Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL3935

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
15-02-2010
Zaaknummer
16/995216-06 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld wegens overtreding van de Kernenergiewet. Verdachte heeft zonder vergunning radioactief materiaal voorhanden gehad en hij heeft hierin gehandeld. Verdachte wordt vrijgesproken van het in de lucht of in de grond brengen van radioactief materiaal waarbij gevaar voor personen te duchten was. Niet bewezen kan worden dat verdachte stoffen in de grond of lucht heeft gebracht. Ten laste was gelegd namelijk de kans dat deze stoffen in de lucht of in de grond zouden komen.

Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf voor de duur van 100 uur. De rechtbank heeft hierbij gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte (verdachte is 69 jaar oud) en het tijdsverloop in deze zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/995216-06 [P]

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 25 januari 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1940] te [geboorteplaats] (België),

wonende te [adres], [woonplaats],

raadsman mr. D.P. Hein, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 januari 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- ten aanzien van feit 1: opzettelijk een hoeveelheid splijtstoffen of ertsen zonder vergunning voorhanden heeft gehad;

- ten aanzien van feit 2: opzettelijk een hoeveelheid radioactieve stoffen zonder vergunning voorhanden heeft gehad;

- ten aanzien van feiten 3, 4, 5: opzettelijk hoeveelheden splijtstoffen of ertsen, te weten Thorium, zonder vergunning voorhanden heeft gehad en/of binnen Nederlands grondgebied heeft gebracht of doen brengen;

- ten aanzien van feit 6: opzettelijk een deeltjesversneller met 100 kilogram splijtstoffen of ertsen, te weten Uranium, zonder vergunning voorhanden heeft gehad;

- ten aanzien van feit 7: opzettelijk hoeveelheden splijtstoffen of ertsen, te weten Thorium, zonder vergunning voorhanden heeft gehad;

- ten aanzien van feit 8: opzettelijk splijtstoffen of ertsen, te weten 16.814 gram Thorium en/of 2.693 gram Uranium, zonder vergunning voorhanden heeft gehad;

- ten aanzien van feit 9: opzettelijk radioactieve stoffen, te weten 16 gram Thorium, voorhanden heeft gehad;

- ten aanzien van feiten 10 en 11: opzettelijk en wederrechtelijk splijtstoffen en/of radioactieve stoffen in de bodem of in de lucht heeft gebracht, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat daarvan gevaar te duchten was.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan. Verdachte heeft geen vergunning krachtens de Kernenergiewet. Verdachte heeft weliswaar als verweer aangevoerd dat hij een vergunning heeft verkregen van Euratom, maar Euratom regelt alleen de Europese registratie van handelaren in kerntechnisch materiaal en verleent geen vergunningen.

De officier van justitie baseert zich voor een bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 9 op het zogenaamde ‘Stamproces-verbaal’, de nota’s waaruit blijkt dat verdachte in splijtstoffen en radioactieve stoffen heeft gehandeld en op de in beslag genomen splijtstoffen en radioactieve stoffen.

Ten aanzien van een bewezenverklaring van de feiten 10 en 11 baseert de officier van justitie zich op de bevindingen van de verbalisanten die geconstateerd hebben dat het risico op brand en/of zelfontbranding zeer groot was.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1 tot en met 9

Primair is de verdediging van mening dat verdachte wel degelijk een vergunning krachtens de Kernenergiewet had. De verdediging wijst daarbij op de brief van Euratom d.d. 4 april 1994, de brief van VROM d.d. 13 februari 1996 en de verschillende im- en exportvergunningen voor kerntechnisch materiaal die verdachte heeft aangevraagd en gekregen. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden.

Subsidiair voert de verdediging aan dat bij verdachte geen opzet aanwezig was op het overtreden van de vergunningsverplichting, zodat hij vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde feiten.

Feiten 10 en 11

Primair is de verdediging van mening dat enig bewijs voor het in de lucht of het op of in de bodem brengen van splijtstoffen of radioactieve stoffen ontbreekt. Bovendien is slechts de daadwerkelijke vervuiling strafbaar gesteld, zoals de tenlastelegging ook aangeeft, en niet het veroorzaken van een mogelijk gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor (een) ander(en) door eventuele verspreiding van radioactief poeder door een eventuele brand.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat geen sprake is van een ‘opzettelijke en wederrechtelijke’ overtreding van het vergunningsvereiste, aangezien verdachte ervan overtuigd was wel over een vergunning krachtens de Kernenergiewet te beschikken, dan wel er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij een dergelijke vergunning had.

Meer subsidiair is de verdediging van mening dat niet kan worden bewezen dat verdachte wist of een ernstige reden had om te vermoeden dat er gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor anderen te duchten was.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte wordt verdacht van -kort gezegd- het opzettelijk handelen in en voorhanden hebben van kerntechnisch materiaal zonder vergunning.

Een vergunning in de zin van de Kernenergiewet

De eerste vraag die de rechtbank in het kader van het bovenstaande dient te beantwoorden is of verdachte een vergunning had krachtens de Kernenergiewet.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Verdachte, noch zijn bedrijf [bedrijf 1], beschikten over een vergunning krachtens de Kernenergiewet. Ingevolge artikel 15 van de Kernenergiewet is het verboden om zonder vergunning -kort gezegd- te handelen in kerntechnisch materiaal of om dit materiaal voorhanden te hebben.

De rechtbank baseert haar oordeel op het volgende. Verdachte heeft verklaard dat hij in Nederland nooit een vergunning heeft aangevraagd voor het voorhanden hebben van radioactieve materialen. Daarnaast heeft verdachte zelf verklaard dat hij niet beschikt over een vergunning krachtens de Kernenergiewet. In 1998 wilde verdachte van het bedrijf Nukem in Duitsland thorium poeder overnemen. Nukem wilde alleen thorium aan verdachte leveren indien hij over een dergelijke vergunning beschikte. Deze bestelling bij Nukem is niet doorgegaan omdat het te lang zou duren voordat verdachte van VROM de benodigde vergunning zou krijgen voor de opslag van thorium, aldus verdachte.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een Europese vergunning voor het handelen in kerntechnisch materiaal gekregen heeft van Euratom. Dit verweer wordt verworpen aangezien Euratom alleen de Europese registratie regelt van handelaren in kerntechnisch materiaal en geen vergunningenverlenende instantie is. Ingevolge artikel 15a van de Kernenergiewet zijn de ministers van VROM, EZ en SZW tezamen bevoegd te beslissen over een aanvraag om een vergunning krachtens de Kernenergiewet. Verdachte, noch zijn bedrijf [bedrijf 1] hebben een vergunning op krachtens de Kernenergiewet ontvangen van één van deze ministeries.

Gelet op het bovenstaande heeft verdachte geen vergunning krachtens de Kernenergiewet en heeft deze vergunning ook nooit gehad.

Gerechtvaardigd vertrouwen

De tweede vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij over de juiste vergunning beschikte om te handelen in kerntechnisch materiaal.

De rechtbank beantwoordt bovenstaande vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

De brief van Euratom d.d. 4 april 1994 vermeldt slechts dat verdachte wordt geregistreerd als bezitter van kleine hoeveelheden kerntechnisch materiaal. Zoals hierboven al is overwogen regelt Euratom alleen de Europese registratie van handelaren in kerntechnisch materiaal en is Euratom geen vergunningenverlenende instantie. Aan deze brief mocht verdachte niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat hij in het bezit was van de vereiste Nederlandse vergunning krachtens de Kernenergiewet om in kerntechnisch materiaal te handelen.

Verdachte stelt dat hij op 13 februari 1996 een brief heeft ontvangen van het ministerie van VROM (kenmerk DGM/SVS 96009519), waarin verdachte wordt aangemerkt als vergunninghouder in de Kernenergiewet.

De rechtbank laat in het midden of verdachte deze brief daadwerkelijk heeft ontvangen. Uit de brief valt immers niet op te maken dat deze brief geadresseerd is geweest aan verdachte of aan het bedrijf van verdachte.

Ook al zou verdachte deze brief daadwerkelijk hebben ontvangen, dan nog mocht verdachte aan deze brief niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat hij beschikte over de vereiste vergunning is krachtens de Kernenergiewet, omdat hij nooit een aanvraag om een dergelijke vergunning heeft ingediend en voormelde brief een algemeen briefhoofd heeft en niet specifiek aan verdachte was gericht. Verdachte wist dat hij geen vergunning krachtens de Kernenergiewet had en had zich moeten realiseren dat er sprake was van een vergissing. .

Verdachte heeft verschillende malen bij de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer (hierna te noemen CDIU) im- en exportvergunningen voor kerntechnisch materiaal aangevraagd en gekregen.

Het CDIU is verantwoordelijk voor de afgifte van vergunningen voor de in- en uitvoer van goederen krachtens de In- en uitvoerwet. Het CDIU is niet verantwoordelijk voor de afgifte van vergunningen krachtens de Kernenergiewet voor het handelen in en het voorhanden hebben van kerntechnisch materiaal. Zoals hierboven reeds is overwogen zijn uitsluitend de ministers van VROM, EZ en SZW tezamen bevoegd te beslissen over een aanvraag om een vergunning krachtens de Kernenergiewet. Aan het feit dat het CDIU ondanks het ontbreken van een vergunning krachtens de Kernenergiewet meermalen vergunningen voor de in- en uitvoer van goederen heeft verleend, kon door verdachte dan ook niet het vertrouwen worden ontleend dat hij beschikte over de juiste vergunningen.

Gelet op het bovenstaande mocht verdachte aan voormelde brieven en aan de door hem verkregen im- en exportvergunningen niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat hij in het bezit was van de vereiste vergunning(en) krachtens de Kernenergiewet om te handelen in kerntechnisch materiaal. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Opzet

De derde vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte opzettelijk gehandeld heeft.

De rechtbank beantwoordt bovengenoemde vraag bevestigend en overweegt daartoe dat het ten laste gelegde ‘opzet’ de vorm van ‘opzet’ is zoals bedoeld in Wet Economische Delicten (hierna te noemen WED). Opzet in de zin van de WED is niet ‘boos opzet’, maar ‘kleurloos opzet’. ‘Boos opzet’ houdt in dat verdachte zich ervan bewust was dat hij ongeoorloofd handelde en dus opzettelijk de wet heeft overtreden. Voor ‘kleurloos’ opzet is dit niet vereist. Voldoende is dat het opzet van verdachte gericht was op de verboden feitelijke gedraging en niet op het overtreden van het voorschrift, te weten het zonder vergunning handelen in kerntechnisch materiaal.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij gehandeld heeft in kerntechnische materialen en dat hij deze materialen voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft deze handelingen bewust verricht zodat er sprake is van opzet in de zin van de WED. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer van de verdediging.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, gelet op de volgende feiten en omstandigheden.

Op 31 augustus 2005 is bij [bedrijf 2] te [vestigingsplaats] een lading schroot aangetroffen met een verhoogd stralingsniveau. De herkomst van deze lading schroot blijkt, na nader onderzoek, terug te leiden tot het bedrijf [bedrijf 1] te [vestigingsplaats]. Verdachte heeft telefonisch bevestigd dat de lading schroot van zijn bedrijf afkomstig is.

Op 27 september 2005 is door verbalisanten van VROM een controle uitgevoerd bij het bedrijf [bedrijf 1] te [vestigingsplaats]. Op vier plaatsen in het bedrijf wordt een verhoogd stralingsniveau vastgesteld. Op 29 september 2005 is het bedrijf van verdachte weer gecontroleerd door verbalisanten van VROM. Hierbij zijn monsters genomen van metalen waarbij het vermoeden bestaat dat deze splijtstoffen dan wel radioactieve stoffen zijn. In totaal zijn tien monsters genomen. Later is vastgesteld dat monster 1 t/m 8B splijtstoffen zijn en dat monster 9 een radioactieve stof is. Gelet op het voorgaande diende verdachte over een vergunning te beschikken om deze materialen voorhanden te hebben.

Op 30 september 2005 zijn alle materialen met een verhoogd stralingsniveau uit de bedrijfsruimte van [bedrijf 1] in beslag genomen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het klopt dat hij in de ten laste gelegde periode splijtstoffen en radioactieve stoffen voorhanden heeft gehad.

Naar de in beslag genomen stukken 8A en 8B (twee plaatjes metaal) is op verzoek van de verdediging door de Nuclear Research & consultancy Group (hierna te noemen NRG) nader onderzoek verricht. In het rapport wordt geconcludeerd dat de monsters van beide plaatjes thorium bevatten. Het is zeer waarschijnlijk dat beide plaatjes uit puur thorium zijn vervaardigd.

Ter zitting hebben de getuige-deskundigen G.J.L.M. de Haas en F.P. Moet het rapport van het NRG als volgt toegelicht.

De twee plaatjes bestaan zeer waarschijnlijk volledig uit thorium. Er zijn alleen monsters van de buitenkant van de plaatjes genomen, waardoor niet met 100% zekerheid kan worden gezegd dat de plaatjes volledig uit thorium bestaan. Alles wijst er echter op dat de plaatjes volledig uit puur thorium vervaardigd zijn.

Het is uitgesloten dat de plaatjes uit beryllium bestaan.

Overwegingen

De verdediging heeft ter zitting de betrouwbaarheid van het resultaat van het onderzoek in twijfel getrokken. Volgens de verdediging bestaan de twee in beslag genomen plaatjes uit beryllium en niet uit thorium.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het rapport van de NRG en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige-deskundigen ter zitting. De verdediging heeft de gebruikte onderzoeksmethode op zichzelf niet betwist. De stelling dat de plaatjes uit beryllium zouden bestaan is in het licht van de onderzoeksbevindingen ook onvoldoende concreet onderbouwd. De rechtbank neemt de conclusie van het rapport over en maakt deze tot de hare.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode splijtstoffen en radioactieve stoffen voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, gelet op de volgende feiten en omstandigheden.

Uit de in beslag genomen administratie blijkt dat:

- Verdachte op 12 januari 2000 negen kilo thorium heeft besteld bij [bedrijf 3] (hierna te noemen [bedrijf 3]) te [vestigingsplaats] (Verenigde Staten van Amerika). Deze negen kilo thorium is in februari 2000 middels luchtvervoer van Amerika naar [bedrijf 1] te [vestigingsplaats] vervoerd (feit 3) ;

- Verdachte op 13 februari 2003 een thoriumplaat heeft besteld bij [bedrijf 3] in Amerika. Deze thoriumplaat, ter grootte van acht kilo, is in de maand mei 2003 middels luchtvervoer van Amerika naar [bedrijf 1] te [vestigingsplaats] vervoerd (feit 4) ;

- Verdachte op 19 maart 2005 ongeveer 10 kilo thorium heeft besteld bij [bedrijf 3] in Amerika. [bedrijf 3] heeft in totaal zeven kilo thorium aan [bedrijf 1] geleverd. Deze zeven kilo thorium is in de periode van 1 april 2005 tot en met 31 mei 2005 middels luchtvervoer van Amerika naar [bedrijf 1] te [vestigingsplaats] vervoerd (feit 5) ;

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het klopt dat hij in de ten laste gelegde periodes thorium binnen Nederlands grondgebied heeft gebracht of heeft doen brengen.

Ten aanzien van feit 6

Op 26 oktober 2006 wordt bij [bedrijf 4] te [vestigingsplaats] een deeltjesversneller aangetroffen. In deze deeltjesversneller zit honderd kilo verarmd Uranium. Uit onderzoek blijkt dat deze deeltjesversneller eigendom is van verdachte.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij deze deeltjesversneller via internet heeft gekocht. Deze deeltjesversneller is rechtstreeks afgeleverd bij [bedrijf 4] te [vestigingsplaats]. Daar heeft hij al die tijd gestaan. Deze deeltjesversneller heeft nooit bij verdachte thuis gestaan en verdachte heeft hem ook nooit gezien.

Verdachte voert aan niet geweten te hebben dat in de deeltjesversneller verarmd uranium zat. In een deeltjesversneller kan namelijk ook lood zitten in plaats van verarmd uranium, aldus verdachte.

Overwegingen

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij deze deeltjesversneller met daarin honderd kilo uranium opzettelijk voorhanden heeft gehad.

Een deeltjesversneller kan zowel lood als uranium bevatten. Ter zitting is niet duidelijk geworden hoe groot de kans is dat een deeltjesversneller uranium bevat.

Nu de mogelijkheid bestaat dat de deeltjesversneller slechts lood bevatte en niet te bewijzen valt dat verdachte wist dat de door hem aangeschafte deeltjesversneller uranium bevat, dient verdachte vrijgesproken te worden van het ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 7

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 7 ten laste gelegde feit heeft begaan, gelet op de volgende feiten en omstandigheden.

Uit de in beslag genomen administratie blijkt dat:

- Verdachte op 18 november 2005 thorium heeft besteld bij [bedrijf 3] in Amerika. In totaal is in de maand mei 2006 vijftien kilo thorium middels luchtvervoer vervoerd van Amerika naar [bedrijf 1] te [vestigingsplaats].

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het klopt dat hij in de ten laste gelegde periodes thorium binnen Nederlands grondgebied heeft gebracht of heeft doen brengen. Gelet op het voorgaande is bewezen dat verdachte deze materialen voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van de feiten 8 en 9

Op 2 juni 2006 zijn hebben bij verdachte doorzoekingen ter inbeslagneming plaatsgevonden. De woning van verdachte in [vestigingsplaats] is doorzocht alsmede het bedrijfspand [bedrijf 1] te [vestigingsplaats].

Tijdens deze doorzoekingen zijn diverse objecten in beslag genomen waarbij het vermoeden bestond dat dit splijtstoffen dan wel radioactieve stoffen betroffen .

Op 30 november 2006 is het bedrijfspand van verdachte nogmaals doorzocht waar nog een object in beslag is genomen, waarbij het vermoeden bestond dat dit een splijtstof dan wel een radioactieve stof betrof.

Naar de in beslag genomen voorwerpen is nader onderzocht verricht. In totaal kon worden vastgesteld dat bij verdachte het volgende in beslag was genomen:

- 16.814 gram thorium, zijnde een splijtstof;

- 2.693 gram uranium, zijnde een splijtstof;

- 16 gram thorium, zijnde een radioactieve stof.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het klopt dat hij thorium en uranium voorhanden heeft gehad.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bovengenoemde hoeveelheden thorium en uranium voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van de feiten 10 en 11

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij opzettelijk en wederrechtelijk splijtstoffen en/of radioactieve stoffen op of in de bodem en/of in de lucht heeft gebracht terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar te duchten was.

Dit gevaar kan ontstaan doordat verspreiding van radioactief poeder zou kunnen plaatsvinden bij een brand of zelfontbranding, die ontstaat bij het be- of verwerken van het radioactief materiaal

In artikel 173a van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar gesteld degene die opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem of in de lucht brengt, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is. Niet bewezen is dat verdachte een stof op of in de bodem of in de lucht heeft gebracht. Er wordt in dat verband slechts gewezen op de zeer grote kans op brand en/of zelfontbranding van het aanwezige radioactieve materiaal bij de be- of verwerking daarvan en op de verspreiding van radioactief poeder die daardoor zou kunnen plaatsvinden. Verdachte dient daarom vrijgesproken te worden van deze ten laste gelegde feiten.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1

in de periode van 31 augustus 2005 tot en met 30 september 2005 te Bunschoten-Spakenburg, opzettelijk, zonder vergunning een hoeveelheid splijtstoffen voorhanden heeft gehad;

Feit 2

in de periode van 31 augustus 2005 tot en met 30 september 2005 te Bunschoten-Spakenburg, opzettelijk, zonder vergunning bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen radioactieve stoffen voorhanden heeft gehad;

Feit 3

in de maand februari 2000 te Bunschoten-Spakenburg opzettelijk, zonder vergunning ca. negen splijtstoffen, te weten thorium voorhanden heeft gehad en binnen Nederlands grondgebied heeft doen brengen;

Feit 4

in de maand mei 2003 te Bunschoten-Spakenburg opzettelijk, zonder vergunning ca. acht kilogram splijtstoffen, te weten thorium, voorhanden heeft gehad en binnen Nederlands grondgebied heeft doen brengen;

Feit 5

in de periode van 01 april 2005 tot en met 31 mei 2005 te Baarn opzettelijk, zonder vergunning in totaal ca. zeven kilogram splijtstoffen, te weten thorium, voorhanden heeft gehad en binnen Nederlands grondgebied heeft doen brengen;

Feit 7

in de maand mei 2006 te Bunschoten-Spakenburg opzettelijk, zonder vergunning in totaal ca. vijftien splijtstoffen, te weten Thorium, voorhanden heeft gehad;

Feit 8

op 2 juni 2006 en 30 november 2006 te Baarn en Bunschoten-Spakenburg opzettelijk, zonder vergunning een hoeveelheid splijtstoffen, te weten (in totaal ca. 16.814 gram) thorium en (in totaal ca. 2693 gram) uranium, voorhanden heeft gehad;

Feit 9

op 2 juni 2006 te Baarn en Bunschoten-Spakenburg opzettelijk, zonder vergunning bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen radioactieve stoffen, te weten (in totaal ca. 16 gram) thorium, voorhanden heeft gehad;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1, 3, 4, 5, 7 en 8: telkens, overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 15 van de Kernenergiewet, opzettelijk begaan;

feit 2 en 9: telkens, overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 29 van de Kernenergiewet, opzettelijk begaan.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege afwezigheid van alle schuld. Verdachte mocht er gerechtvaardigd op vertrouwwen dat hij over de juiste vergunning beschikte, gelet op de brieven die hij heeft ontvangen van VROM en Euratom en de diverse im- en export vergunningen die hij bij het CDIU heeft aangevraagd en gekregen. Aan deze instanties is een zodanig gezag toe te kennen dat verdachte in redelijkheid mocht vertrouwen op de deugdelijkheid van hun handelswijze met betrekking tot een vergunning.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Een beroep op afwezigheid van alle schuld kan alleen slagen indien verdachte daadwerkelijk geen enkele schuld heeft gehad aan de overtreding. Dit is niet geval. De rechtbank verwijst daarbij naar wat hierboven reeds is overwogen onder het kopje ‘gerechtvaardigd vertrouwen’.

Daarnaast had verdachte zich ervan moeten vergewissen of hij voor de handel in en het voorhanden hebben van kerntechnisch materiaal een vergunning nodig had, zeker gezien het feit dat, zoals uit de verklaring van verdachte blijkt, in 1998 de firma Nukem in Duitsland gevraagd heeft naar de nationale vergunning van verdachte krachtens de Kernenergiewet. Uit niets blijkt dat verdachte hieromtrent informatie heeft ingewonnen, zodat het beroep van verdachte op afwezigheid van alle schuld niet kan slagen.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis.

De officier van justitie heeft bij haar strafeis rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachten, waaronder zijn gezondheid en leeftijd, het lange tijdsverloop in deze zaak en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf en/of maatregel, dan wel een geheel voorwaardelijke straf.

Verdachte is een man van bijna 70 jaar oud en voordat deze strafprocedure begon had hij geen documentatie. Het bedrijf van verdachte is door deze strafprocedure bijna geheel ten gronde gegaan en daarmee is ook zijn pensioen in rook opgegaan. Verdachte en zijn vrouw verkeren in een slechte financiële situatie doordat verdachte de afgelopen jaren zijn bedrijf niet meer heeft kunnen uitoefenen. Daarnaast loopt deze zaak nu al ruim vier en een half jaar.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich -kort gezegd- schuldig gemaakt aan het opzettelijk handelen in en voorhanden hebben van kerntechnisch materiaal, terwijl verdachte hiervoor geen vergunning had.

Aan het handelen in en het voorhanden hebben van kerntechnisch materiaal zijn zware eisen gesteld. Om te zorgen dat deze strenge eisen worden nageleefd, dienen de handelaren in kerntechnisch materiaal over een vergunning te beschikken krachtens de Kernenergiewet. Zodoende kan de overheid controle uitvoeren op de handel in kerntechnisch materiaal.

Verdachte heeft daarnaast een gebrekkige administratie gevoerd en geen voorraadlijst van de kerntechnische materialen bijgehouden. Hierdoor is het voor de overheid niet goed mogelijk om te controleren welke en hoeveel kerntechnische materialen verdachte heeft verhandeld dan wel voorhanden heeft gehad.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij na de eerste doorzoeking op 30 september 2005 door is gegaan met de handel in kerntechnisch materiaal zonder dat hij daarvoor een vergunning had. Bij de tweede doorzoeking op 2 juni 2006 is bij verdachte wederom een grote hoeveelheid kerntechnisch materiaal aangetroffen.

De bovengenoemde feiten rechtvaardigen in principe een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank is echter van oordeel dat het niet opportuun is om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte een 69-jarige man is die niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Daarnaast heeft de rechtbank bij de strafoplegging rekening gehouden met het feit dat -als gevolg van het strafrechtelijk onderzoek- de onderneming van verdachte nagenoeg stil is komen te liggen. Doordat verdachte nagenoeg geen inkomsten meer heeft uit zijn bedrijf, verkeren verdachte en zijn vrouw in een zeer slechte financiële situatie. De rechtbank houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die ter zitting naar voren zijn gekomen, alsmede met het feit dat verdachte zich in gesprekken met de reclassering en in de begeleiding door een psychiater coöperatief heeft opgesteld. Verdachte heeft voorts aangegeven dat hij op vrijwillige basis begeleiding door het maatschappelijk werk zal voortzetten.

De rechtbank rekent ten voordele van verdachte mee dat het veel te lang heeft geduurd voordat de zaak inhoudelijk kon worden behandeld. Op 30 september 2005 is het bedrijfspand van verdachte doorzocht door verbalisanten van VROM en zijn diverse kerntechnische materialen in beslag genomen. Op 2 juni 2006 is het bedrijfspand van verdachte weer doorzocht, waarbij weer kerntechnische materialen zijn gevonden en in beslag genomen. Tevens is de woning van verdachte doorzocht. Op 29 december 2006 is het proces-verbaal tegen verdachte gesloten. De zaak tegen verdachte is op 29 mei 2009 voor het eerst op zitting aangebracht voor een regiezitting. Dit vonnis van de rechtbank is gewezen op 25 januari 2010. De redelijke termijn van twee jaar is hiermee met twee jaar en vier maanden overschreden. De rechtbank vindt het vooral kwalijk dat het openbaar ministerie de zaak gedurende een periode van twee en een half jaar -tussen de sluiting van het dossier en de regiezitting- ‘op de plank’ heeft laten liggen. In een dergelijke zaak, waarbij iemand wordt verdacht van het handelen in kerntechnisch materiaal, is het in het belang van zowel verdachte als de maatschappij dat de zaak zo snel mogelijk bij de rechtbank wordt aangebracht. Het openbaar ministerie heeft dit nagelaten.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de inhoud van het reclasseringsrapport d.d. 10 december 2009.

In tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft betoogd, acht de rechtbank de feiten echter dermate ernstig dat niet volstaan kan worden met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf en/of maatregel of met enkel een voorwaardelijke straf. De rechtbank zal de door de officier van justitie geëiste werkstraf echter fors verminderen gelet op bovengenoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop in deze zaak.

Alles afwegende legt de rechtbank verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden op. Deze straf zal de rechtbank echter geheel voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden om opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen.

Daarnaast dient verdachte een werkstraf voor de duur van honderd uur te verrichten, te vervangen door vijftig dagen hechtenis indien verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht.

7 Het beslag

7.1 De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank acht de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat voornoemde voorwerpen aan verdachte toebehoren en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 6, 10 en 11 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1, 3, 4, 5, 7 en 8: telkens, overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 15 van de Kernenergiewet, opzettelijk begaan;

feit 2 en 9: telkens, overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 29 van de Kernenergiewet, opzettelijk begaan;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde in beslag genomen voorwerpen, genummerd: 53 t/m 62.

Dit vonnis is gewezen door L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. M.P. Gerrits-Janssens en M.S. Koppert-van Beek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.B. Spaargaren, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 januari 2010.