepassing van de omkeringsregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

243234 / HA ZA 08-2203 februari 2010

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 243234 / HA ZA 08-220

Vonnis van 3 februari 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. F.A.P. Laporte,

tegen

1. de vennootschap naar buitenlands recht

ZURICH VERSICHERUNGS-GESELLSCHAFT,

h.o.d.n. Zurich Schade,

gevestigd te Alkmaar en kantoorhoudend te Den Haag,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiseres], Zurich en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

•het tussenvonnis van 23 april 2008 waarin een comparitie van partijen is gelast;

•het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 4 september 2008;

•de akte na comparitie van [eiseres];

•de antwoordakte na comparitie van Zurich en [gedaagde sub 2].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] was op 17 november 2004 betrokken bij een kettingbotsing op de A2 ter hoogte van Vianen. Op de linker rijstrook, waar het verkeer ongeveer 80 kilometer per uur reed, is plotseling krachtig geremd, waarna er kop/staart botsingen volgden.

2.2. [eiseres] bestuurde op de linker rijstrook een Citroën C5. Zij kon haar auto niet op tijd tot stilstand brengen en botste tegen de achterkant van de auto voor haar, een Volvo V40 bestuurd door de heer [X]. Deze botsing wordt hierna ook wel aangeduid als de eerste botsing.

2.3. Daarna is de auto van [eiseres] van achteren aangereden door een Nissan Almera, bestuurd door [gedaagde sub 2]. Door die aanrijding – hierna ook wel aangeduid als de tweede botsing – is de auto van [eiseres] doorgedrukt tegen de Volvo V40 vóór haar.

2.4. Op 15 december 2004 ondertekende de heer [Y], die op 17 november 2004 inzittende was in de auto van [X], een door hem opgestelde verklaring waarin onder meer het volgende staat:

We reden op de linker baan en op een gegeven moment remde de voorganger hard af. De hr. [X] remde ook krachtig af, maar doordat het geregend had gleed hij het laatste stukje door. Hierdoor tikte hij zachtjes zijn voorganger tegen zijn trekhaak aan

een seconde later reed de Citroën C5 tegen de achterkant van de hr. [X] aan en werd nu hard tegen zijn voorganger aangedrukt. Er volgde nog een zeer harde klap en toen brak de achterruit van de hr. [X] zijn auto eruit.

2.5. [eiseres] is na het ongeval op 17 november 2004 naar haar huisarts gegaan in verband met pijnklachten aan haar nek en schouders. Zij kreeg het advies rust te nemen. Na twee weken rust thuis is zij weer gaan werken in haar functie als interim manager/ consultant. In de jaren 2005 en 2006 heeft zij zich in verband met haar klachten onder meer onder behandeling gesteld van een fysiotherapeut en is zij begeleid in het Jan van Breemeninstituut te Amsterdam.

2.6. [gedaagde sub 2] was tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij (een rechtsvoorganger van) Zurich.

2.7. [eiseres] is op haar verzoek onderzocht door dr. E.A.C.M. Sanders, neuroloog. In zijn geneeskundige neurologische rapportage met als datum '3 oktober 2007/28 oktober 2007/14 december 2007' staat onder meer:

Klachten op dit moment:

Betrokkene vindt op dit moment de pijnklachten in haar nek en midden onder in haar rug het meest vervelend. De pijn zit midden in de rug alsof ze in haar rug geknepen wordt. Als ze onder druk moet werken, krijgt ze pijn in de rug. Ze heeft nooit hoofdpijnklachten. Ze vindt haar geheugen en concentratievermogen verminderd ten opzichte van de periode voor het ongeval van 17-11-2004, ze vindt zich minder alert. (…)

(…)

Samenvatting:

De neurologische expertise verricht op 14-09-2007 betreft een op dit moment 40-jarige vrouw, die op 17-11-2004 een ongeval heeft ondergaan, waarbij ze betrokken raakte in een kettingbotsing en aangereden is van achteren en door de klap naar voren geschoven is richting haar voorganger. (…)

Sinds het ongeval van 17-11-2004 heeft ze nekpijnklachten uitstralend naar beide schouders. De nekpijnklachten treden met name op als ze inspannende werkzaamheden verricht of haar werkzaamheden als interimmanager verricht. Ze heeft nooit hoofdpijn en haar concentratie- en geheugenvermogen is weliswaar minder, maar nooit hinderlijk afgenomen. Betrokkene vindt dat ze minder alert is en minder druk van buitenaf kan verwerken. (…)

Bij lichamelijk onderzoek zijn er geen te objectiveren neurologische afwijkingen. Met name is de beweeglijkheid van de cervicale wervelkolom volledig normaal in alle richtingen. (…)

In een daarachter gevoegde zakelijke rapportage staat voorts onder meer:

d. Wat zijn uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

- Bij lichamelijk onderzoek worden er in het geheel geen neurologische afwijkingen geconstateerd. Er is een normale beweeglijkheid van de cervicale wervelkolom in alle richtingen. Er zijn geen aanduidingen voor depressiviteit aangetoond met de Zung depressiescore en de Minimal Mental State Test toont geen enkele hapering. Er werd door ondergetekende geen hulponderzoek verricht.

e. Wat is de diagnose op uw vakgebied?

- Status na flexie/extensie acceleratie/deceleratie non-contact trauma van de cervicale wervelkolom.

- Enige late gevolgen hiervan.

- Bij toeval ontdekte Arnold Chiari malformatie met thoracale syrinx (MRI Amsterdam)

f. Indien sprake is van klachten waarbij geen medische objectiveerbare afwijkingen kunnen worden vastgesteld, kunt u dan gemotiveerd aangeven wat uw differentiaal diagnostische overwegingen zijn?

- Differentiaal diagnose:

- Myogene klachten van de cervicale wervelkolom na een aanrijding op 17-11-2004.

- Per toeval ontdekte Arnold Chiari malformatie met thoracale syrinx, niet gerelateerd aan het huidige klachtenpatroon.

g. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA-guides, vijfde druk), aangevuld met eventuele richtlijnen van uw eigen beroepsvereniging (Nederlandse Vereniging voor Neurologie, december 2001?

- Volgens de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie voldoet betrokkene aan vijf van de zes voorwaarden voor het vaststellen van de gevolgen van een flexie/extensie trauma van de cervicale wervelkolom. Hoewel er nekpijnklachten zijn bij palpatie van de cervicale wervelkolom, heeft betrokkene geen abnormaal bewegingspatroon, met name is er geen bewegingsbeperking. Desalniettemin moet er vanuit worden gegaan, dat betrokkene een klachtenpatroon heeft, dat past bij een laat of post-whiplash syndroom. Dit zoals dit is beschreven door de Nederlandse Vereniging voor Neurologie (december 2001). Betrokkene komt in aanmerking voor het maximale percentage functieverlies voor de gehele persoon van maximaal 4%.

2.8. [eiseres] was ten tijde van het ongeval 38 jaar en werkte fulltime als interim manager/consultant bij Fourtune Consultants BV. Per 1 augustus 2008 heeft [eiseres] ander werk, met een lager inkomen dan zij zou hebben verdiend dan als zij nog fulltime bij Fourtune Consultants BV zou werken.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank:

(A) voor recht verklaart dat Zurich en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiseres] geleden geleden en nog te lijden vermogensschade en immateriële schade, ontstaan als gevolg van de aanrijding op 17 november 2004;

(B) Zurich en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de volledige door haar geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente;

(C) Zurich en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres] € 30.000,00 te betalen als voorschot op de onder B bedoelde schadevergoeding, en

(D) Zurich en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2. Zurich en [gedaagde sub 2] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat Zurich en [gedaagde sub 2] gehouden zijn de schade te vergoeden die [eiseres] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van de tweede botsing. Dat is ook niet in geschil. Wel strijden partijen over de vraag of en in hoeverre de door [eiseres] gestelde klachten en daaruit voortvloeiende schade gevolg is van de tweede botsing en bij wie van partijen in dat opzicht de bewijslast en het bewijsrisico liggen.

4.2. Volgens Zurich en [gedaagde sub 2] is niet komen vast te staan dat de door [eiseres] gestelde schade het gevolg is van de aanrijding door [gedaagde sub 2]. [eiseres] is immers op 17 november 2004 zelf eerst tegen de auto vóór haar aangereden, ten gevolge van haar eigen verkeersfout, en Zurich en [gedaagde sub 2] stellen dat de gestelde schade zeer wel geheel of gedeeltelijk het gevolg kan zijn van die (eerste) botsing. Zij betwisten ook de bevindingen en conclusies zoals neergelegd in het rapport van de door [eiseres] benaderde neuroloog dr. Sanders.

4.3. [eiseres] heeft in haar akte na comparitie doen aanvoeren dat de zogenoemde omkeringsregel in deze zaak moet worden toegepast. Volgens [eiseres] dienen Zurich en [gedaagde sub 2] in deze procedure aan te tonen dat de schade niet het gevolg is van de fout van [gedaagde sub 2] omdat [gedaagde sub 2] een verkeersfout heeft gemaakt en een norm – het afstand houden – heeft geschonden die er nu juist toe strekt kop/staart-botsingen te voorkomen en het risico van het ontstaan van zo'n botsing zich heeft verwezenlijkt. Zurich en [gedaagde sub 2] hebben dit weersproken en menen dat [eiseres] aan moet tonen dat de schade het gevolg is van de tweede (en niet van de eerste) botsing en dat zij daarin niet is geslaagd.

4.4. Anders dan [eiseres] stelt, leidt de omkeringsregel niet tot omkering van de bewijslast. Bij toepassing van de omkeringsregel wordt slechts vermoed dat er causaal verband bestaat tussen een onrechtmatige gedraging en het ontstaan van schade. De partij die wordt aangesproken mag hiertegen tegenbewijs leveren, waarbij voldoende is dat hij aannemelijk maakt dat de bedoelde schade ook zonder die onrechtmatige gedraging zou zijn ontstaan. In deze zaak geldt dan ook onverkort dat de bewijslast en het bewijsrisico voor wat betreft het causaal verband tussen de tweede botsing en de door [eiseres] gestelde schade op [eiseres] rust, omdat zij stelt dat zij die schade door die botsing heeft geleden en/of lijdt.

4.5. Dat de gestelde schade het gevolg is van de tweede botsing staat in deze procedure nog niet vast. De rechtbank komt op grond van hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd thans ook niet tot het – door tegenbewijs eventueel te weerleggen – vermoeden dat de gestelde schade gevolg is van de tweede botsing. Voor de toepassing van de omkeringsregel is immers niet alleen nodig dat er sprake is van een gedraging in strijd met een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van de schade bij de ander te voorkomen, maar ook dat degene die zich op de schending van deze norm beroept, bij betwisting aannemelijk maakt dat in het concrete geval het gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. In het onderhavige geval moet dus aannemelijk zijn dat [gedaagde sub 2], door [eiseres] aan te rijden, de schade van [eiseres] heeft veroorzaakt. Vaststaat dat [eiseres] – voor zij door [gedaagde sub 2] werd aangereden – zelf achterop de auto van [X] is gereden. Ook die aanrijding kan de schade hebben veroorzaakt. Het enkele feit dat [gedaagde sub 2] op [eiseres] is gebotst, brengt daarom nog niet met zich dat op voorhand aannemelijk is dat die botsing de schade heeft veroorzaakt.

4.6. [eiseres] heeft in dat verband nog aangevoerd dat de eerste botsing veel minder impact heeft gehad en dat de door haar gestelde klachten in de regel niet voorkomen bij een botsing aan de voorkant en dat daarom aangenomen moet worden dat de gestelde schade veroorzaakt is door de tweede botsing. Dat de tweede botsing aanmerkelijk meer impact heeft gehad dan de eerste botsing zou volgens [eiseres] blijken uit het schadebeeld aan de auto's en de verklaring van de heer [Y], hiervoor weergegeven onder 2.4. Zurich en [gedaagde sub 2] hebben een en ander gemotiveerd weersproken. Om te beoordelen of het schadebeeld en de verklaring van de heer De [Y] de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de tweede botsing gepaard is gegaan met een significant grotere krachtinwerking, is deskundige voorlichting nodig. Die vraag kan de rechtbank aan de hand van de stellingen van partijen en de algemene ervaringsregels niet beantwoorden. Bovendien is niet duidelijk of en in hoeverre op grond van een eventueel verschil in krachtsinwerking aangenomen kan worden dat de gestelde schade het gevolg is van de eerste of de tweede botsing. Ook dat punt zou aan een deskundige moeten worden voorgelegd. Tot slot is van belang dat de door [eiseres] benaderde neuroloog dr. Sanders in zijn rapportage in het geheel niet is ingegaan op de eventuele gevolgen van de eerste botsing. Zijn rapport geeft geen uitsluitsel over de vraag of de klachten van [eiseres] ook (geheel of gedeeltelijk) het gevolg kunnen zijn van haar botsing tegen de auto vóór haar, voordat zij door [gedaagde sub 2] werd aangereden.

4.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat voor de verdere beoordeling van deze zaak in beginsel ten aanzien van meerdere vragen deskundigenonderzoek dient plaats te vinden. Dergelijk onderzoek brengt aanmerkelijke kosten met zich die door partijen moeten worden gedragen en vergt ook veel tijd en proceshandelingen in deze procedure. Tijdens de comparitie van partijen is naar voren gekomen dat partijen op zich genegen zijn om onderling tot overeenstemming te komen. Uit de na de comparitie ingediende aktes blijkt voorts dat partijen reeds tot standpunten komen waarin een procentuele verdeling van de schadevergoedingsplicht vervat is. De rechtbank ziet hierin aanleiding om partijen thans niet in de gelegenheid te stellen om zich schriftelijk alleen ten aanzien van eventueel deskundigenonderzoek uit te laten, maar om opnieuw een comparitie van partijen te gelasten. Tijdens de comparitie zal niet alleen het verdere procesverloop en eventueel deskundigenonderzoek aan de orde komen, maar zal ook een minnelijke regeling aan de orde komen. De zaak zal verder behandeld worden door een meervoudige kamer van de rechtbank.

4.8. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen zich voorbereiden op de zitting in die zin, dat zij ter zitting zich in ieder geval kunnen uitlaten over de wenselijkheid van deskundigenonderzoek, de mogelijk daartoe te benoemen deskundige(n) en de te stellen vragen

4.9. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. P. Dondorp, mr. J.W. Wagenaar en mr. D. Wachter in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op woensdag 2 juni 2010 van 9:00 tot 11:00 uur,

5.2. bepaalt dat [eiseres] en [gedaagde sub 2] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat Zurich dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

5.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op de hiervoor genoemde zittingsdatum,

5.4. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten,

5.5. Ter zitting kan aan de orde komen of een deskundigenonderzoek noodzakelijk is, welke vragen beantwoord moeten worden en wie partijen als deskundige benoemd willen zien.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2010. PD