Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL1918

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
231673 / HA ZA 07-1062
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijswaardering. Bewezen dat een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen tussen de overledene en zijn zuster.

Ex-vrouw gedeeltelijk aansprakelijk voor door de overledene van zijn zuster geleend geld (voor zover geleend voor het huwelijk werd ontbonden).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 231673 / HA ZA 07-1062

Vonnis van 3 februari 2010

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats]

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats]

gedaagden,

advocaat mr. F.E.J. Menkveld.

De eisende partijen zullen hierna gezamenlijk [eisers]. genoemd worden. Afzonderlijk zullen zij [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] genoemd worden. Gedaagden zullen verder [gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 maart 2008;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 3 juli 2008;

- het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 30 oktober 2008;

- het proces-verbaal van tegenverhoor van 2 februari 2009;

- het proces-verbaal van voortzetting van tegenverhoor van 15 mei 2009;

- de conclusie na getuigenverhoor;

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor;

- de akte van partij [eisers].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het vonnis heeft de rechtbank [eisers]. opgedragen te bewijzen dat tussen hem en [A] een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen, op grond waarvan door [eisers]. € 54.112,78 aan [A] is geleend.

2.2. Hiertoe heeft [eisers]. [eiser sub 1], [eiseres sub 2], [B], [C], [D] en [E] als getuigen doen horen. In het tegenverhoor hebben [gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] zichzelf en [F] als getuigen doen horen.

2.3. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben beiden verklaard dat zij met [A] hebben afgesproken dat de voor en aan hem betaalde geldbedragen door hen aan hem werden geleend. De afspraak hierover is volgens hen tot stand gekomen op 7 oktober 2003. Er is niets over op papier gezet. [eiseres sub 2] heeft voorts verklaard dat zij in een bestand bijhield welke bedragen zij en haar man aan [A] hadden geleend. De inhoud van dat bestand besprak zij regelmatig met [A] en [A] stemde in met de in dat bestand vermelde bedragen. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben voorts verklaard dat de vóór 7 oktober 2003 aan [A] betaalde bedragen ook leningen waren. Dat was op het moment van betalen van die bedragen reeds met [A] afgesproken.

2.4. Mevrouw [B] was de partner van [A]. Op enig moment hadden [A] en zij besloten te gaan samenwonen. [A] heeft haar toen verteld dat hij geld had geleend van zijn vader en van zijn zuster, [eiseres sub 2]. [B] weet niet precies welk bedrag [A] van zijn zuster had geleend. Zij heeft voorts verklaard te weten dat dit bedrag in ieder geval de kosten omvatte zijn van de keuken, de inrichting, de hovenier en kosten van het opknappen van het huis. Verder heeft [eiseres sub 2] geld aan [A] betaald waarmee hij de Belastingdienst, boeken van [gedaagde sub1] en andere schulden kon betalen, aldus [B]. [A] heeft haar voorts gezegd dat [eiseres sub 2] op papier had staan hoeveel hij in totaal van haar had geleend. Hij vertrouwde daarop.

2.5. [C] is de broer van [A] en [eiseres sub 2]. Hij heeft verklaard aanwezig te zijn geweest bij de bespreking van 7 oktober 2003, toen werd afgesproken dat [eisers]. geld zou lenen aan [A]. Er zijn ook daadwerkelijk bedragen door [eisers]. voor en aan [A] betaald. Zo is van het door [eisers]. geleende geld de keuken betaald. Die kostte ongeveer € 20.000,=. Ook zijn kosten van meubels, studiekosten van [gedaagde sub1] en vorderingen van de belastingdienst betaald. Van [eiseres sub 2] heeft [C] begrepen dat zij ook rechtstreeks betalingen aan schuldeisers van [A] heeft verricht.

2.6. De heer [D] was als aannemer betrokken bij de verbouwing van het huis van [A]. Hij heeft verklaard flarden te hebben opgevangen van gesprekken die [A] voerde met derden. Een van die gesprekken voerde [A] met [eiseres sub 2]. In dat gesprek is aan de orde gekomen dat [A] geld kon lenen van [eiseres sub 2] om de verbouwing te betalen. Zij heeft vervolgens in het bijzijn[D] de keuken afgerekend die bestemd was voor het huis van [A]. [D] heeft voorts aanvankelijk verklaard dat de kosten van de verbouwing zijn betaald door [eiseres sub 2], doch dat hij niet meer weet of dat bedrag door [eiseres sub 2] of door [A] aan hem is overgemaakt. In een door [gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] overgelegde aanvullende verklaring heeft [D] verklaard dat dit bedrag door de vader van [A] aan [A] is geleend, en door [A] aan [D] is betaald.

2.7. Mevrouw [E] was in het verleden getrouwd met [C]. Zij heeft verklaard aanwezig te zijn geweest bij de bijeenkomst op 7 oktober 2003. Toen is besproken dat [eisers]. geld zou lenen aan [A] en dat [A] dat geld aan hem zou terugbetalen. Dat geld wilde hij gebruiken om zijn huis opnieuw in te richten, een keuken aan te schaffen, de tuin op te knappen en de schilder te betalen. Verder heeft [E] verklaard een keer – toen zij in het huis van [A] was – gezien te hebben dat [eiseres sub 2] beddengoed voor [A] had gekocht. Zij hoorde dat [eiseres sub 2] zei dat ze de kosten daarvan zou noteren op de lijst, waarop zij bijhield wat zij voor [A] betaalde.

2.8. [gedaagde sub 2] heeft verklaard dat zij niet bij de bespreking van 7 oktober 2003 aanwezig is geweest. Zij heeft voorts verklaard dat [A] haar nooit heeft verteld dat hij geld van [eisers]. had geleend, ook niet in de echtscheidingsprocedure tussen [A] en [gedaagde sub 2]. Als er daadwerkelijk sprake zou zijn geweest van een geldlening had het wel voor de hand gelegen dat [A] dat in die procedure had medegedeeld, te meer nu daar in het kader van de echtscheidingsprocedure diverse malen expliciet naar is gevraagd. [gedaagde sub 2] vermoedt daarom dat het door [eisers]. aan [A] betaalde geld afkomstig is uit het familiekapitaal van de familie [familie].

2.9. [gedaagde sub1] heeft verklaard dat zij nooit van haar vader heeft gehoord dat hij geld geleend had van [eisers]. Dat had volgens haar – als er daadwerkelijk sprake zou zijn van een geldlening – wel voor de hand gelegen nu [A] wist dat hij zou komen te overlijden en [gedaagde sub1] enig erfgename was.

2.10. De heer [F] is de huidige partner van [gedaagde sub 2]. Hij heeft verklaard dat [A] in de verschillende procedures rondom de echtscheiding tussen hem en [gedaagde sub 2] heeft ontkend dat hij leningen had afgesloten om de verbouwing van zijn huis te financieren.

2.11. De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van [eiser sub 1], [eiseres sub 2], [B], [C] en [E] volgt dat tussen [eisers]. en [A] een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. [eiser sub 1], [eiseres sub 2], [C] en [E] hebben immers allen verklaard dat zij erbij aanwezig waren toen [eisers]. en [A] afspraken dat [eisers]. bedragen voor en aan [A] zou betalen en dat die als geldlening zouden worden aangemerkt. Deze verklaringen stroken met de verklaring van [B], waaruit immers ook volgt dat [eisers]. geld aan [A] heeft geleend.

2.12. [gedaagde sub1], [gedaagde sub 2] en [F] zijn geen van allen aanwezig geweest bij de bijeenkomst op 7 oktober 2003. Zij kunnen dan ook geen van allen verklaren over de afspraken die (al dan niet) zijn gemaakt op die datum. Het enkele feit dat [gedaagde sub1]. [gedaagde sub 2] en [F] menen dat [A] het hun gezegd zou hebben als hij geld van [eisers]. had geleend, acht de rechtbank onvoldoende om de verklaringen van [eiser sub 1], [eiseres sub 2], [C] en [E] (en de verklaring van [B], die strookt met deze verklaringen) terzijde te stellen.

2.13. [gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] hebben gesteld dat de oorspronkelijke verklaring van [D] buiten beschouwing moet worden gelaten. [D] is namelijk in zijn nadere verklaring teruggekomen op zijn eerdere verklaring dat het factuurbedrag voor de door hem verrichte werkzaamheden door [eiseres sub 2] is gefinancierd. Daarnaast voeren [gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] aan dat [D] heeft verklaard dat hij gehoord zou hebben dat [A] € 20.000,= zou lenen van zijn vader. Daarover is echter pas gesproken in april 2004, terwijl [D] toen al niet meer werkzaam was in het huis van [A]. [D] heeft daardoor volgens [gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] tegenstrijdig en niet eenduidig verklaard en zijn verklaring later op een belangrijk punt herzien. Nog daargelaten of de door [gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] aangevoerde omstandigheden met zich brengen dat de gehele verklaring van [D] buiten beschouwing zou moeten worden gelaten (de rechtbank komt hierop later nog terug), is de rechtbank van oordeel dat in het midden kan blijven of de verklaring van [D] als bewijs kan dienen. Ook zonder de verklaring van [D] komt de rechtbank immers al tot de conclusie dat [eisers]. is geslaagd in zijn bewijsopdracht dat een overeenkomst van geldlening tussen hen en [A] tot stand is gekomen.

2.14. Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat [eisers]. is geslaagd in het leveren van het bewijs dat een overeenkomst van geldlening tussen hem en [A] tot stand is gekomen. De volgende vraag is hoeveel geld [eisers]. op grond van deze overeenkomst aan [A] heeft geleend. [eisers]. stelt dat zij in totaal € 54.112,78 aan [A] heeft geleend. Dat geld is gedeeltelijk aan [A] betaald en gedeeltelijk betaald aan schuldeisers van [A]. [eisers]. heeft als productie 1 een overzicht in het geding gebracht waarop de verschillende voor en aan [A] betaalde bedragen zijn opgenomen. Die bedragen zijn onderverdeeld in vier categorieën, te weten:

1. Levensonderhoud, studiekosten e.d. € 18.049,90

2. Renovatie voor- en achtertuin, schilderwerk buiten € 14.750,00

3. Aanschaf keuken € 10.518,60

4. Aanschaf inboedel € 10.794,28

Totaal € 54.112,78

[gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] betwisten de juistheid van verschillende op het overzicht vermelde bedragen.

Levensonderhoud, studiekosten e.d.

2.15. Het bedrag van € 18.049,90 is als volgt opgebouwd:

Datum Bedrag Betaald aan:

30-12-2002 € 3.500,00 [A]

3-1-2003 € 1.825,00 Belastingdienst

€ 11,00 Belastingdienst

14-7-2003 € 1.000,00 [A]

8-10-2003 € 2.000,00 [A]

15-12-2003 € 1.500,00 [A]

23-5-2005 € 702,90 Eneco

€ 11,00 Eneco

30-5-2005 € 2.500,00 [A]

28-6-2005 € 5.000,00 [A]

Totaal € 18.049,90

Volgens [gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] heeft [A] in het kader van de echtscheidingsprocedure op 12 mei 2004 een overzicht van schulden vervaardigd, waarop slechts een lening van zijn zuster van € 1.500,= is opgenomen. Volgens het overzicht van [eisers]. had hij op dat moment al (van het totale bedrag van € 18.049,90) een bedrag van € 9.836,= aan [A] betaald. Gezien hetgeen [A] in zijn eigen overzicht hierover heeft vermeld, betwisten [gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] een bedrag van (€ 9.836,00 – € 1.500,00 =) € 8.336,00.

2.16. [eisers]. heeft bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat alle bedragen waaruit het bedrag van € 18.049,90 is opgebouwd daadwerkelijk door [eisers]. aan [A] zijn betaald. Bij alle bedragen die aan [A] zijn betaald is in het betalingskenmerk vermeld dat het om leningen gaat. De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat [eisers]. is geslaagd in zijn bewijsopdracht dat een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. Nu voorts vaststaat dat de door [gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] betwiste bedragen daadwerkelijk door [eisers]. aan [A] zijn betaald en gesteld noch gebleken is dat [A] deze aan [eisers]. heeft terugbetaald, is de rechtbank van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat [eisers]. deze bedragen aan [A] heeft uitgeleend. Het enkele feit dat [A] deze bedragen in het door hem zelf vervaardigde overzicht niet heeft vermeld is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Evenmin komt de rechtbank tot een ander oordeel door de stelling van [gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] dat bij de bedragen van € 2.500,00 en € 5.000,00 is vermeld dat het zou gaan om studiekosten voor [gedaagde sub1], terwijl zij dergelijke kosten op dat moment niet zou hebben gehad. Als die stelling al juist zou zijn, doet dit er immers niet aan af dat de bedragen door [eisers]. aan [A] zijn betaald, terwijl – naar hiervoor reeds is overwogen – tussen [eisers]. en [A] was afgesproken dat de aan [A] te betalen bedragen als lening zouden worden aangemerkt.

Renovatie voor- en achtertuin, schilderwerk buiten

2.17. [eisers]. heeft gesteld voor [A] een bedrag van € 9.000,00 contant te hebben betaald aan Hoveniersbedrijf [H] en € 5.750,00 aan Schildersbedrijf [K]. [gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] hebben – naast enige hiervoor reeds besproken verweren – betwist dat [eisers]. de bedragen contant aan Hoveniersbedrijf [H] en Schildersbedrijf [K] heeft betaald.

2.18. De door [eisers]. overgelegde facturen van Hoveniersbedrijf [H] en Schildersbedrijf [K] zijn beide op naam van [eiseres sub 2] gesteld. Op de factuur van Hoveniersbedrijf [H] staat dat de factuur is “voldaan per kas”; op de factuur van Schildersbedrijf [K] staat “voldaan contant”. Beide facturen zijn zowel ondertekend door [eiseres sub 2] als door Hoveniersbedrijf [H] respectievelijk Schildersbedrijf [K]. Daar komt bij dat de getuige [B] heeft verklaard dat de kosten van het hoveniersbedrijf zijn betaald door [eiseres sub 2]. De getuigen [C] en [E] hebben beiden verklaard dat [A] de kosten voor het schilderwerk en de inrichting van de tuin heeft geleend van [eiseres sub 2]. De rechtbank is van oordeel dat dit alles voldoende bewijs oplevert voor de stelling van [eisers]. dat zij deze kosten voor [A] heeft betaald. Daartegenover is de enkele betwisting hiervan door [gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] onvoldoende. Ook het feit dat Schildersbedrijf [K] de factuur heeft uitgeschreven op een papier waarop geen briefhoofd is vermeld, is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen.

Aanschaf keuken

2.19. [eisers]. heeft gesteld de kosten voor de aanschaf van een keuken voor [A] contant te hebben betaald. [eisers]. heeft de facturen van [M] Keukens overgelegd waaruit blijkt dat de aanschafprijs van (in totaal) € 10.518,60 contant is betaald. Dat [eisers]. de aanschafprijs van de keuken heeft betaald wordt bevestigd door de getuige [B], die dit heeft gehoord van [A]. Ook de getuige [E] heeft verklaard dat het door [eisers]. aan [A] het geld leende voor de aanschaf van de keuken. Daarover is in haar bijzijn gesproken tijdens de bijeenkomst van 7 oktober 2003. Tenslotte heeft de getuige [D] verklaard dat hij erbij aanwezig was toen [eiseres sub 2] de aanschafprijs van de keuken aan [M] Keukens betaalde. Weliswaar is [D], zoals hiervoor onder ?2.13 reeds is overwogen, later gedeeltelijk op zijn verklaring teruggekomen, doch de rechtbank ziet hierin geen aanleiding om de verklaring van [D] op dit punt buiten beschouwing te laten. [D] heeft zijn verklaring over de betaling van de keuken immers niet ingetrokken. Bovendien heeft het gedeelte van de verklaring dat [D] heeft ingetrokken betrekking op de vraag van wie de verschillende aan [A] verstrekte fondsen afkomstig waren. Hierbij was [D] niet zelf betrokken, maar heeft hij slechts informatie van anderen gekregen. Bij de aanschaf van de keuken was [D] aanwezig en zijn verklaring op dit punt heeft dan ook betrekking op feiten die [D] zelf heeft waargenomen. Het feit dat [D] zijn verklaring op een ander punt heeft herroepen, brengt daarom nog niet met zich dat zijn verklaring op dit punt ongeloofwaardig zou zijn. Gezien het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat is komen vast te staan dat [eiseres sub 2] de kosten van de keuken voor [A] heeft betaald.

Aanschaf inboedel

2.20. De post “aanschaf inboedel” bestaat uit de volgende posten:

Plafonnières € 514,00

Speciale plafonnières € 62,28

Gordijnen/lamellen € 3.200,00

Bankstel € 3.300,00

Bezorgkosten bankstel € 95,00

Eettafel, stoelen, kasten, dressoir, bezorgkosten € 3.623,00

Totaal € 10.794,28

[gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] betwisten dat deze kosten door [eisers]. zijn betaald.

2.21. Voor wat betreft de posten van € 514,00 en € 62,28 geldt dat deze via een pinbetaling zijn voldaan. Uit de overgelegde bonnen blijkt dat de bedragen zijn afgeschreven van rekening 22.50.43.653, de rekening van [eiseres sub 2]. Daarmee staat vast dat [eiseres sub 2] deze kosten voor haar rekening heeft genomen.

Uit de verklaring van de getuige [E] blijkt voorts dat op 7 oktober 2003 is besproken dat de te lenen bedragen onder meer zouden worden aangewend voor de herinrichting van het huis van [A]. De getuige [B] heeft voorts verklaard dat [A] haar heeft gezegd dat onder meer de bank was betaald met geld dat [A] van [eiseres sub 2] had geleend. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben tenslotte beiden ook verklaard dat zij de kosten van de inboedel voor [A] hebben betaald. Hun verklaringen gelden weliswaar als partijgetuigenverklaringen, maar deze kunnen wel worden meegewogen als aanvulling op ander, onvolledig, bewijs. Op grond van al deze verklaringen is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [eisers]. ook deze kosten voor [A] heeft betaald. Het enkele feit dat [A] deze bedragen in het door hem zelf vervaardigde overzicht niet heeft vermeld acht de rechtbank onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Nu [gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] overigens hun betwisting niet nader hebben onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat [eisers]. ook op dit punt is geslaagd in zijn bewijsopdracht.

2.22. Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat [eisers]. is geslaagd in zijn bewijsopdracht dat hij in totaal € 54.112,78 aan [A] heeft geleend.

De vordering van [eisers].

2.23. [eisers]. vordert een verklaring voor recht dat hij een vordering heeft op de nalatenschap van [A] voor een bedrag van € 54.112,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening. Verder heeft hij veroordeling van [gedaagde sub1] gevorderd om dit bedrag aan hem te betalen, indien [gedaagde sub1] de nalatenschap van [A] zuiver heeft aanvaard. Voorts stelt [eisers]. dat [gedaagde sub 2] voor een bedrag van € 12.293,00 hoofdelijk aansprakelijk is voor de hiervoor genoemde schuld, nu een gedeelte van de schulden van [A] aan [eisers]., te weten een bedrag van € 24.586,00, is ontstaan vóór de ontbinding van het huwelijk van [A] en [gedaagde sub 2]. Op grond van artikel 1:102 BW is [gedaagde sub 2] volgens [eisers]. daarom naast de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor terugbetaling van de helft van dit bedrag, zijnde € 12.293,00. Het overige gedeelte van € 41.819,78 vordert [eisers]. slechts van de nalatenschap of – zo zij de nalatenschap onvoorwaardelijk heeft aanvaard – van [gedaagde sub1].

2.24. [gedaagde sub1] heeft tegen deze vorderingen geen andere verweren aangevoerd dan hiervoor reeds zijn besproken. De rechtbank zal de vorderingen tegen haar daarom toewijzen.

2.25. [gedaagde sub 2] heeft niet betwist dat de schulden voor een bedrag van € 24.586,00 zijn ontstaan voor de ontbinding van haar huwelijk met [A]. Zij stelt zich echter op het standpunt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid er aan in de weg staan dat zij moet betalen voor schulden die haar ex-echtgenoot buiten haar toestemming en medeweten om is aangegaan in de periode dat de echtscheidingscheidingsprocedure nog liep.

2.26. [A] en [gedaagde sub 2] waren gehuwd in gemeenschap van goederen. De wettelijke regeling van de gemeenschap van goederen houdt in dat schulden van ieder der echtgenoten tot de gemeenschap van goederen behoren, tenzij deze op enigerlei bijzondere wijze aan een der echtgenoten verknocht zijn (artikel 1:94 BW). Na ontbinding van de gemeenschap blijft ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor gemeenschapsschulden waarvoor hij vóór de ontbinding al aansprakelijk was. Na de ontbinding wordt de echtgenoot voor de helft aansprakelijk voor gemeenschapsschulden die door de andere echtgenoot zijn aangegaan (artikel 1:102 BW).

2.27. Nu [gedaagde sub 2] niet heeft gesteld dat de schuld van [A] aan [eisers]. aan hem verknocht was, geldt als uitgangspunt dat [gedaagde sub 2] op grond van de hiervoor beschreven regeling aansprakelijk is voor de helft van het bedrag van € 24.586,00. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat [A] de schulden is aangegaan buiten toestemming en medeweten van [gedaagde sub 2] om, onvoldoende is om te oordelen dat de het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om artikel 1:102 BW toe te passen. De rechtbank zal ook de vordering van [eisers]. op [gedaagde sub 2] daarom toewijzen.

2.28. De rechtbank begrijpt uit de vordering van [eisers]. dat hij bedoelt te vorderen dat de nalatenschap respectievelijk [gedaagde sub1] aansprakelijk is voor het gehele bedrag van € 54.112,78, en dat [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk is voor een gedeelte groot € 12.293,00 van dit bedrag. De letterlijke tekst van de gewijzigde eis bevat echter voor het gedeelte van € 12.293,00 niet het voorbehoud dat [gedaagde sub1] slechts aansprakelijk is als zij de nalatenschap heeft aanvaard. Nu [eisers]. dit kennelijk wel heeft bedoeld, zal de rechtbank het gevorderde bedrag van € 12.293,00 ten aanzien van [gedaagde sub1] toewijzen onder de hiervoor bedoelde voorwaarde. Voorts bevat de gewijzigde eis een verklaring voor recht dat [eisers]. een vordering heeft op de nalatenschap van [A] voor een bedrag van € 41.819,78, terwijl uit de stellingen van [eisers]. en het verweer van [gedaagde sub1] en [gedaagde sub 2] blijkt dat zij er van uitgaan dat een verklaring voor recht wordt gevorderd dat een vordering op de nalatenschap bestaat voor een bedrag van € 54.112,78. De rechtbank zal dat derhalve op die wijze toewijzen.

2.29. Gezien de relatie tussen partijen zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verklaart voor recht dat [eisers]. een vordering heeft op de nalatenschap van [A] voor een bedrag van EUR 54.112,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, welk bedrag uit de nalatenschap aan hem zal dienen te worden voldaan,

3.2. veroordeelt [gedaagde sub1], onder de voorwaarde dat zij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard conform artikel 4:192 BW om aan [eisers]. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van EUR 41.819,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.3. veroordeelt [gedaagde sub1], onder de voorwaarde dat zij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard conform artikel 4:192 BW, en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eisers]. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van EUR 12.293,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2010.

JWW/hp