Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL1931

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
SBR 08/887 en SBR 09/2054
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft op grond van de Wob gevraagd om inzage in een aantal documenten die zijn gebruikt bij het opstellen van het rapport “Srebrenica, een ‘veilig’ gebied”, waaronder de debriefingsverslagen van de voormalige Dutchbat-militairen. De rechtbank is gelet op de uitspraak van de ABRvS van 23 september 2009 (LJN BJ8264) van oordeel dat verweerder er in deze zaak van heeft mogen afzien om per document of onderdeel daarvan te motiveren waarom aan de belangen die zich tegen openbaarmaking verzetten, doorslaggevend gewicht toekomt. Evenals in de zaak die heeft geleid tot genoemde uitspraak van de ABRvS betreft het in deze zaak verslagen van interviews, die hebben plaatsgevonden aan de hand van vaste (deel)onderwerpen en volgens een vast stramien. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat het belang van de persoonlijke levenssfeer, het belang dat geen onevenredige benadeling plaatsvindt van de betrokken militairen (zowel de geïnterviewde militairen als de door hen genoemde militairen) en het belang van de krijgsmacht dat uitgezonden militairen bereid blijven om verklaringen af te leggen over wat zij hebben meegemaakt, meer wegen dan het belang van openbaarmaking van de verklaringen. Daarbij heeft verweerder waarde mogen toekennen aan het feit dat aan de betrokken militairen vertrouwelijkheid is toegezegd en aannemelijk is dat de toegezegde vertrouwelijkheid mede bepalend is geweest voor de inhoud van de afgelegde verklaringen. Verder heeft verweerder gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat de gebeurtenissen waarover de betrokken militairen hebben verklaard, voor hen zeer ingrijpend en traumatiserend zijn geweest. De rechtbank acht om tot dit oordeel te komen van belang dat door middel van het feitenrelaas debriefing “Srebrenica” al veel informatie openbaar is gemaakt. Het tijdsverloop sinds de gebeurtenissen in Srebrenica maakt niet dat verweerder de belangenafweging anders had moeten laten uitvallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 08/887 en SBR 09/2054

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

gemachtigde: mr. M.J.G. Uiterwaal, advocaat te Amsterdam

en

de Minister van Defensie, verweerder,

gemachtigden: mr. E.J. Daalder en mr. H.J.M.R. van den Ende.

Inleiding

1.1 Bij brief van 28 februari 2005 heeft eiseres op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gevraagd om inzage in een aantal documenten die zijn gebruikt bij het opstellen van het rapport “Srebrenica, een ‘veilig’ gebied”.

1.2 Op 26 april 2005 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

1.3 Op 11 mei 2005 heeft verweerder een besluit genomen, aangevuld bij besluit van 5 juli 2005. Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiseres op 29 juli 2005 bezwaar gemaakt.

1.4 Op 17 november 2005 heeft eiseres een beroepschrift ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op voormelde bezwaarschriften. Bij besluit van 19 december 2005 heeft verweerder alsnog een besluit op bezwaar genomen. Dit besluit is aangevuld bij besluit van 3 februari 2006 en gewijzigd bij besluiten van 20 december 2006 en 8 maart 2007.

1.5 Bij uitspraak van 23 april 2007 heeft de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaard, de hiervoor onder 1.4 genoemde besluiten vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op de bezwaren te nemen.

1.6 Bij besluit van 27 juni 2007 heeft verweerder de bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.

1.7 Op 4 juli 2007 heeft eiseres opnieuw een Wob-verzoek gedaan en verzocht om openbaarmaking van alle debriefingsverslagen uit het archief debriefing Srebrenica van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten.

1.8 Bij besluit van 8 augustus 2007 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 februari 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld (geregistreerd onder nummer SBR 08/887).

1.9 Bij uitspraak van 25 maart 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) de uitspraak van de rechtbank van 23 april 2007 bevestigd, het besluit van verweerder van 27 juni 2007 gedeeltelijk vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit gedeeltelijk in stand blijven.

1.10 Op 27 juli 2009 heeft eiseres beroep bij deze rechtbank ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar van 29 juli 2005 (geregistreerd onder nummer SBR 09/2054).

1.11 Bij besluit van 11 augustus 2009 heeft verweerder het bezwaar van 29 juli 2005, voorzover nog in geschil, ongegrond verklaard.

1.12 De beroepen zijn behandeld ter zitting van 10 november 2009, waar eiseres niet is verschenen. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep van eiseres mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 11 augustus 2009.

2.2 Over het beroep dat eiseres heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar van 29 juli 2005 overweegt de rechtbank dat dit beroep niet-ontvankelijk verklaard dient te worden wegens gebrek aan belang nu verweerder inmiddels op het bezwaar van eiseres heeft beslist bij besluit van 11 augustus 2009.

2.3 Gelet op het bepaalde in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb had verweerder binnen een termijn van tien weken, na ontvangst van het bezwaarschrift van 29 juli 2005, een besluit moeten nemen. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit heeft nagelaten. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is dan ook terecht ingediend. De rechtbank ziet hierin aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres voor het indienen van dit beroepschrift heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 80,50 (één punt voor het indienen van het beroepschrift ten bedrage van € 322,-, met wegingsfactor 0,25).

2.4 Op grond van de hiervoor onder 1.9 genoemde uitspraak van 25 maart 2009 van de ABRvS diende verweerder opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiseres tegen de weigering de documenten met de nummers DC-33-188 tot en met DC-33-192 en de NAVO-documenten met de aanduiding ‘unclassified’ openbaar te maken. Verweerder diende tevens alsnog te beslissen op de bezwaren van eiseres tegen het niet verstrekken van de 212 verklaringen van de voormalige Dutchbat-militairen en de zogenoemde COREU-berichten (CORrespondance EUropéenne). Verweerder heeft dit gedaan bij besluit van 11 augustus 2009.

2.5 Met toepassing van artikel 8:29 van de Awb heeft de rechtbank kennis genomen van de stukken waar het geschil betrekking op heeft. Eiseres heeft bij brieven van 20 juli 2009 en 6 november 2009 toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Debriefingsverklaringen

2.6 Het besluit van verweerder van 12 februari 2008 heeft betrekking op alle verklaringen van voormalige Dutchbat-militairen. Nu dit besluit het besluit van 11 augustus 2009 overlapt ziet de rechtbank aanleiding de beroepen, voorzover gericht tegen de besluiten om geen inzage te geven in de verklaringen van de Dutchbat-militairen, als één geheel te zien en ook als zodanig te behandelen.

2.7 In geschil is derhalve allereerst de openbaarmaking van 490 debriefingsverklaringen van 481 militairen die in de periode 6 juli 1995 tot en met 21 juli 1995 aanwezig zijn geweest in de enclave Srebrenica.

2.8 Verweerder heeft de openbaarmaking van de genoemde debriefingsverklaringen geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, onder e en g, van de Wob. Daarin is bepaald dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer of het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.9 Het aanbieden van vertrouwelijkheid aan de betrokken militairen is op zichzelf onvoldoende om aan het belang van de persoonlijke levenssfeer en het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling een groter gewicht toe te kennen dan aan het belang van de verzochte openbaarheid. Dat het hier gaat om een debriefing van uitgezonden militairen maakt dit, ook met inachtneming van wat de ABRvS overweegt in haar uitspraak in rechtsoverweging 2.16, niet anders.

2.10 De rechtbank stelt voorop dat de Wob niet toestaat dat openbaarmaking van een document los van de inhoud in zijn geheel wordt geweigerd onder verwijzing naar voornoemde gronden. In beginsel dient verweerder per document of onderdeel daarvan te motiveren waarom aan de belangen die zich tegen openbaarmaking verzetten, doorslaggevend gewicht toekomt. De rechtbank is gelet op de uitspraak van de ABRvS van 23 september 2009 (LJN BJ8264) van oordeel dat verweerder van zo’n beoordelingswijze in deze zaak heeft mogen afzien. Evenals in de zaak die heeft geleid tot genoemde uitspraak van de ABRvS betreft het in deze zaak verslagen van interviews, die hebben plaatsgevonden aan de hand van vaste (deel)onderwerpen en volgens een vast stramien. De rechtbank constateert weliswaar dat in deze zaak –anders dan in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de ABRvS van 23 september 2009– tijdens de interviews een veelheid aan uiteenlopende feiten aan de orde is gekomen, maar de rechtbank ziet hierin geen aanleiding om anders te oordelen. Verweerder heeft de belangen genoemd onder artikel 10, tweede lid, onder e en g, van de Wob gezamenlijk afgewogen tegen het belang van de verzochte openbaarheid. De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat dit niet zou mogen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat het belang van de persoonlijke levenssfeer, het belang dat geen onevenredige benadeling plaatsvindt van de betrokken militairen (zowel de geïnterviewde militairen als de door hen genoemde militairen) en het belang van de krijgsmacht dat uitgezonden militairen bereid blijven om verklaringen af te leggen over wat zij hebben meegemaakt, meer wegen dan het belang van openbaarmaking van de verklaringen. Daarbij heeft verweerder waarde mogen toekennen aan het feit dat aan de betrokken militairen vertrouwelijkheid is toegezegd en aannemelijk is dat de toegezegde vertrouwelijkheid mede bepalend is geweest voor de inhoud van de afgelegde verklaringen. Verder heeft verweerder gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat de gebeurtenissen waarover de betrokken militairen hebben verklaard, voor hen zeer ingrijpend en traumatiserend zijn geweest. De rechtbank acht om tot dit oordeel te komen van belang dat door middel van het feitenrelaas debriefing “Srebrenica” al veel informatie openbaar is gemaakt. De rechtbank merkt daarbij op dat zij een vergelijking heeft kunnen maken tussen dit feitenrelaas en de debriefingsverslagen en heeft geconstateerd dat de debriefingsteams te werk zijn gegaan zoals beschreven in het feitenrelaas onder 1.1.3. De rechtbank heeft verder geconstateerd dat in de verklaringen die zij heeft ingezien, de passages zijn gemarkeerd die moesten worden verwerkt in het feitenrelaas en dat deze passages ook daadwerkelijk terug zijn te vinden in het feitenrelaas. Op grond hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de debriefingsteams consciëntieus de informatie die zich leende voor openbaarmaking hebben opgenomen in het feitenrelaas. De rechtbank onderkent dat door de wijze van weergeven van deze passages in het feitenrelaas onduidelijkheden kunnen ontstaan en dat de chronologie van gebeurtenissen verloren kan gaan, hetgeen niet ten goede komt aan de leesbaarheid van het feitenrelaas. Dit maakt echter niet dat de belangenafweging anders zou moeten uitvallen, omdat bij een andere wijze van weergeven van bedoelde passages herkenbaarheid van personen kan optreden.

2.11 Het standpunt van eiseres dat de verklaringen geanonimiseerd openbaar hadden kunnen worden gemaakt volgt de rechtbank niet. Ook indien de naam van de betrokken militair uit de debriefingsverklaring zou worden weggelakt, zou de afgelegde verklaring, gelet op de beperkte kring van betrokkenen, binnen deze groep nog te herleiden kunnen zijn tot de persoon die de verklaring heeft afgelegd dan wel tot personen over wie de betrokken militair verklaart.

2.12 Eiseres heeft aangevoerd dat het tijdsverloop sinds de gebeurtenissen in Srebrenica door verweerder ten onrechte onvoldoende is meegewogen. Verweerder heeft naar de mening van eiseres onvoldoende gemotiveerd waarom het tijdsverloop van meer dan 12 jaar niet tot een andere belangenafweging heeft geleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen menen dat de gebeurtenissen in Srebrenica nog altijd in de publieke belangstelling staan en nog steeds van grote invloed zijn op betrokkenen. Dit betekent dat het tijdsverloop geen verandering heeft gebracht in het gewicht van de belangen van de betrokken militairen en dat het tijdsverloop verweerder er niet toe heeft hoeven brengen de belangenafweging in het voordeel van de openbaarheid te doen uitvallen.

2.13 Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat aan leidinggevenden dezelfde bescherming van de persoonlijke levenssfeer toekomt als aan gewone militairen. Het belang van de openbaarheid dient anders te worden afgewogen wanneer het om leidinggevenden gaat, aldus eiseres. Eiseres verwijst in dit verband naar de jurisprudentie met betrekking tot ambtshalve functioneren.

Verweerder heeft zich hierover ter zitting op het standpunt gesteld dat aan ambtenaren en bestuurders, zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Wob, wél een beroep op bescherming van de persoonlijke levenssfeer toekomt en dat door de ABRvS steeds vaker een beroep op artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob wordt aanvaard. Verweerder verwijst daartoe onder andere naar rechtsoverweging 2.16 van de uitspraak van de ABRvS van 25 maart 2009, waarin is overwogen dat militairen, als onderdeel van de krijgsmacht, een functie bekleden waarbij hun anonimiteit zoveel mogelijk moet worden gewaarborgd, reeds omdat zij met regelmaat in conflictsituaties werken. In deze uitspraak wordt door de ABRvS geen onderscheid gemaakt tussen leidinggevenden en andere militairen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet op deze overweging van de ABRvS, terecht op het standpunt gesteld dat aan leidinggevenden dezelfde bescherming van de persoonlijke levenssfeer toekomt als aan andere militairen. Verweerder behoefde dit niet afzonderlijk te motiveren.

2.14 Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder heeft miskend dat aan militairen die een boek hebben geschreven, een interview aan de pers hebben gegeven of anderszins publiekelijk bekend zijn, voor die informatie geen bescherming op grond van artikel 10, tweede lid, onder e en g, van de Wob meer toekomt. De rechtbank stelt voorop dat het aan verweerder is om al dan niet toepassing te geven aan artikel 10, derde lid, van de Wob, waarin is neergelegd dat het tweede lid, aanhef en onder e, niet van toepassing is voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat een andere uiting, zoals het schrijven van een boek of het geven van een interview aan de pers, gelijk gesteld kan worden met het instemmen met openbaarmaking als bedoeld in artikel 10, derde lid, van de Wob. Dat bepaalde informatie al publiekelijk bekend is uit andere hoofde leidt er niet toe dat de debriefingsverklaringen van de hier aan de orde zijnde militairen ook openbaar moeten worden gemaakt op grond van de Wob. Bovendien kan niet van verweerder worden verlangd dat hij beoordeelt of en welke informatie al op andere wijze openbaar is gemaakt.

2.15 Eiseres heeft in dit kader verder aangevoerd dat verweerder heeft miskend dat de belangen van overleden personen ten minste anders moeten worden gewogen dan van nog in leven zijnde personen. Weliswaar dient eiseres te worden gevolgd in haar standpunt dat aan een overleden persoon geen bescherming van de persoonlijke levenssfeer meer toekomt, echter het belang van de persoonlijke levenssfeer van de nabestaanden van een overledene dient wel in de overwegingen te worden betrokken. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de ABRvS van 12 augustus 2009 (LJN BJ5104). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich hierover terecht op het standpunt gesteld dat aan de belangen van de nabestaanden van overleden militairen een groter gewicht dient te worden toegekend dan aan het belang van openbaarheid. Daarbij komt dat in de debriefingsverklaringen ook veelvuldig over anderen is verklaard. Aan het belang van die anderen, gezamenlijk met de overige genoemde belangen bij niet-openbaarmaking, komt, zoals hiervoor reeds overwogen, een groter gewicht toe dan aan het belang van de verzochte openbaarheid.

2.16 Concluderend overweegt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid aan de belangen genoemd in artikel 10, tweede lid, onder e en g, van de Wob, een groter gewicht heeft mogen toekennen dan aan de belangen bij openbaarmaking van de debriefingsverklaringen. Gelet hierop hoeft op het subsidiaire standpunt van verweerder dat de veiligheid van de staat zich tegen openbaarmaking verzet, niet te worden ingegaan.

NAVO-documenten met de aanduiding “unclassified”

2.17 Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd de NAVO-documenten met de aanduiding “unclassified” openbaar te maken. Verweerder heeft geweigerd deze documenten openbaar te maken met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de betrekkingen met de lidstaten van de NAVO alsmede de betrekkingen met de NAVO zouden worden geschaad door de openbaarmaking van documenten met de aanduiding “unclassified”, nu geen sprake is van een officieel NAVO-doel en in het “Management Document of non-classified nato information” (hierna: het Management Document) is opgenomen dat NAVO-documenten met de aanduiding “unclassified” alleen kunnen worden vrijgegeven in verband met een officieel NAVO-doel.

2.18 Door verweerder is inmiddels het Management Document ter beschikking gesteld van eiseres en de rechtbank. Hierin is het volgende opgenomen:

2. NATO information which does not require a security classification is known as non-classified NATO information and falls into two categories:

(a) NATO UNCLASSIFIED

NATO UNCLASSIFIED (NU) information is information which does not carry a security classification but will be marked NATO UNCLASSIFIED. Such information may carry an administrative or dissemination limitation marking (see paragraphs 9 and 10). NATO UNCLASSIFIED shall only be used for official purposes and only individuals, bodies or organisations that require it for official NATO purposes may have access to it. NATO information marked NATO UNCLASSIFIED is subject to the release procedures, set out in paragraphs 11-15.

(…)

7. NATO information marked NATO UNCLASSIFIED is to be used only for official purposes. Only individuals, bodies or organisations that require it for official NATO purposes may have access to it.

(…)

11. NATO UNCLASSIFIED information may be released outside NATO provided that the provisions of paragraphs 12 to 15 below are followed.

12. Responsibility for the release of NATO UNCLASSIFIED information is delegated by the North Atlantic Council and Military Committee to the Heads of NATO civil or military bodies or to member nations holding that information who shall determine and elaborate any additional procedures necessary for its release.

2.19 Niet tussen partijen in geding is dat het Management Document het toepasselijke regime bevat voor NAVO-documenten als hier aan de orde en ook de rechtbank ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat NAVO documenten met de classificatie “unclassified” slechts openbaar kunnen worden gemaakt wanneer dit een NAVO-doel dient. Verder heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat openbaarmaking in het kader van de Wob geen NAVO-doel dient. De stelling van eiseres dat niet uit te sluiten valt dat enige van de documenten met de classificatie “unclassified” openbaar blijken te zijn, omdat verweerder hierover niet op de juiste wijze navraag heeft gedaan, kan dan ook niet slagen. Verder volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat verweerder de classificatie opnieuw kan en moet beoordelen, omdat de documenten afkomstig zijn van de Nederlandse Staat en deze daarmee de bevoegdheid heeft om de classificatie te wijzigen. De rechtbank overweegt hierover dat dit voor één document niet opgaat, omdat dit document niet afkomstig is van de Nederlandse Staat. En verder is de rechtbank van oordeel dat het te ver voert om van de Nederlandse Staat te verlangen dat hij de classificatie opnieuw beoordeelt in het kader van een Wob-procedure. Een Wob-verzoek heeft betrekking op de documenten zoals zij voorliggen op het moment dat het verzoek wordt ingediend. Hieruit vloeit voort dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat aan het belang genoemd onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob meer gewicht toekomt dan aan het belang bij openbaarmaking van NAVO documenten met de classificatie ‘unclassified”.

Documenten DC-33-188 tot en met DC-33-192

2.20 Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd de documenten met nummers DC-33-188 tot en met DC-33-192 openbaar te maken. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat verstrekking van deze documenten, die curricula vitae van uitgezonden militairen bevatten, een inbreuk zou betekenen op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Verder leidt openbaarmaking van de namen van de militairen tot onevenredige benadeling van deze groep.

Na kennisneming van de documenten is de rechtbank met verweerder van oordeel dat deze documenten ook bij geanonimiseerde verstrekking tot de personen die het betreft herleidbaar zijn. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het belang van deze militairen bij eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer dan aan het belang van de openbaarheid. Zoals hiervoor onder 2.14 reeds is overwogen oordeelt de rechtbank dat verweerder hierbij geen onderscheid behoefde te maken tussen personen die zelf in de publiciteit zijn getreden of anderszins publiekelijk bekend zijn en personen die dat niet zijn. Evenmin was verweerder gehouden te onderzoeken of bepaalde gegevens door de desbetreffende personen zelf al in de openbaarheid waren gebracht.

COREU-berichten

2.21 Over de COREU-berichten heeft de ABRvS in haar uitspraak van 25 maart 2009 overwogen dat verweerder zijn beslissing om de Raad van de Europese Unie (hierna: de Raad) niet te raadplegen, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de vraag of de in geding zijnde documenten voor het publiek toegankelijk mogen worden gemaakt, alsnog voorgelegd aan de Raad. Bij brief van 11 juni 2009 heeft het secretariaat-generaal van de Raad hierop te kennen gegeven dat aan de documenten geen toegang dient te worden verleend, aangezien zij interne informatie over een bijzonder moeilijke periode in het voormalige Joegoslavië bevatten, die ook nog vandaag de internationale betrekkingen tussen de Europese Unie en de betrokken landen ernstig kunnen schaden. Op grond van artikel 4, eerste lid, onder a, derde streepje, van Verordening 1049/2001/EG dient derhalve de toegang tot deze documenten te worden geweigerd. Deze brief heeft verweerder bij het verweerschrift ter kennis gebracht van eiseres en de rechtbank. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank thans voldoende onderbouwd gemotiveerd dat het openbaarmakingsregime van de EU zich tegen openbaarmaking van de COREU-berichten verzet.

2.22 Het beroep geregistreerd onder nummer SBR 08/887 is ongegrond en het beroep geregistreerd onder nummer SBR 09/2054 is voor het overige ongegrond.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer SBR 08/887 ongegrond;

verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer SBR 09/2054, voorzover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 29 juli 2005, niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer SBR 09/2054, voor het overige ongegrond;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 80,50, te betalen aan eiseres.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, als voorzitter, en mr. J. Ebbens en mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse, als leden, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2010.

De griffier: De voorzitter:

mr. M.L. Bressers mr. D.A. Verburg

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.