Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL3092

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-02-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
SBR 10/217 (voorlopige voorziening) en SBR 10/216 (hoofdzaak)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening en beroepszaak tegen opgelegde Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder aan verzoeker heeft kunnen tegenwerpen dat sprake is van gebrek aan inzicht in het verkeer en incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer. Verweerder heeft terecht aan verzoeker een EMG opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/217 (voorlopige voorziening) en SBR 10/216 (hoofdzaak)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 februari 2010 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

tegen

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR),

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 10 december 2009, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2009 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit is aan verzoeker de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opgelegd.

1.2 Het verzoek is op 4 februari 2010 ter zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. S.D. Kurz, advocaat te Maarssen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.R.J. de Haan, werkzaam bij het CBR.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (SBR 06/216):

2.3 Artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) bepaalt, samengevat, dat indien een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling wordt gedaan aan het CBR.

2.4 Artikel 131, vierde lid, van de WVW bepaalt, samengevat, dat indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene de verplichting oplegt zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat het CBR de aard van de educatieve maatregelen vaststelt en een of meer tot toepassing van die maatregelen bevoegde deskundigen aanwijst.

In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels worden vastgesteld ter uitvoering van het eerste en het vijfde lid.

2.5 Bij Regeling van 17 april 1996 van de Minister van Verkeer en Waterstaat nadere regels gesteld met betrekking tot de maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, Stcrt. 1996, 81, hierna: de Regeling).

2.6 Ingevolge het per 1 oktober 2008 ingevoerde artikel 10b, eerste lid aanhef en onder a, van de Regeling besluit het CBR (onder meer) tot oplegging van een EMG, indien betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij de Regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag.

2.7 Bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag bepaalt als volgt.

2. Gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer, zoals:

a. onvoldoende anticiperen op het gedrag van andere weggebruikers; (…).

3. Incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:

a. rijden met een niet aan de snelheid va de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid; (…).

2.8 Aan de orde is de oplegging van een EMG aan verzoeker.

2.9 Verzoeker heeft betwist dat hij op 14 september 2009 onvoldoende zou hebben geanticipeerd op het gedrag van andere weggebruikers, alsmede dat hij ter plaatse de maximum toegestane snelheid zou hebben overschreden. Verzoeker heeft betwist dat hij op die datum één of meerdere zogenoemde wheely’s (het rijden op één wiel) heeft gemaakt, hetgeen volgens hem onvoldoende is komen vast te staan. Verzoeker heeft verwezen naar de processen-verbaal die zijn gemaakt naar aanleiding van het voorval. Verzoeker heeft gesteld dat hij zelf slachtoffer is geworden van het rijgedrag van de heer [X]. Voorts heeft verzoeker betwist de maximum snelheid te hebben overtreden, hetgeen ook niet onomstotelijk blijkt uit bewijsmiddelen. Verzoeker heeft hiertoe aangevoerd dat technisch onderzoek naar bijvoorbeeld de lengte van remsporen van zijn motorfiets ontbreekt. De door ooggetuigen geschatte snelheden kunnen niet redengevend zijn voor het bewijs, nu deze schattingen zeer uiteenlopen en de getuigen deskundigheid missen op dit gebied. Verzoeker heeft gesteld dat niet kan worden aangenomen, dan wel bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de WVW, hetgeen betekent dat het bestreden besluit op onjuiste materiële gronden berust.

2.10 Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat verzoeker op 14 september 2009 als bestuurder van een motor aan het verkeer heeft deelgenomen. Uit een getuigenverklaring blijkt dat zowel verzoeker als een andere motorrijder wheely’s aan het maken waren. De geschatte snelheid waarmee verzoeker reed was 100 km/u. De andere motorrijder raakte kennelijk de macht over het stuur kwijt en ging onderuit. Verzoeker kon niet meer uitwijken en kwam eveneens ten val. Gelet hierop heeft verweerder overwogen dat verzoeker onvoldoende heeft geanticipeerd op het gedrag van andere weggebruikers en dat hij heeft gereden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige weggebruikers aangepaste snelheid.

2.11 De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoeker op 14 september 2009 als bestuurder van een motor op de Atoomweg te Utrecht reed, tezamen met een andere motorrijder, de heer [X]. Evenmin is in geschil dat verzoeker op die dag op die plaats met zijn motor ten val is gekomen, omdat hij de heer [X] niet kon ontwijken toen die ten val kwam.

2.12 Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het maken van één of meerdere wheely’s niet doorslaggevend zijn geweest voor het opleggen van de EMG. De voorzieningenrechter begrijpt hieruit dat het maken van wheely’s wel een rol heeft gespeeld bij het bestreden besluit.

2.13 Uit de twee niet door verzoeker aangehaalde verklaringen van ooggetuigen - neergelegd in op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal - blijkt dat beide motorrijders voorafgaand aan de inhaalmanoeuvre van de heer [X] een wheely maakten. Verder blijkt uit de verklaring van verzoeker ter zitting dat hij door de heer [X], rijdend op zijn achterwiel, werd ingehaald, waarna de heer [X], toen zijn motor weer neerkwam, ten val is gekomen. Verzoeker kon daar, gelet op zijn eigen verklaring, niet tijdig op reageren en is daardoor ook ten val gekomen.

2.14 Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter op basis van de verklaringen van getuigen kunnen concluderen dat verzoeker reed met een snelheid die niet aangepast was aan de snelheid van overige gelijksoortige verkeersdeelnemers. De verklaringen zijn hiervoor voldoende consistent zonder dat precies de exacte snelheid is vastgesteld. Niet is bestreden dat zoals door verweerder ter zitting is meegedeeld, de maximum snelheid op de Atoomweg te Utrecht 50 kilometer per uur is. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat uit de verklaringen blijkt dat verzoeker samen met de heer [X] reed en die heeft verklaard dat hij een snelheid van 70 à 80 kilometer per uur had. Dat er op de weghelft waar verzoeker reed op dat moment verder geen ander verkeer zou rijden kan er niet aan afdoen dat de snelheid niet was aangepast aan die van overige gelijksoortige verkeer.

2.15 Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder heeft zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker onvoldoende geanticipeerd heeft op het gedrag van andere weggebruikers, hetgeen blijkt uit de verklaringen van de ooggetuigen en hetgeen hiervoor is overwogen. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker ter zitting heeft verklaard, uit geen van de verklaringen, ook niet die van verzoeker en de heer [X], naar voren komt dat verzoeker door de heer [X] is afgesneden. Uit één verklaring van een ooggetuige blijkt dat verzoeker schuin achter de heer [X] bleef rijden.

2.16 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder aan verzoeker heeft kunnen tegenwerpen dat sprake is van gebrek aan inzicht in het verkeer en incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer. Daarmee is voldaan aan artikel 10b, eerste lid aanhef en onder a, van de Regeling. Verweerder heeft dan ook terecht aan verzoeker een EMG opgelegd.

2.17 Hetgeen door verzoeker in beroep is aangevoerd kan, gelet op het voorgaande, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Onder deze omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 10/217):

2.18 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. J. Ebbens en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2010.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. K.S. Smits mr. J. Ebbens

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.