Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL1922

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
232842 / HA ZA 07-1226
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BV1865, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Factoring is niet in strijd met het in artikel 3:84 BW opgenomen fiducia-verbod. De vorderingen zijn rechtsgeldig overgedragen. De akte is voldoende specifiek en er is mededeling gedaan aan de debiteuren van Fa-Med.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 84
Burgerlijk Wetboek Boek 3 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2010, 39
JOR 2010/140 met annotatie van J.W.A. Biemans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 232842 / HA ZA 07-1226

Vonnis van 3 februari 2010

in de zaak van

1. [eiser sub 1]

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kraamzorg Nederland B.V.,

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kraamzorg Nederland B.V.,

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat: mr. M.R. Ruygvoorn,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FA-MED B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat: mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq en Fa-Med genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 november 2007,

- het proces-verbaal van comparitie van 5 maart 2008,

- de akte uiteenzetting verrekeningsbevoegdheid van Fa-Med van 16 april 2008,

- de conclusie van repliek van 28 mei 2008,

- de conclusie van dupliek van 20 augustus 2008,

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken van 16 december 2008,

- de akte toelichting retrocessie van Fa-Med van 14 januari 2009,

- de antwoordakte toelichting retrocessie van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq van

28 januari 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Kraamzorg Nederland B.V. (hierna: Kraamzorg) is, na surseance van betaling op 27 april 2005, op 29 april 2005 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq tot curatoren. Kraamzorg was een van de grootste particuliere aanbieders op het gebied van kraamzorg. Zij verrichtte haar bedrijfsactiviteiten via verschillende vestigingen verspreid over heel Nederland.

2.2. Fa-Med is een factoringmaatschappij, actief op het gebied van de ‘Medical Factoring’.

2.3. Op 24 november 2004 is tussen Fa-Med en Kraamzorg een factoringovereenkomst tot stand gekomen. Op grond van deze overeenkomst is Kraamzorg gehouden om al haar vorderingen op debiteuren (patiënten en zorgverzekeraars), voor zover die voortvloeien uit het verlenen van kraamzorg of thuiszorg, aan Fa-Med te verkopen en in eigendom over te dragen vanaf de datum van ingang, te weten 1 januari 2005. Hier staat tegenover dat Fa-Med verplicht is een koopsom te betalen. De koopsom is vastgesteld aan de hand van de hoogte van de vorderingen, waarbij een percentage ten behoeve van de door Fa-Med gemaakte kosten en winst in mindering wordt gebracht.

2.4. In artikel 7 van de factoringovereenkomst is bepaald dat het debiteurenrisico van de vorderingen niet door Fa-Med wordt overgenomen en dus buiten de overeenkomst valt.

2.5. Op de factoringovereenkomst zijn een Sideletter versie FKZN 112004 van 1 november 2004 (hierna: Sideletter), en de Algemene Factoringvoorwaarden Fa-Med, van toepassing verklaard.

2.6. De Algemene Factoringvoorwaarden luiden, voor zover van belang, als volgt:

“BEGRIPSBEPALINGEN

“Artikel 1

In deze overeenkomst worden de volgende begrippen gehanteerd:

(…)

‘Debiteurenrisico’

Het risico dat een debiteur zijn geldelijke verplichtingen niet nakomt (daaronder niet begrepen het risico van non-betaling op grond van geschillen omtrent de niet, niet tijdige of niet behoorlijke uitvoering van een medische of paramedische (be)handeling of verrichting).

(…)

EIGENDOMSOVERDRACHT

(…)

Artikel 5

1. De eigendomsoverdracht aan Fa-Med van de vordering van de deelnemer (lees: Kraamzorg) op de debiteur vindt plaats op de wijze en het tijdstip als Fa-Med zal bepalen. De deelnemer verbindt zich telkens aan Fa-Med te doen toekomen, onder verwijzing naar deze overeenkomst, tenminste de volledige naam (initialen, voorvoegsels en achternaam), het geslacht, de geboortedatum, het volledige adres (straat, huisnummer evt. met volgcode, postcode en plaats) van de debiteur, de verrichting- c.q. declaratiecode zoals vastgesteld door het college tarieven gezondheidszorg, het bedrag van de vordering en verzekeringscoderingen, de AGB-codes van de behandelend zorgverlener en locatie waar de behandeling heeft plaatsgevonden. Verder alle overige door Fa-Med wenselijk geachte gegevens.

2. De overdracht aan Fa-Med vindt plaats door het verstrekken van de vereiste gegevens. Fa-Med aanvaardt de overdracht ten blijke waarvan Fa-Med de ontvangst van de gegevens bevestigt.

3. De deelnemer is verplicht op eerste verzoek van Fa-Med een rechtsgeldig ondertekende akte van gecedeerde vorderingen op Fa-Med te leveren.

4. Indien een deelnemer met behulp van zijn persoonlijke inlogcode toegang verkrijgt tot de beveiligde webportal van Fa-Med en door middel van de dan opgebouwde beveiligde verbinding zijn vorderingen op debiteuren aan Fa-Med overdraagt, cedeert de deelnemer bij het voltooien van de gehele handeling het eigendom van zijn aangeleverde vorderingen an Fa-Med zoals bedoeld in artikel 3:94 BW. Fa-Med aanvaardt op haar beurt de levering door middel van een aan de deelnemer gezonden bevestiging van ontvangst van de gegevens.”

RECLAMERING EN RETROCESSIE

Artikel 19

1. Indien de rechtmatigheid van de vordering, of een gedeelte van een vordering, door een debiteur wordt betwist (gereclameerd), dan ontvangt de deelnemer hierover schriftelijk, tenzij anders overeengekomen, bericht van Fa-Med. De deelnemer verplicht zich binnen twee weken na dit bericht hieromtrent uitsluitsel te verschaffen, overeenkomstig de door Fa-Med aangegeven wijze. In het geval de deelnemer akkoord gaat met de reclame of als de deelnemer niet binnen de gestelde termijn van twee weken uitsluitsel verschaft of als de rechtmatigheid van de vordering niet binnen zes weken na het eerste bericht van reclamering door de debiteur komt vast te staan, is Fa-Med gerechtigd de vordering te retrocederen, in welk geval de deelnemer verplicht is deze retrocessie te aanvaarden.

2. Indien de deelnemer een overgedragen vordering door Fa-Med laat annuleren, is Fa-Med gerechtigd de betreffende vordering te retrocederen.

Artikel 20

Bij retrocessie van een overgedragen vordering is Fa-Med gerechtigd het aan de deelnemer uitgekeerde bedrag alsmede de door Fa-Med gemaakte kosten van inning van de deelnemer terug te vorderen. (…)”

2.7. In artikel 5 van de Sideletter van 1 november 2004 is het volgende bepaald:

“Indien de verzekeraar met terugwerkende kracht bepaald dat de grondslag voor de uitkering is komen te vervallen, bijvoorbeeld om dat er sprake was van een dubbele verzekering of een onterechte uitkering, is Fa-Med gerechtigd de facturen te retrocederen ongeacht de inmiddels verstreken tijdsduur. Indien in voorkomende gevallen de Kraamzorg Nederland B.V. alsnog de juiste verzekeraars gegevens weet te achterhalen of besluit de nota gericht aan een verzekeraar te wijzigen in een particuliere nota, dient de Kraamzorg Nederland B.V. de vordering op nieuw aan te leveren.”

2.8. Vanaf december 2004 tot en met maart 2005 was de [A] (hierna: [A]) bij Kraamzorg belast met de administratieve handelingen ter uitvoering van de afspraken met Fa-Med, terwijl de heer [B] (hierna: [B]) deze werkzaamheden daarna heeft verricht.

2.9. Kraamzorg heeft ter uitvoering van de overeenkomst maandelijks een batch declaraties aan Fa-Med geleverd en Fa-Med heeft de waarde van deze declaraties onder aftrek van kosten aan Kraamzorg betaald. Kraamzorg verstuurde de voor facturering bestemde gegevens in beginsel in overleg met Fa-Med per brief (op 26 januari 2005, 10, 16, 21 (tweemaal) en 23 februari 2005, en op 23 maart 2005), en per e-mail.

2.10. Kraamzorg heeft in totaal een bedrag van EUR 4.415.964,62 aan omzet aangeleverd, waarvoor Fa-Med aan Kraamzorg een bedrag van EUR 2.939.325,90 heeft betaald.

2.11. Fa-Med heeft facturen naar de debiteuren en verzekeringsmaatschappijen verzonden om zelf betaling te ontvangen. Fa-Med heeft op de facturen de volgende mededeling opgenomen:

“de verzending en de bevoegdheid om deze nota te innen is door uw medische zorgverlener overgedragen (gecedeerd) aan Fa-Med B.V. te Amersfoort. Hiervan is een akte opgemaakt (art. 3:94 BW). Zie ommezijde voor meer informatie.”

2.12. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq hebben als productie 11 bij dagvaarding een brief d.d. 3 mei 2005 en de daarbij behorende bijlage overgelegd. De bijlage is een brief gericht aan ‘de zorgverzekeraar’ en getekend namens Kraamzorg. In de brief wordt het volgende vermeld:

“Middels dit schrijven, wil ik u mededelen, dat ik mijn declaraties heb overgedragen aan factoringmaatschappij Fa-Med B.V. te Amersfoort.

Dit houdt in dat u de declaratiebedragen niet langer naar mijn rekening over dient te maken maar naar de rekening van Fa-Med B.V, op gironummer [nummer].

Tevens ga ik ermee akkoord dat alle afrekenspecificaties en overige correspondentie naar Fa-Med verzonden wordt. (…)”

2.13. Nadat Kraamzorg in staat van faillissement is verklaard hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq en Fa-Med met elkaar gesproken over de incasso van de vorderingen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq hebben daarbij aangegeven, dat zij zich op het standpunt stellen dat geen rechtsgeldige cessie van de vorderingen heeft plaatsgevonden.

2.14. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq hebben bij brief van 7 juni 2005 laten weten dat zij volharden in hun standpunt dat geen rechtsgeldige cessie heeft plaatsgevonden, maar dat het in het belang van alle betrokkenen is dat Fa-Med in afwachting van een definitieve uitspraak of regeling in der minne doorgaat met de incasso van de vorderingen. In overleg met de rechter-commissaris hebben zij van Fa-Med verlangd zekerheid te stellen voor de (eventuele) terugbetaling van de geïncasseerde en te incasseren bedragen.

2.15. Fa-Med heeft bij brief van 24 mei 2005 haar stellingname dat wel degelijk sprake is van een rechtsgeldige cessie gehandhaafd. Zij meldt voorts:

“Ik heb u benadrukt dat Fa-Med een uiterst solvente onderneming is en ben zonodig bereid om daar nog wat nadere gegevens over te verstrekken. Bewarende maatregelen lijken mij dus niet aan de orde, nog afgezien van het feit dat dergelijke maatregelen jegens mijn cliënte onrechtmatig zouden zijn nu de beweerde vordering elke grondslag mist.”

2.16. Op 20 juni 2005 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq de zorgverzekeraars bericht dat de incasso van de debiteuren van Kraamzorg zal geschieden door andere partijen dan de curatoren. Vermeld wordt onder meer dat een deel van de debiteuren geïncasseerd zal worden door Fa-Med en dat zij bevrijdend aan Fa-Med kunnen betalen.

3. Het geschil

3.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq vorderen dat de rechtbank bij (tussen)vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Vordering 1

primair

Fa-Med zal veroordelen al dan niet op de voet van artikel 843a Rv, binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen (tussen)vonnis een afschrift van de bescheiden waaruit blijkt in hoeverre de vorderingen op debiteuren van Kraamzorg Nederland die vallen onder reikwijdte van deze dagvaarding, succesvol zijn geïnd, onvoorwaardelijk aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq ter beschikking te stellen, met inachtneming van de al door Fa-Med verstrekte informatie overgelegd als productie 12 bij dagvaarding en met inachtneming van het volgende:

a) het bedrag dat Fa-Med succesvol heeft geïncasseerd,

b) welk bedrag als nog te incasseren openstaat,

c) welk bedrag niet kan worden geïncasseerd, met de redenen daarvoor,

voorwaardelijk

indien bovenstaande vordering niet, al dan niet op grond van artikel 843a Rv, voor toewijzing in aanmerking komt, Fa-Med op de voet van artikel 22 Rv zal gebieden bij (tussen)vonnis uitvoerbaar bij voorraad binnen zeven dagen na het hierbij te wijzen (tussen)vonnis een afschrift ter beschikking te stellen van de bescheiden beschreven bij de primaire vordering.

Vordering 2

primair

voor recht zal verklaren dat Kraamzorg Nederland al dan niet gedeeltelijk, haar vorderingen op debiteuren niet rechtsgeldig heeft overgedragen aan Fa-Med,

subsidiair

Fa-Med zal veroordelen tegen kwijting te betalen aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq het bedrag dat Fa-Med heeft geïncasseerd bij debiteuren van Kraamzorg Nederland, voor zover die incasso is gebaseerd op een niet rechtsgeldige overdracht van die debiteuren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, en bij wijze van voorschot een bedrag van EUR 2.000.000,00 te betalen, welk bedrag nader wordt opgemaakt bij staat,

Vordering 3

Fa-Med zal veroordelen in de kosten van dit geding, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis.

3.2. Fa-Med voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is in geschil of in het kader van de tussen hen op 24 november 2004 tot stand gekomen factoringovereenkomst de vorderingen van Kraamzorg op haar debiteuren, rechtsgeldig zijn gecedeerd aan Fa-Med. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq hebben aangevoerd dat er een aantal afzonderlijke gebreken zijn aan de door Kraamzorg en Fa-Med beoogde overdracht van de vorderingen. Ten eerste is de cessie volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq in strijd met het in artikel 3:84 lid 3 BW verwoorde fiduciaverbod.

Ten tweede stellen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq zich op het standpunt dat een rechtsgeldige akte van cessie heeft ontbroken.

Ten derde stellen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq dat van de cessie geen juiste en tijdige mededeling aan de debiteuren is gedaan. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq maken aanspraak op de door Fa-Med uit hoofde van de factoringovereenkomst geïnde bedragen omdat volgens hen als gevolg van deze gebreken de cessie niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. Fa-Med heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank overweegt als volgt.

Fiducia-verbod

4.2. In artikel 3:84 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat een rechtshandeling die tot doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid of die de strekking mist het goed na de overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen, geen geldige titel van overdracht van dat goed is. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq hebben gesteld dat nu Fa-Med in de rechtsverhouding met Kraamzorg het debiteurenrisico niet heeft gedragen, dit met zich brengt dat de beoogde overgang van de vorderingen niet de strekking heeft deze vorderingen zonder beperking op Fa-Med te doen overgaan, zodat er geen geldige titel is. Fa-Med daarentegen heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderhavige cessie niet kwalificeert als een overdracht tot zekerheid en evenmin anderszins in strijd is met artikel 3:84 lid 3 BW. Zij heeft aangevoerd dat partijen niet hebben beoogd om Fa-Med een voorrangspositie boven andere schuldeisers te verschaffen. Volgens Fa-Med houdt artikel 7 van de factoringovereenkomst in dat Fa-Med het recht heeft om een oninbaar gebleken vordering aan Kraamzorg te retrocederen terwijl Kraamzorg de verplichting heeft om de vordering terug te kopen en de koopprijs aan Fa-Med terug te betalen. Deze bepaling doet niet af aan de rechtsgeldigheid van de overeenkomst, aldus Fa-Med.

4.3. Volgens de Hoge Raad (HR 19 mei 1995, NJ 1996, 119) moet de maatstaf voor wat betreft het element “die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid”, worden gezocht in het antwoord op de vraag of de rechtshandeling ertoe strekt de wederpartij in dier voege een zekerheidsrecht op het goed te verschaffen dat deze in zijn belangen als schuldeiser ten opzichte van andere schuldeisers wordt beschermd. Overwogen is voorts dat de kern van een zodanige bescherming naar haar aard in de bevoegdheid om zich met voorrang boven andere schuldeisers op het goed te verhalen ligt, hetgeen de bevoegdheid tot toe-eigening uitsluit. De vraag die voorligt is of nu ingevolge artikel 7 van de factoringovereenkomst tussen partijen geldt dat het debiteurenrisico van de vorderingen niet door Fa-Med is overgenomen, dit tot gevolg heeft dat aan Fa-Med niet meer is verschaft dan het recht op de vorderingen dat haar in haar belang als schuldeiser van Kraamzorg beschermt.

4.4. De rechtbank neemt bij haar beoordeling tot uitgangspunt dat in de factoringovereenkomst is bepaald dat partijen zijn overeengekomen dat Kraamzorg al haar vorderingen op debiteuren aan Fa-Med zal verkopen en in eigendom overdragen. Uit deze bewoordingen valt af te leiden dat de overeenkomst de strekking heeft de vorderingen in het vermogen van Fa-Med te laten vallen en de verantwoordelijkheid voor het innen van de vorderingen bij Fa-Med te leggen. Nu de artikelen 4 tot en met 6 van de toepasselijke algemene voorwaarden eveneens duiden op een volwaardige cessie oordeelt de rechtbank dat de enkele verwijzing naar de bepaling inhoudende dat het debiteurenrisico van de vorderingen niet door Fa-Med is overgenomen, niet voldoende is om ervan uit te gaan dat het de bedoeling van partijen was om met de eigendomsoverdracht voor Fa-Med slechts een voorrangspositie te creëren ten opzichte van andere schuldeisers. De rechtbank acht in dit verband bovendien van belang dat uit artikel 19 van de Algemene Factoringvoorwaarden Fa-Med en artikel 5 van de Sideletter volgt dat het aan Fa-Med is of de in deze bepaling bedoelde vorderingen wederom aan Kraamzorg zullen toekomen dan wel zij deze wenst te behouden.

4.5. Geoordeeld wordt dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq overigens onvoldoende feiten en/of omstandigheden hebben aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat Fa-Med de vorderingen in eigendom heeft verkregen voor het geval Kraamzorg niet in staat zou zijn om het bedrag dat Fa-Med terzake de vorderingen aan Kraamzorg heeft voldaan, terug te betalen. In aanmerking genomen dat gebleken is dat Fa-Med een koopprijs heeft voldaan die aansluit bij de waarde van de vorderingen, hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq al met al niet voldoende onderbouwd gesteld dat sprake was van bevoorschotting en dat partijen beoogden dat Fa-Med slechts het beheer van de debiteurenportefeuille voerde.

4.6. Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank het ervoor dat de factoringovereenkomst als een rechtsgeldige titel kan worden aangemerkt.

Akte van cessie

4.7. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq hebben in de tweede plaats aangevoerd dat de onderhavige factoringovereenkomst slechts een titel tot overdracht is, en geen akte van cessie als bedoeld in artikel 3:94 lid 1 BW. Volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq bevat de factoringovereenkomst namelijk slechts een verplichting om vorderingen op debiteuren in de toekomst over te dragen, zonder dat de overdracht in de factoringovereenkomst zelf wordt bewerkstelligd. Voorts menen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq dat er, behoudens de zeven brieven van Fa-Med aan Kraamzorg die tevens zijn ondertekend door Kraamzorg, met daarin opgenomen gegevens over overgenomen declaratiebestanden, geen stukken zijn die zijn aan te merken als akte van cessie. De e-mailberichten van Kraamzorg waarbij zij aan Fa-Med voor facturering bestemde gegevens stuurt, zijn geen ondertekende geschriften, doch elektronische gegevens, en daarmee geen akten van cessie, aldus [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq voeren ten aanzien van de zeven brieven aan dat alleen de bestuurders van Kraamzorg bevoegd waren deze vennootschap te vertegenwoordigen en dat de betreffende brieven niet door (een van) hen is ondertekend, maar door [A] en [B], die daartoe geen volmacht hadden. Van een gebondenheid van Kraamzorg door het toerekenen van een schijnvolmacht aan Kraamzorg is volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq evenmin gebleken.

4.8. Fa-Med stelt zich op het standpunt dat de factoringovereenkomst wel voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een akte van cessie. Op basis van de factoringovereenkomst, in combinatie met de door Kraamzorg aangeleverde cessielijsten (brieven en e-mailberichten), was het volgens Fa-Med voor partijen duidelijk welke vorderingen van Kraamzorg werden overgedragen.

4.9. Ingevolge artikel 3:94 BW kan de cessie plaatsvinden bij onderhandse akte waaruit blijkt dat zij tot levering van de daarin bedoelde vordering(en) is bestemd. Uit het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2001 (NJ 2001, 662) volgt dat de tot levering strekkende verklaring van de cedent niet met zoveel woorden in de akte hoeft te zijn opgenomen. Voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel in onderling verband en samenhang met andere akten of feiten, kan worden vastgesteld dat de akte is bestemd tot levering van de daarin bedoelde vorderingen. Volgens de Hoge Raad brengt een redelijke, op de praktijk afgestemde uitleg van het vereiste van een akte voor de levering mee dat voldoende is dat de verkrijger van de vordering redelijkerwijs uit de akte mag begrijpen dat zij tot levering is bedoeld. De akte behoeft de titel niet te vermelden.

4.10. In onderhavige factoringovereenkomst is opgenomen dat ‘de deelnemer al zijn vorderingen op debiteuren, als genoemd onder punt 2, aan Fa-Med zal verkopen en in eigendom overdragen vanaf de datum van ingang als genoemd in punt 5’. In punt 5 staat: “Deze overeenkomst wordt aangegaan voor de periode van 24 maanden, ingaande op 1 januari 2005”. Gebleken is dat in aansluiting hierop in de praktijk door het verzenden van brieven dan wel e-mailberichten, met daarin de feitelijke met de vorderingen gemoeide debiteureninformatie, door Kraamzorg en Fa-Med uitvoering is gegeven aan de levering. In de overeenkomst is weliswaar niet vermeld dat partijen de akte wensen aan te merken als document bestemd tot cessie, maar nu het de verkoop en levering van vorderingen betreft die eerst na het tot stand komen van de overeenkomst ontstaan en nog nader bepaald dienden te worden, mocht Fa-Med naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs uit de akte en de toepasselijke algemene voorwaarden begrijpen dat deze de overdracht deden bewerkstelligen. Zeker bij toekomstige vorderingen ligt een verwoording van verkoop en levering als opgenomen in de factoringovereenkomst en het uitvoering geven daaraan op een later moment immers in de rede.

4.11. In artikel 5 van de Algemene Factoringvoorwaarden Fa-Med is bepaald welke gegevens met betrekking tot de vorderingen door Kraamzorg aan Fa-Med verstrekt dienen te worden, alsmede dat de overdracht aan Fa-Med plaatsvindt door het verstrekken van deze gegevens. Gelet op de door partijen gevoerde factoringpraktijk ten aanzien van het verzenden van de met de vorderingen gemoeide debiteurenadministratie door middel van brieven en e-mailberichten doet deze bepaling naar het oordeel van de rechtbank er echter niet aan af dat de factoringovereenkomst reeds cessie van de vorderingen inhoudt. De regeling in artikel 5 van de algemene voorwaarden moet dan ook worden opgevat als richtsnoer voor de uitvoering van de gerealiseerde overdracht van toekomstige vorderingen. Van belang is in dit verband dat deze bepaling in de Algemene Factoringvoorwaarden Fa-Med, Fa-Med geheel vrij laat om te bepalen op welk tijdstip de overdracht van de vorderingen plaatsvindt.

4.12. Het voorgaande brengt met zich dat de factoringovereenkomst als akte van cessie is aan te merken. De cessielijsten (in de brieven en e-mails) behoefden derhalve niet door de daartoe bevoegden ondertekend te worden.

Mededeling

4.13. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq stellen in de derde plaats dat er geen rechtsgeldige mededeling van de cessie is gedaan aan de debiteuren. Fa-Med heeft weliswaar facturen gezonden aan de debiteuren (particulieren en verzekeraars) van Kraamzorg en op die facturen is een mededeling opgenomen, maar deze mededeling is volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq geen mededeling van cessie als bedoeld in artikel 3:94 BW, omdat Fa-Med niet aan de debiteuren heeft medegedeeld dat Kraamzorg de vordering op hen aan haar heeft overgedragen, maar slechts dat zij bevoegd is tot het versturen en innen van de nota. Vanwege het faillissement van Kraamzorg kunnen sinds de datum van faillietverklaring geen handelingen meer worden verrichten ter voltooiing van de cessie door mededeling daarvan aan debiteuren, zonder medewerking althans instemming van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq, aldus [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq. Voorts geldt volgens hen dat eventuele gebreken in eerdere mededelingen aan debiteuren van Kraamzorg niet meer gerepareerd kunnen worden, zodat de brief van 3 mei 2005 gericht aan de verzekeringsmaatschappijen niet kan worden aangemerkt als een mededeling ter voltooiing van de cessie. Deze brief dateert van na de datum van faillissement. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq geven daarnaast te kennen dat zij de brief van 3 mei 2005 niet in de administratie van Kraamzorg hebben aangetroffen en dat zij uitsluitend daarmee bekend zijn omdat Fa-Med hen de brief heeft doen toekomen. Zij betwisten voorts dat de brief daadwerkelijk aan de verzekeraars is verzonden.

4.14. Fa-Med voert tot haar verweer aan dat de in artikel 3:94 BW bedoelde mededeling van cessie vormvrij kan worden gedaan. De mededeling hoeft volgens haar bovendien alleen betrekking hebben op het feit dat een akte is opgemaakt, zonder daarbij de inhoud van de akte te vermelden. Nu op de aan de debiteuren verzonden facturen (zowel aan de particulieren als de verzekeraars) melding van de cessie is gemaakt, hetgeen mede blijkt uit het feit dat zij al vanaf begin maart 2005 de verschuldigde bedragen aan Fa-Med overmaakten en niet aan Kraamzorg, is aan het tweede constitutieve vereiste voor cessie, de mededeling aan de debiteuren, eveneens voldaan, aldus Fa-Med. Fa-Med heeft voorts gesteld dat de brief van 3 mei 2005 geen bewijs van de stelling van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq is dat niet tijdig mededeling is gedaan aan de verzekeringsmaatschappijen. De bij deze brief gevoegde bijlage is gedateerd 16 maart 2005, derhalve voor de datum van faillietverklaring. Fa-Med stelt dat deze brieven vóór het faillissement aan de verzekeraars zijn verzonden.

4.15. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 3:94 lid 1 BW volgt dat voor de levering van tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten niet alleen het opmaken van een akte van cessie vereist is. Daarnaast dient mededeling van dat feit worden gedaan aan de debitor-cessus. Als uitgangspunt heeft te gelden dat deze mededeling in iedere vorm kan geschieden en dat hij alleen betrekking dient te hebben op het feit dat een akte is opgemaakt, niet op de inhoud van de akte. De rechtbank is van oordeel dat nu is komen vast te staan dat Fa-Med op de aan de debiteuren (zowel particulieren als verzekeraars) verzonden facturen heeft gemeld dat:

“de verzending en de bevoegdheid om deze nota te innen is door uw medisch zorgverlener overgedragen (gecedeerd) aan Fa-Med B.V. te Amersfoort. Hiervan is een akte opgemaakt. (art.3:94 BW). Zie ommezijde voor meer informatie”,

is voldaan aan het tweede constitutieve vereiste voor de cessie. Gelet op de verwijzing naar de wettelijke grondslag van cessie en de vermelding dat een akte is opgemaakt, is de rechtbank van oordeel dat aan de debiteuren in voldoende mate is duidelijk gemaakt dat niet alleen de inningbevoegdheid maar de gehele vordering is overgedragen. Anders dan kennelijk het geval was in het door het Gerechtshof Amsterdam behandelde geval (arrest van 22 juli 2004, NJF 2004, 586) – waarop [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq zich hebben beroepen – heeft de hiervoor geciteerde mededeling blijkbaar ook niet tot onduidelijkheid geleid bij de desbetreffende debiteuren. Gesteld noch gebleken is dat deze niet zouden hebben begrepen dat de vorderingen door Kraamzorg waren overgedragen aan Fa-Med.

4.16. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de verzekeraars via de vermelding op de facturen door Fa-Med op de hoogte zijn gesteld. Zij gaat dan ook voorbij aan de vraag of en wanneer de bijlage bij de brief van 3 mei 2005 aan de verzekeraars is verzonden.

Conclusie

4.17. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevorderde verklaring voor recht dat Kraamzorg, al dan niet gedeeltelijk, haar vorderingen op debiteuren niet rechtsgeldig heeft overgedragen, zal worden afgewezen. De vordering tot de veroordeling van Fa-Med tot betaling aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq van het bedrag dat zij heeft geïnd bij de debiteuren op basis van een niet rechtsgeldige overdracht van de vorderingen, zal bijgevolg eveneens worden afgewezen. De rechtbank behoeft de overige stellingen en weren van partijen met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de cessie derhalve niet te beoordelen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq hebben wat dit betreft evenmin belang bij hun vordering om op grond van artikel 843a Rv dan wel artikel 22 Rv te achterhalen in hoeverre Fa-Med haar vorderingen succesvol heeft geïncasseerd. Hetgeen partijen overigens hebben gesteld omtrent verrekening en de rechtsgeldigheid van de retrocessies behoeft geen nadere bespreking, nu dit alles is aangevoerd in het kader van het subsidiaire verweer van Fa-Med voor het geval de cessies niet rechtsgeldig zouden worden geoordeeld.

Proceskosten

4.18. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Fa-Med worden begroot op:

- vast recht EUR 251,00

- salaris advocaat 2.486,00 (5,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 2.737,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] qq in de proceskosten, aan de zijde van Fa-Med tot op heden begroot op EUR 2.737,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar, mr. M.E. Heinemann en mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2010.

HH